Categorieën

Archief

Recente reacties

Verenigingen in de dorpssamenleving

Van oudsher staat Nederland bekend als verenigingenland. In vrijwel geen ander Europees land zijn zoveel inwoners lid van verenigingen, of het nu gaat om louter lokale verenigingen of grote maatschappelijke organisaties. Daarmee behoren we tot de Europese top. Alleen in Denemarken zijn er meer verenigingen per inwoner. Volgens recente onderzoeken gaat het nog steeds redelijk goed met het Nederlandse verenigingsleven. Traditionele maatschappelijke organisaties, zoals politieke partijen, vakbonden en kerken, hebben het moeilijk en verliezen veel leden maar veel sportverenigingen en lokale culturele verenigingen vervullen nog steeds een bindende rol in met name plattelandssamenlevingen. Om die rol te kunnen blijven vervullen moeten dorpsbewoners en verenigingen wel een antwoord vinden op de vergrijzing, de bevolkingskrimp en de voortgaande individualisering van de samenleving.

Anderen in 1952. Foto uit The Deeply Rooted

(meer…)

Gobernar es poblar

State propaganda and state planning of migration from the Netherlands to Argentina and Brazil, 1822-1992

International migration is the result of a decision of people to leave their country of origin and to settle elsewhere. The motives to do this can be different. The decision is not always a free choice, but can be a result of political or religious oppression. In that case migrants are refugees, of which many of them hope to return to their country of origin as soon as the political or religious situation has improved. Another motive is economic. Migrants move to another country in order to build up a new and better live in their country of destination. The decision to migrate out of economic motives is not always voluntary. In many cases people were driven by bitter poverty.

Dutch immigrants in Gonçalves Juniór, 1909. Colorized photo.

Although most migrants decided themselves to move to other countries, governments of both the countries of departure and arrival can play a role in organizing the migration process. This article focuses on the role of state propaganda and state planning of migration from the Netherlands to Brazil and Argentina. First, we focus on three migration waves in the nineteenth and the early twentieth century when propaganda from the countries of destination played an important role in boosting Dutch migration. The second part of the article focuses on the close cooperation between the Netherlands and Brazil in organizing migration after the Second World War. (meer…)

De ABTB en Sint Isidorus

Bron: Catawiki

Onlangs werd ik benaderd door een vrijwilliger van het project “Tegels op locatie” van de Stichting Vrienden van het Nederlands Tegelmuseum, een museum in Otterlo. Hij had de taak op zich genomen om locaties van de Sint Isidorustegel te identificeren. In een boek over boerderijen in het buitengebied van Deventer had hij gelezen dat deze tegel, met daarop deze patroonheilige van de boeren, vanaf 1947 werd verspreid onder de leden van de ABTB. De tegel of plaquette was ontworpen naar het voorbeeld van de grafsteen van de in 1946 overleden secretaris van de ABTB.

(meer…)

Ambitie en turbulentie

Een geschiedenis van het luchtvaartonderwijs in Nederland

Marc Dierikx, Mari Smits

Uitgave in samenwerking met: MBO College Airport

VERSCHIJNT OP 19 AUGUSTUS 2019. Als u dit boek vóór 19 augustus bestelt, wordt uw bestelling als voorintekening beschouwd en krijgt u het direct na verschijning thuisgestuurd.

Het luchtvaartonderwijs in Nederland is bijna een eeuw oud. Sinds de jaren twintig bestond er een mogelijkheid te worden opgeleid tot piloot. Het was een dure voorziening voor een kleine groep. Een opleiding voor technisch specialisten op de grond bestond aanvankelijk niet. Om hierin te voorzien werd in 1936 in Utrecht het Nederlands Luchtvaart Instituut opgericht. Amper drie jaar later verplaatste de opleiding zich naar Den Haag. Na verschillende naams- en koerswijzigingen werd de school in 1961 omgevormd tot de Anthony Fokker School. In de daarop volgende jaren verbreedde de opleiding in de luchtvaarttechniek zich in de richting van de elektronica.

In de jaren tachtig ontstond een beweging naar grotere organisatorische eenheden in het onderwijs. Deze ontwikkeling leidde tot een fusie met mbo-opleidingen uit de regio Amsterdam. Onder de rook van Schiphol werd een landelijke instelling voor luchtvaartonderwijs gevestigd in Hoofddorp. Hier werd een speciaal toegesneden school uit de grond gestampt, die naast technische ook dienstverlenende luchtvaartopleidingen ging verzorgen. In 1995 ging het nieuwe instituut van start als Nederlands Luchtvaart College. Twee jaar later ging het Nederlands Luchtvaart College deel uitmaken van het ROC van Amsterdam. Sinds 2011 wordt de naam MBO College Airport gevoerd.

Met aandacht voor de ambities van de opeenvolgende bestuurders brengt dit boek de turbulente geschiedenis in beeld van het luchtvaartonderwijs in Nederland. Hierbij is er zowel aandacht voor de plaats van de luchtvaartopleidingen binnen de steeds veranderende structuren van het middelbaar beroepsonderwijs, als voor personen en ontwikkelingen binnen wat nu MBO College Airport is.

€ 24.95   (incl. verzendkosten)
ISBN: 978-90-5345-555-5
druk: augustus 1e druk
22 x 28 cm – 160 blz.
genaaid gebonden
Te bestellen via Uitgeverij Matrijs.

De fatale bergwandeling van een oud-minister

Op 1 april 2014 begonnen twee Nederlandse meisjes, Kris Kremers en Lisanne Froon aan een bergwandeling in de jungle van Panama. Enkele maanden later werden stoffelijke resten van hen gevonden en een jaar later kwam vast te staan dat zij hoogstwaarschijnlijk waren verongelukt. Vermissing van mensen die een trektocht maken komt vaker voor, alleen ze komen niet allemaal prominent in het nieuws. Alleen als de slachtoffers van Nederlandse afkomst zijn, kunnen zij rekenen op veel aandacht van Nederlandse media. Hetzelfde gebeurde in 1911 toen een Nederlandse oud-minister, Johannes Christiaan de Marez Oyens, werd vermist.

(meer…)

Meer dan boer alleen

Bisschop, Chantal, Meer dan boer alleen. Een geschiedenis van de landelijke gilden, 1950-1990 (Dissertatie KU Leuven 2012; Leuven: Leuven University Press, 2015, 401 blz., ISBN 978 94 6270 026 0).

In 1990 verscheen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Belgische Boerenbond Ieder voor allen door Leen van Molle. Hierin worden de ontwikkelingen binnen de bond tot na de deconfiture van de Middenkredietkas in 1934 uitvoerig beschreven. De naoorlogse geschiedenis van de Boerenbond kwam er echter bekaaid vanaf. Als aanvulling hierop verscheen in 2015 het proefschrift van Chantal Bisschop: Meer dan boer alleen. Een geschiedenis van de landelijke gilden, 1950–1990. De focus van deze studie ligt niet op de Belgische Boerenbond als agrarische belangenbehartiger, maar op de culturele functie van de bond en het ontstaan en de ontwikkeling van een parallelle organisatie, namelijk de Landelijke Beweging en de Landelijke Gilden.

(meer…)

Tradução Português do livro sobre a história de Holambra

Aeroporto de Schiphol, quarta-feira, 13 de fevereiro de 1988. Depois de mais de meio ano de preparação, eu estava prestes a embarcar na primeira grande viagem de avião da minha vida. Já estava acostumado a viajar, mas, ao chegar no aeroporto naquela fatídica quarta-feira, algo muito diferente me esperava. O voo me levaria para o Brasil, onde eu ficaria por ano. Como historiador interessado na emigração holandesa, estava prestes a tornar-me eu mesmo um emigrante. A preparação tinha o caráter de uma emigração. Minha ida ao Brasil foi preparada pelas antigas organizações de emigração holandesas. Isso significava, entre outras coisas, que precisei pedir um visto temporário de emigração, fazer um exame médico e assinar um contrato de trabalho.

coverholambraportuguessm
Baixe a edição Português do livro de Mari Smits sobre a história de Holambra

Depois de um voo com escala em Marrocos, cheguei na sexta-feira 15 de abril, de manhã cedo, no novo aeroporto de Guarulhos, perto de São Paulo. Após recolher minha bagagem, fui à procura de alguém que me levaria para Holambra. Não foi difícil identificar Henk Klein Gunnewiek entre as pessoas que estavam aguardando. Eu o reconheci da sua publicação mimeografada intitulada “Memórias de um emigrante”. Henk guiou-me através de São Paulo e Campinas até o meu destino final: Holambra. Embora o centro desta vila de emigrantes ainda não tivesse sido enfeitado com vários elementos do estilo holandês, o vilarejo respirava claramente um ambiente holandês. Durante o ano em que vivi entre os emigrantes holandeses – ou melhor, imigrantes – acabei perguntando-me várias vezes se um novo futuro no Brasil seria algo interessante para mim. A resposta foi não; eu não me via como um imigrante e, portanto, preferi construir o meu futuro na Holanda. Apesar de viver um ano no meio de emigrantes, acabei sendo apenas um transeunte. (meer…)

De Tsjechische “Lawrence of Arabia”

Alois Musil (1868-1944)

Wie aan arabisten denkt uit het begin van de Twintigste Eeuw krijgt op de eerste plaats de Britse archeoloog, militair en diplomaat Thomas Edward Lawrence in het vizier, die zijn wereldwijde bekendheid vooral te danken heeft aan de epische film “Lawrence of Arabia” uit 1964. Terwijl Lawrence tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol speelde bij het aanwakkeren van het Arabische verzet tegen het Ottomaanse Rijk was de Tsjechische arabist Alois Musil in opdracht van keizer Franz Joseph van Oostenrijk-Hongarije juist bezig dit te voorkomen. Voor Musil  vormde deze diplomatieke missie de laatste van zijn vele reizen door het Arabische schiereiland die leidde tot een enorme hoeveelheid publicaties, waarmee hij een grote bijdrage leverde aan de westerse kennis van de islam en de Arabische wereld.

Priester
Alois Musil werd in 1868 geboren in het dorp Rychtářov, ca. 45 kilometer ten noordoosten van Brno. Als oudste zoon uit een boerenfamilie ging hij theologie studeren aan de universiteit van Olomouc en werd in 1891 tot priester gewijd. Hij leerde diverse moderne en oude talen, waaronder ook Hebreeuws en Arabisch en ontsteeg daarmee ruimschoots het niveau van de gemiddelde katholieke theoloog. Na zijn doctoraat in 1895 vervolgde hij zijn studies aan de École Biblique et Archéologique Française te Jerusalem. Gedurende zijn verblijf in en rond deze Bijbelse stad realiseerde hij zich dat zijn studie van de archeologie, geologie en de oorsprong van de monotheïstische godsdiensten niet kon worden volbracht zonder meer kennis te verwerven van de omliggende regio’s en de volkeren die daar leefden. In 1897 vervolgde hij daarom zijn studies aan de Universiteit van St. Joseph in Beiroet. Ondertussen was Musil reeds begonnen met veldstudies in onder meer de Sinaïwoestijn. (meer…)

De Olympische tour van de Batavia

In het kader van de Olympische Spelen die op het moment worden gehouden in Rio de Janeiro is het populair om in te haken op het gemeenschappelijk verleden van Nederland en Brazilië. Zo schreef de maritiem archeoloog Martijn Manders op de site van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een artikel over de scheepvaart tussen beide landen in de jaren 1630 en 1654. Mijn aandacht werd vooral gewekt door het gebruik van een foto van de replica van het VOC-retourschip de Batavia, dat sinds de tewaterlating in 1995 in Lelystad te bewonderen is. Eén ding moge duidelijk zijn. De originele Batavia, die in 1629 te pletter voer op de westkust van Australië, is nooit in Brazilië geweest, evenmin als de Lelystadse replica. Wel heeft deze replica ooit de Olympische Spelen bezocht, namelijk in 2000 in Sydney.

De droom van Willem Vos
Het plan om de onfortuinlijk vergane Batavia na te bouwen is ontsproten aan het brein van de scheepsbouwer Willem Vos. Deze bouwer van houten binnenschepen speelde al geruime tijd met de gedachte om een replica van een VOC-schip te bouwen. Geïnspireerd door de (nog steeds niet) gerealiseerde filmplannen van Paul Verhoeven over de ondergang van de Batavia besloot Vos te kiezen voor de herbouw van dit schip. Vos klopte bij verschillende gemeenten aan met het verzoek om het plan te omarmen. Uiteindelijk bood Lelystad hem gastvrijheid om zijn plan te realiseren, alhoewel de gemeente geen geld had om het plan ook financieel te ondersteunen. Daarop ging Vos met zijn getrouwen aan de slag en kocht hij in Denemarken enkele boomstammen die hij gebruikte voor de bouw van de kiel van het VOC-retourschip.

Op 4 oktober 1985 werd officieel met de bouw van de Batavia begonnen. Om zijn plannen te realiseren werd de bouw van het schip een scholingsproject waar werkloze jongeren bruikbare ervaring op konden doen voor de arbeidsmarkt. Na een bezoek van prins Claus in 1986 kwamen ook sponsoren over de brug, waaronder Nedlloyd, dat acht miljoen gulden beschikbaar stelde. Door het toestromen van de financiële middelen en de groeiende bezoekersaantallen die ook geld binnenbrachten, slaagde Vos er met zijn team in de Batavia binnen tien jaar te voltooien. Op 7 april 1995 werd de Batavia door koningin Beatrix gedoopt, waarna het schip de trotse trekpleister werd van Sail Amsterdam.

Batavia001
De Batavia aan de kade in Sydney

Naar Sydney
Toen de voltooiing van het schip in zicht kwam werden er op de werf nieuwe plannen gemaakt. Op instigatie van de Lelystadse burgemeester Hans Gruyters besloot het bestuur van de Bataviawerf onder leiding van oud-minister Tjerk Westerterp na de Batavia te beginnen aan een nog groter project: de herbouw van De Zeven Provinciën van Michiel de Ruyter. Ook vatte het bestuur het plan op om de Batavia in 2000 naar Sydney te laten reizen, ter gelegenheid van de Olympische Spelen. De Australisch-Nederlandse Kamer van Koophandel was bereid de reis per dok naar Australië te financieren. In september 1999 begon de Batavia aan zijn Australische reis.

In Lelystad bleef de werf achter met een lege plek aan de kade. Het gevolg was dat de bezoekersaantallen dramatisch terugliepen. Tegelijkertijd wilde het ook niet meer vlotten met de bouw van De Zeven Provinciën. De gemotiveerde jongeren die tien jaar daarvoor met veel enthousiasme aan de Batavia hadden gewerkt, hadden plaatsgemaakt voor onbemiddelbare en ongemotiveerde werklozen. Een aantal leermeesters stapte op. ‘Wij zijn scheepsbouwers, geen sociaal werkers,’ merkten ze op. Ook de subsidies en de sponsorgelden waarop de werf jarenlang een beroep had kunnen doen, droogden op. Alleen dankzij een subsidie van de gemeente Lelystad en de provincie Flevoland werd de werf in leven gehouden. De bouw van de Zeven Provinciën werd stilgelegd en Willem Vos trok zich terug als bouwmeester van de Bataviawerf.

Ondertussen wilde het ook  niet vlotten met de terugkeer van de Batavia. Nadat het schip had gefungeerd als boegbeeld tijdens de Olympische Spelen en had bewezen daadwerkelijk zeewaardig te zijn wilde het niet vlotten met de terugkeer naar Nederland. De Australisch-Nederlandse Kamer van Kamer van Koophandel kon of wilde de kosten hiervoor niet op zich nemen. Omdat het schip een centrale rol speelde in de ontwikkeling van het Lelystadse kustgebied – in 2001 werd begonnen met de bouw van het koopjesdorp Bataviastad – zag het Lelystadse gemeentebestuur zich voor geen andere keus gesteld dan om samen met de provincie Flevoland de kosten voor de terugreis te financieren. ‘We waren bang dat we de Batavia nooit meer terug zouden zien,’ aldus de verantwoordelijke wethouder. In juni 2001 keerde het schip, dat bijna twee jaar eerder onder grote belangstelling was vertrokken naar Australië, met stille trom terug aan de kade van Lelystad.

Nieuwe tegenslagen
Na 2001 verplaatste de publieke belangstelling rond de Lelystadse kust zich naar het nieuwe koopjesdorp Bataviastad. Op de werf werd voortgewerkt aan De Zeven Provinciën, maar met de bouw wilde het niet vlotten. Op 13 oktober 2008 brak er brand uit op de werf, waarbij enkele gebouwen, waaronder de zeilmakerij, verloren gingen. De Batavia en het in aanbouw zijnde schip De Zeven Provinciën bleven gespaard. Wel gingen de zeilen van de Batavia verloren. Door gebrek aan financiën werd in 2014 besloten de bouw van het nieuwe schip definitief te staken en zich te concentreren op het conserveren van de Batavia.

Onder meer door de financiële problemen die begonnen met de reis van de Batavia naar Sydney is het de Bataviawerf niet gelukt om De Zeven Provinciën af te bouwen. Hierdoor is het niet gelukt om een replica van het vlaggenschip van Michiel de Ruyter in 2012 tijdens de Olympische Spelen in Londen de Thames op te laten varen. Toen twee jaar later de bioscoopfilm Michiel de Ruyter werd opgenomen moesten de filmmakers daarom noodgedwongen gebruik maken van de Batavia.

Bronnen:

Joris van Casteren, Bootje bouwen. De ondergang van de Batavia, in: De Groene Amsterdammer, 16 februari 2002.
www.bataviawerf.nl
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bataviawerf

Van Zuiderzee tot Flevoland (slot): Eibert den Herder

De Don Quichot van de Zuiderzeewerken

Ook na de totstandkoming van de Zuiderzeewet in 1918 stonden er weinig echte tegenstanders van de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee op. De invloedrijkste tegenstanders kwamen ook nu uit de financiële wereld, waaronder Anton van Gijn, die als minister van Financiën in 1916 het wetsontwerp van Lely mede had ondertekend. De natuurlijke tegenstanders, de Zuiderzeevissers, waren vooral geïnteresseerd in het in de wacht slepen van een ruime schadeloosstelling. Pas met het optreden van de Eibert den Herder lieten de vissers hun afwachtende houding varen en ondernamen zij een vergeefse poging om het naderende onheil te keren.

Haven van Harderwijk in 1925
Haven van Harderwijk in 1925

IJveren voor schadevergoeding
In 1919 werd het Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat reeds in 1902 had gerapporteerd over de gewenste hoogte van de schadeloosstelling, opnieuw tot leven gewekt. Tijdens een druk bezochte vergadering in Hotel Spaander in Volendam wees voorzitter Berend Demmer de aanwezigen erop dat nu in het landsbelang was besloten de Zuiderzee af te sluiten, de vissers zich er maar beter bij konden neerleggen. Het Comité besloot opnieuw onderzoek te doen naar de schade die de drooglegging zou toebrengen aan het visserijbedrijf rond de Zuiderzee. Ook nu werd de waarde van de bedrijfstak (visserij én nevenbedrijven) geschat op bijna 10 miljoen gulden. De door de regering in het vooruitzicht gestelde bedrag van 6 miljoen gulden was ontoereikend. Het Comité verwachtte dat er uiteindelijk een ruimere schadevergoeding zou komen.

Door het lange wachten op de indiening van de Zuiderzeesteunwet bij de Tweede Kamer groeide de onrust in de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Er bestond vooral onzekerheid over de toekomst. Het vooruitzicht dat de vissers niet meer in staat zouden zijn hun schulden af te betalen, maakte leveranciers van schepen, netten en zeilen huiverig om nieuwe kredieten te verstrekken. Ook het gerucht dat de Zuiderzeesteunwet maar een karige schadeloosstelling in het vooruitzicht stelde, maakte onrust nog groter. Tijdens een vergadering van het Centraal Comité op 29 december 1923 gaven vissers te kennen dat zij niet zonder protest zouden toelaten dat zij en hun gezinnen de dupe zouden worden van een werk, waarom zij allerminst hadden gevraagd. Toen het wetsvoorstel in januari 1925 bij de Tweede Kamer werd ingediend, leidde dit direct tot protesten. Het belangrijkste grief van de vissers was dat de regering geen enkele schadeloosstelling voor de waardevermindering van schepen en netten in het vooruitzicht stelde, terwijl dit voor veel vissers het enige bezit was dat ze hadden. Zowel de vissersorganisaties als verschillende gemeenten rond de Zuiderzee maakten hun ongenoegen kenbaar bij de Tweede Kamer. De Kamerbehandeling liep voor de vissers uit op een teleurstelling. De wet werd met een ruime meerderheid aangenomen. De Zuiderzeesteunwet maakte een einde aan de onverschilligheid van de vissers ten opzichte van de Zuiderzeewerken. Na 1925 vertaalde de onvrede zich in toenemende mate in verzet. Eén van de woordvoerders van dit verzet werd de Harderwijker Eibert den Herder.

Een ramp voor Nederland

Eibert den Herder
Eibert den Herder

Eibert den Herder was in 1876 in Harderwijk geboren als zoon van een “negotieschipper”. Na tot zijn dertigste met zijn vader op de Zuiderzee te hebben gevaren, ging hij in 1906 aan wal. Samen met zijn broer Beert zette hij een vishandel, een garnalenpellerij en een vismeelfabriek op. Omdat zij zich door de naderende afsluiting van de Zuiderzee in hun bestaan bedreigd voelden, begonnen de gebroeders Den Herder in 1921 een kalkzandsteenfabriek. De nieuwe fabriek werd geen succes. De vismeelfabriek, die wel goed draaide, was vanwege de naderende afsluiting van de Zuiderzee op termijn ten dode opgeschreven. In Harderwijk speelde Eibert  een grote rol in het openbare leven. Als oprichter en bestuurslid van de visserijvereniging “Onze Toekomst” had hij grote invloed op de ontwikkeling van de visserij. Hij had zich ingezet voor de vestiging van een visafslag, die in 1913 van start ging. Ook had hij zich jarenlang ingezet voor de realisering van een vaargeul naar de haven van Harderwijk, een geul die uiteindelijk in 1925 werd gerealiseerd. Behalve voor de ontwikkeling van de visserij heeft Den Herder zich jarenlang sterk gemaakt voor de bevordering van het toerisme. De afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee stond in zijn ogen haaks op de door hem gewenste ontwikkeling van Harderwijk.

In zijn strijd tegen de Zuiderzeewerken publiceerde Den Herder brochures, schreef hij brieven aan ministers, Kamerleden en vooraanstaande personen, stuurde hij ingezonden brieven naar de pers en hield hij voordrachten. In zijn eerste brochure De drooglegging der Zuiderzee, een ramp voor Nederland uit 1925 wilde Den Herder aantonen welke economische waarde de visserij vertegenwoordigde in verhouding tot de opbrengst van de landbouwgronden in de toekomstige IJsselmeerpolders. Daarbij roerde hij enkele technische en economische bezwaren aan. Hij betwijfelde of de Afsluitdijk sterk en hoog genoeg kon worden gemaakt, zodat zij in staat zou zijn om de zwaarste stormvloeden te weerstaan. Dat de ingenieurs geen absoluut vertrouwen stelden in de Afsluitdijk, werd volgens Den Herder duidelijk uit de mededeling van de minister van Waterstaat dat de meerdijken zouden worden verhoogd tot +2,50 m NAP. Volgens Den Herder zouden de dijken ook dan niet in staat zijn om stormvloeden te weerstaan: ‘Ingeval de afsluitdijk doorbreekt, worden alle polders in één zee herschapen. Geen huis, dat boven die watermassa uitsteekt. Geen levende ziel komt uit die polders. In niet één polder in ons heele land is het wonen zoo gevaarlijk.’

Domme golvenEibert den Herder plaatste ook kanttekeningen bij de rentabiliteit van het Zuiderzeeproject. Hij rekende voor dat een hectare Zuiderzeegrond drieduizend gulden zou gaan kosten. Welke boer zou zo’n bedrag willen betalen, als hij voor hetzelfde geld gelijkwaardige grond in veiliger streken kon krijgen? Zijn bezwaren kwamen aan de orde tijdens een voordracht die hij verzorgde op 6 augustus 1925 in Harderwijk. Hij slaagde er niet in om het publiek op zijn hand te krijgen. Volgens één van de aanwezigen zou Harderwijk zich belachelijk maken als het met Den Herder zou meegaan. Ondanks deze kritiek ging hij onverdroten voort met het waarschuwen van politici voor het naderende onheil. In zijn brochure Domme golven, ingenieurskunst en keileem uit 1929 zette hij zijn bezwaren tegen de Zuiderzeewerken nog eens uiteen. Hij betoogde dat het tijdens de storm van november 1928 maar weinig had gescheeld of er was van de in aanleg zijnde werken geen spaan heel gebleven. Ook deze brochure trok weinig aandacht.

Zuiderzeefilm
Meer aandacht kreeg Eibert den Herder een jaar later toen hij een actie begon tegen de Zuiderzeefilm van de folklorist Dirk-Jan van der Ven. In deze film uit 1929 legde Van der Ven de met de ondergang bedreigde volkscultuur in de Zuiderzeevissersplaatsen vast. Door zijn folkloristische invalshoek, waarbij hij vooral aandacht had voor traditionele werkmethoden, haalde Van der Ven zich de woede van de vissers op de hals. Zij waren vooral kwaad omdat ze in de film werden afgeschilderd als armoedzaaiers.

Dirk-Jan van der Ven
Dirk-Jan van der Ven

Eibert den Herder kwam direct in het verweer tegen deze – in zijn ogen misleidende – voorstelling van de Zuiderzeevisserij. Tijdens een druk bezochte vergadering op 22 januari 1930 in Harderwijk ontvouwde hij het plan om door het maken van een nieuwe film het Nederlandse volk wel een juiste kijk te geven op de Zuiderzeevisserij en de aanverwante bedrijfstakken. Het doel was om aan te tonen welk een belangrijk bedrijf er verloren zou gaan. Den Herder slaagde er in korte tijd in om voldoende geld bijeen te zamelen voor zijn filmplannen.

De film ging op 24 juni 1930 in Harderwijk in première. Visser Willem Foppen verklaarde vooraf dat de film was bedoeld als een poging om de Zuiderzee voor de visserij te behouden. Het werd de vissers steeds duidelijker dat zij door de drooglegging gedupeerd werden. De film moest duidelijk maken dat er een belangrijke bron van volksvoedsel dreigde verloren te gaan. Volgens Foppen was het “een bovenmenschelijk wonder” dat, nu men met de drooglegging was begonnen, de zee zo rijk was aan vis. In het licht van deze rijkdom waren de vissers vastbesloten om bij de regering aan te dringen op het stopzetten van de drooglegging. Het was nog niet te laat.

“Onwaarheden en fantastische voorstellingen”
De film leverde Den Herder veel goodwill op. In toenemende mate werden zijn brochures met instemming in de pers besproken. Door deze aandacht konden de voorstanders van de Zuiderzeewerken hem niet langer negeren. De eerste die reageerde was de propagandist van de Zuiderzeewerken Anton Beekman. In Het Vaderland van 29 maart 1930 schreef hij: ‘Hoe kan men iemand gaan weerleggen, die het a. b. c. niet kent van de zaak, waarover hij durft meespreken? Waarlijk, onze ingenieurs hebben wel wat anders te doen dan tegen zulk geschrijf op te komen. En ook ik durf mijn tijd beter te kunnen gebruiken.’ Het Vaderland nam met dit neerbuigende commentaar geen genoegen. Volgens de krant was het de “leek” Den Herder die ‘toch maar van den aanvang af den vinger heeft gelegd’ op onvoorziene omstandigheden. Daartoe aangespoord ging Beekman in Het Vaderland van 16 april 1930 dieper op de zaak in. Hij bleef echter bij zijn stelling dat Eibert den Herder niets anders deed dan het volk op te zetten ‘tegen het groote en grootsche werk met onwaarheden en fantastische voorstellingen.’

Ook de Zuiderzeevereeniging zag zich genoodzaakt om in het verweer te komen. De vereniging deed daarvoor een beroep op de secretaris van de Zuiderzeeraad, Kornelis Jansma en de ingenieur van de Zuiderzeewerken Jo Thijsse. In hun Weerlegging van bezwaren van den heer E. den Herder, industrieel te Harderwijk uit 1930 kwamen beiden tot de slotsom dat de beweringen van Den Herder ‘de toets van rustige en ernstige kritiek’ niet konden weerstaan.

De Afsluitdijk open houden
Ondanks deze kritiek ging Den Herder onverdroten verder met het bekritiseren van de Zuiderzeewerken. In De steenen spreken wees hij op enkele oude gedenkstenen in de stadsmuur van Harderwijk, om zijn theorieën over de stormvloeden te onderbouwen. Eind 1930 publiceerde hij in enkele kranten een artikel waarin hij het instorten van een dijk op Texel tijdens de storm van 23 november 1930 toeschreef aan de bouw van de Afsluitdijk. Hij zag hierin de bevestiging van zijn vrees dat door de bouw van de Afsluitdijk het water enorm zou opstropen. Na voltooiing van de dijk zou dit alleen maar erger worden, zo voorspelde hij.

Brak WaterDoor zijn actie voor een nieuwe Zuiderzeefilm slaagde Den Herder erin om medestanders om zich heen te verzamelen. Het Plaatselijk Comité tot Behoud van de Zuiderzee, dat hij in 1930 in het leven had geroepen om de film te realiseren werd een Landelijk Comité, waarin hij samenwerkte met de journalist Fred Thomas en de aannemer Salomon ten Bokkel Huinink. Tijdens een druk bezochte eerste bijeenkomst van het Comité op 5 februari 1931 in Amsterdam verklaarde voorzitter F.W. Drijver jr. dat het doel was te voorkomen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten. Deze bijeenkomst was de eerste in een reeks van druk bezochte vergaderingen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Steevast werden deze avonden afgesloten met het sturen van een telegram naar de minister van Waterstaat met daarin het verzoek de Afsluitdijk niet te voltooien of het instellen van een onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee. De avonden werden afgesloten met de vertoning van de Zuiderzeefilm van Eibert den Herder.

Naarmate de voltooiing van de Afsluitdijk naderde werd het echter steeds moeilijker om de vissers de mobiliseren. Bovendien slaagde het Landelijk Comité er slechts in beperkte mate in weerklank te vinden bij Haagse politici. De sluiting van de Afsluitdijk op 28 mei 1932 markeerde ook het einde van de acties voor het behoud van de Zuiderzee. De meeste tegenstanders hielden het voor gezien. Alleen Eibert den Herder weigerde te capituleren. Kort voor de afsluiting van het laatste sluitgat gaf hij de vissers het advies om hun netten niet te laten verrotten: ‘Wie weet, hoe spoedig ge ze weer noodig zult hebben.’ Overtuigd als hij was dat de Afsluitdijk bij de eerste de beste storm zou bezwijken, bleef hij zich verzetten tegen de Zuiderzeewerken. In 1933 deed hij met de Zuiderzeepartij mee met de Tweede Kamerverkiezingen. De partij behaalde slechts 338 stemmen in de twee kieskringen waarin een kieslijst was ingediend. In Harderwijk hadden zijn “partijgenoten” verzuimd op tijd de kandidatenlijst in te leveren. Tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Harderwijk verklaarde Den Herder dat de oprichting van de partij een wanhoopsdaad was. De ARP en de CHU, partijen waarvoor hij jarenlang in de Harderwijkse gemeenteraad had gezeten, hadden zich in zijn ogen niets aangetrokken van de Zuiderzee ellende.

Achterhoedegevecht

De schilder Eibert den Herder
De schilder Eibert den Herder

Ook na dit verkiezingsdebacle bleef Eibert den Herder doorgaan met zijn strijd tegen de uitvoering van de Zuiderzeewerken. Hij publiceerde nog enkele brochures waarin hij waarschuwde voor de gevaren, die Nederland zouden bedreigen als de droogleggingsplannen zouden worden doorgezet. Alleen door het afsluiten van alle zeegaten door hoge duinen zou het land gevrijwaard blijven van een nationale ramp, zo schreef hij in 1941 in zijn achtste brochure De Zuiderzee. Toen in 1950 de directeur van Zuiderzeewerken Marten Klasema naar Harderwijk kwam om het verzet tegen de aanleg van Oostelijk Flevoland de wind uit de zeilen te nemen, nam Eibert den Herder ongevraagd het woord om zijn afschuw tegen de inpolderingsplannen uit te spreken. Kort daarna publiceerde hij zijn laatste brochure Waar gaat gij heen? Het nawoord van dit geschrift laat zich lezen als de profetie van een man die op jet punt stond de strijd op te geven. Als in een visioen zag hij de Afsluitdijk bezwijken en de zee weer bezit nemen van het land, en daarbij aan toevoegend: ‘En als de bladen dan met vette letters melden dat zoveel duizend mensen verdronken zijn, zal een enkele zich misschien herinneren de man uit Harderwijk, die dat alles heeft voorzien en er dertig jaar lang voor gewaarschuwd heeft.’ Kort na het verschijnen van de brochure, op 3 september 1950 overleed Eibert den Herder.

De betekenis van Eibert den Herder
Eibert den Herder heeft meer gedaan dan een verbeten strijd te voeren tegen de Zuiderzeewerken. Hij nam talloze initiatieven om Harderwijk toeristisch op de kaart te zetten. Zo begon hij in 1925 met de Holland-Veluwelijn, een bootverbinding met Amsterdam en wist hij te bereiken dat er een vaargeul kwam door de voor Harderwijk gelegen zandbank Het Harde. Ook heeft hij zich (vergeefs) ingezet om het Zuiderzeemuseum naar Harderwijk te halen en maakte hij in 1944 een reeks schilderijen van vissersboten. Zijn inspanningen om het toerisme in zijn stad te bevorderen werd na de oorlog overgenomen door zijn zoons Frits en Coen. De verzameling zeezoogdieren van zoon Frits werd de basis van het Dolfinarium, dat in 1965 zijn deuren opende. In 2005 werd voor het stadhuis van Harderwijk een monument onthuld ter ere van deze markante stadgenoot.