Home » Articles posted by mari smits (Page 2)

Author Archives: mari smits

Categorieën

Archief

Recente reacties

Van Zuiderzee tot Flevoland (3): het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging

Op 4 januari 1886 werd in Amsterdam de Zuiderzeevereeniging opgericht met als doel de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee te onderzoeken. Om de scepsis rond het vraagstuk weg te nemen was de nieuwe vereniging er alles aan gelegen om zo snel mogelijk te beginnen met het technisch onderzoek. Op voorstel van voorzitter Age Buma werd Jacob van der Toorn, een vooraanstaand waterstaatsingenieur die te boek stond als kenner van de grote rivieren, aangezocht om de leiding van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging op zich te nemen. Van der Toorn’s financiële eisen – een jaarsalaris van 7000 gulden – vormden geen bezwaar. Op voorspraak van Van der Toorn werd Cornelis Lely aangesteld als diens assistent. Op 1 november 1886 ging het onderzoek officieel van start.

Jacob van der Toorn
Jacob van der Toorn

Pogingen van de Zuiderzeevereeniging om het onderzoek, waarvoor Van der Toorn in totaal ruim 100.000 gulden nodig achtte, gefinancierd te krijgen, verliepen moeizaam. Op een waarborgfonds van 30.000 gulden werd slechts voor 13.850 gulden ingetekend. Subsidieverzoeken bij gemeenten en provincies leverden onvoldoende op. Slechts dankzij een geldlening van 30.000 gulden, voorschotten uit een tweede waarborgfonds en de lagere kosten kon het onderzoek van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging in 1891 worden voltooid. Een van de financiële meevallers was het vroegtijdig vertrek van Van der Toorn per 1 november 1887. Lely nam daarop de leiding van het technisch onderzoek op zich.

Het plan-Lely
Van der Toorn en Lely gingen er aanvankelijk van uit dat een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzeekust beschermd diende te worden tegen overstromingen en dat zoveel mogelijk vruchtbare gronden binnen de afsluiting dienden te vallen. In hun eerste nota van februari 1887 namen zij het plan-Van Diggelen als uitgangspunt. Net als Benjamin van Diggelen zagen zij op voorhand af van de afdamming van het Marsdiep tussen Den Helder en Texel en de Vliestroom tussen Vlieland en Terschelling. Het afdammen van deze diepe zeegaten was volgens beiden vrijwel onmogelijk. Wilde men desondanks vasthouden aan een ontwerp van een zo groot mogelijke omvang, dan diende er een dijk te worden aangelegd van Noord-Holland via Wieringen naar Terschelling en via Ameland, Schiermonnikoog en Rottum naar de Groningse kust. Achter Texel en Vlieland was een kleine inpoldering mogelijk. Van der Toorn en Lely stelden bovendien voor om een afsluitdijk aan te leggen tussen Wieringen en de Friese kust. Hierdoor zou het mogelijk zijn om de inpolderingen ten zuiden van die dijk onafhankelijk van de landaanwinning op de Wadden uit te voeren. De IJssel zou uitwateren op een groot binnenmeer. Via sluizen in de afsluitdijk kon overtollig water worden afgevoerd. Op basis van bodemonderzoek kwam Lely uiteindelijk tot de slotsom dat de Wadden voor het grootste deel uit zand bestond. In zijn zesde nota uit februari 1891 hield hij nog de mogelijkheid open dat de vruchtbare delen, gelegen langs de Friese kust en in de Lauwerszee, konden worden ingedijkt. Later in dat jaar wees hij ook deze optie van de hand.

De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden
De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden

Uitgangspunt van het definitieve plan-Lely was dat binnen de afsluitdijk tussen Noord-Holland, Wieringen en Friesland zo min mogelijk zand zou worden ingepolderd. Welke treurige resultaten de indijking van een zandpolder opleverde, kon men volgens Lely aanschouwen in de in 1875 drooggelegde polder Het Noorden op Texel. Na vijftien jaar waren de meeste woningen nog onbewoond en een groot gedeelte van het land ongebruikt. ‘Naar mijne meening kan er dan ook geen sprake zijn van indijking van die gedeelten der Zuiderzee, die alleen uit zand bestaan.’ De contouren van het plan-Lely kwamen voor het eerst voor in de derde nota uit 1888. Op basis van reeds door voorgangers gedane grondboringen in het zuidelijk deel van de Zuiderzee en in het Wieringermeer, alsmede op basis van de resultaten van een in 1887 ondernomen verkenningstocht ten noordoosten van Urk, stelde hij voor achtereenvolgens droog te leggen: 1. het zuidoostelijk deel (nu Oostelijk en Zuidelijk Flevoland), 2. het zuidwestelijk deel (de niet gealiseerde Markerwaard), 3. het Wieringermeer, en 4. de hoek tussen Lemmer, Urk en de Overijsselse kust (nu de Noordoostpolder). Tezamen zouden deze droogmakerijen maximaal 240.000 hectares land opleveren.

Het plan-Lely
Het plan-Lely

In zijn laatste nota, die in maart 1892 in druk verscheen, presenteerde Lely drie mogelijkheden voor de afsluiting en droogmaking: twee zonder een afsluitdijk tussen Wieringen en Friesland en één met. De eerste oplossing zonder afsluitdijk combineerde oudere ontwerpen, te weten het plan-Leemans uit 1877 en het ontwerp-Wieringermeer met een eigen plan voor een noordoostelijke polder. De droogmakerijen zouden worden omringd door zware zeedijken. Deze oplossing had als voordeel dat ineens een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzee kon worden drooggelegd. Het grote nadeel was echter dat de aanleg vele jaren zou duren, wat de scheepvaart langdurig zou belemmeren. Bovendien had de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen (KNAW) reeds in 1877 gerapporteerd dat een onvoltooide polder het gevaar van een malaria-epidemie met zich meebracht. Dit gevaar kon worden verkleind door de aanleg van kleinere polders die sneller in cultuur konden worden gebracht. De tweede oplossing behelsde de aanleg van vier polders zonder afsluitdijk. Het eigenlijke plan-Lely, de derde oplossing, had ten opzichte de eerste schets uit 1888 een kleine wijziging ondergaan. De twee zuidelijke polders werden nu ten behoeve van de landsverdediging gescheiden door een breed kanaal.

Met de publicatie van de acht technische nota’s was het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging naar de uitvoerbaarheid van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee voltooid. Waar het nu op aankwam was om aan te tonen dat de uitvoering van het plan-Lely ook wenselijk en haalbaar was. Reeds in 1890 onderkende het bestuur van de vereniging dat voor het dichterbij brengen van de uitvoering het nodig was om zich ook uit te spreken over de financiële haalbaarheid en de economische gevolgen. Op 17 oktober van dat jaar riep het bestuur daartoe een economische commissie in het leven. Deze commissie, waarvan de secretaris Hendrik Christiaan van der Houven van Oordt de drijvende kracht was, publiceerde in 1892 haar rapport.

Lely wordt minister

Cornelis Lely
Cornelis Lely

Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging was zeer verrast toen zij op 19 augustus 1891 een ontslagbrief van Lely ontving vanwege zijn benoeming tot minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Gezien de samenstelling van het nieuwe kabinet-Van Tienhoven, waarvan vijf van de acht leden lid waren van de vereniging, had het bestuur dan ook goede hoop dat dit kabinet de realisering van de Zuiderzeeplannen dichterbij zou brengen. Die verwachting werd inderdaad ingelost. Op 8 september 1892 riep Lely een staatscommissie in het leven met als opdracht te onderzoeken of een afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals door de Zuiderzeevereeniging was voorgesteld, in ’s lands belang diende te worden ondernomen en zo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moest worden gebracht. Met dit besluit werd de fase van plannenmakerij definitief afgesloten. Nu werd één plan, namelijk dat van Lely, onderwerp van een politiek debat.

De staatscommissie vertegenwoordigde de uiteenlopende belangen die bij een eventuele uitvoering van het plan-Lely in het geding waren. Naast deskundigen uit agrarische en militaire kringen, maakten experts op het gebied van handel, zeevisserij en scheepvaart deel uit van de commissie. Ook ingenieurs van Rijkswaterstaat, statenleden uit verschillende provincies en leden van de Eerste en Tweede Kamer hadden hierin zitting. Lely kreeg in de Tweede Kamer voor de voeten geworpen dat de meeste leden zich reeds vooraf gunstig hadden uitgelaten over het plan van de Zuiderzeevereeniging. Hij ontkende dit door erop te wijzen dat dit slechts voor enkele leden het geval was, terwijl anderen zich eerder in tegengestelde zin hadden uitgelaten. Toch zat er in de kritiek een kern van waarheid. Zes van de 28 commissieleden waren lid van de Zuiderzeevereeniging, terwijl enkele anderen zich anderszins voor de vereniging verdienstelijk hadden gemaakt. Na het verschijnen van het rapport in 1894 werden nog eens acht leden van de staatscommissie lid van de Zuiderzeevereeniging.

De commissie deed aanbevelingen ten aanzien van de locatie van de afsluitdijk, de uitwateringssluizen en de situering van de aan te leggen polders, de gevolgen voor Zuiderzeevisserij en de vraag of de uitvoering moest worden opgedragen aan een particuliere onderneming of dat de Staat de uitvoering zelf ter hand moest nemen. Geconcludeerd werd dat de aanleg van een afsluitdijk een dermate grote verantwoordelijkheid met zich meebracht, dat deze niet door een particuliere onderneming kon worden gedragen. Ook bij de droogmaking en exploitatie van de Zuiderzeegronden was te zeer een staatsbelang in het geding om het aan een concessionaris over te kunnen laten. De Staat moest niet opdraaien voor de verliezen, terwijl een particulier de winsten opstreek. Aan het einde van haar rapport benadrukte de staatscommissie dat bij de beantwoording van de vraag of men een groot werk wilde ondernemen tot nog toe alleen het algemeen belang en nooit het commercieel voordeel de doorslag had gegeven. ‘Steeds zijn het de indirecte voordeelen geweest, die de Staat bij de onderneming van het werk op den voorgrond heeft gesteld.’

Kaart Staatscommissie
De aangepaste versie van het plan-Lely, zoals gepubliceerd in het rapport van de Staatscommissie

De totale afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee zou volgens de Staatscommissie in totaal 315 miljoen gulden gaan kosten. Per hectare gewonnen grond zou dit neerkomen op 1620 gulden. De commissie, die op 14 april 1894 verslag uitbracht, was verdeeld over de financiële aspecten. Zes leden beantwoordden de vraag of de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee volgens het ontwerp van de Zuiderzeevereeniging in ’s lands belang behoorde te worden ondernomen in ontkennende zin. Zij wezen op de grote financiële verplichtingen die uitvoering van de hele onderneming met zich mee zou brengen en op de onzekerheid ten aanzien van de economische uitkomsten.

Het oordeel der natie
Hoewel alle leden van de staatscommissie overtuigd waren van de technische uitvoerbaarheid van de Zuiderzeeplannen, was het allerminst zeker of daadwerkelijk tot uitvoering zou worden overgegaan. Daarvoor was een regering nodig die de aanbevelingen van de commissie vertaalde in een wetsvoorstel en dit voorstel met succes zou verdedigen in de Tweede Kamer. Aan deze voorwaarde werd in 1894 niet voldaan. Kort na de publicatie van het rapport viel het liberale kabinet-Van Tienhoven over de uitbreiding van het kiesrecht. Voor Lely’s opvolger als minister van Waterstaat, Philip van der Sleyden, hadden de Zuiderzeeplannen geen prioriteit. Tegenover het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging stelde Van der Sleyden dat voordat met de uitvoering kon worden begonnen de vraag moest worden beantwoord of het landsbelang wel gediend was met het ter beschikking komen van grote hoeveelheden grond en of de schatkist het wel toeliet aan een werk te beginnen, dat tientallen jaren op de Rijksbegroting zou drukken. Voorts was de nieuwe minister er niet van overtuigd dat de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee werkelijk door het Nederlandse volk werd verlangd. De natie diende zich naar zijn mening eerst nog duidelijk hierover uit te spreken.

Voor de Zuiderzeevereeniging was duidelijk dat nu het technische onderzoek voltooid was het er nu om ging de politiek te overtuigen van de noodzaak om de afsluiting en drooglegging ter hand te nemen. Daartoe aangespoord door de nieuwe minister van Waterstaat ging de vereniging op zoek naar het “oordeel der natie”. Met propaganda, lezingen en publicaties over de economische voordelen probeerde de vereniging in de jaren na 1894 dit oordeel in positieve zin te beïnvloeden. In de volgende bijdrage staan we stil bij de propaganda ten faveure van de uitvoerig van het plan-Lely.

Gepubliceerd op 17 december 2015 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (2): “A national cry”

In het eerste deel van deze reeks over de geschiedenis van de Zuiderzeewerken stonden we stil bij plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee die werden gepubliceerd voorafgaand aan de publicatie van het plan-Lely in 1891. In dit tweede deel staan we stil bij de motieven achter deze voorstellen: economisch gewin, veiligheid, maar ook nationalistische motieven.

Na 1886 zou het nog 100 jaar duren voordat Flevoland een provincie werd
Na 1886 zou het nog 100 jaar duren voordat Flevoland een provincie werd

Bij de plannen voor het droogleggen van zoveel mogelijk vruchtbaar land stonden vooral economische motieven voorop. Zo prezen Jakob Kloppenburg en Pieter Faddegon hun ontwerp uit 1848 aan als een middel tot verheffing van handel, scheepvaart en landbouw. De waterstaatkundige Jan Anne Beijerinck wees in zijn ontwerp uit 1866 op de aanleg van vier grote kanalen ter bevordering van de binnenlandse scheepvaart. De Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee, die in 1870 op basis van het ontwerp van Beijerinck bij de Nederlandse regering een concessieaanvraag indiende, wees op de groei van de nationale rijkdom en welvaart als gevolg van de aanwinst van een nieuwe provincie. De scheepvaart zou de beschikking krijgen over een aantal grote kanalen ter vervanging van de bij storm gevaarlijke en in de winter soms weken lang onbruikbare vaart over de Zuiderzee. De uitvoering van de concessie bood bovendien werkverschaffing aan de arbeidende klasse.

Deze plannenmakers brachten ook demografische motieven naar voren. Zo maakten Kloppenburg en Faddegon gewag van een overbevolking, die nu een last, maar na de drooglegging een zegen zou zijn. “Onze kinderen zullen het vaderland niet verlaten, om te vergeten, dat zij Nederlanders waren”. Dit gold ook voor de Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee. Op de vruchtbare gronden, die na de drooglegging beschikbaar zouden komen, konden boerenzoons gezinnen stichten. Daarvoor hoefden ze het land niet meer te verlaten, aldus het Maatschap.

Age Buma
Age Buma

Age Buma uit Hindeloopen, de latere oprichter van de Zuiderzeevereeniging, had meerdere motieven om te pleiten voor afsluiting en drooglegging, maar stelde de veiligheid van de aan de Zuiderzee grenzende provincies voorop. Hij was dan ook een fel tegenstander van de drooglegging van alleen het zuidelijk deel, zoals werd beoogd met het wetsvoorstel uit 1877. Als lid van de Provinciale Staten van Friesland stelde hij al een jaar eerder voor om de regering te vragen een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor een algehele afsluiting van de Zuiderzee en de Wadden, door afdamming van de zeegaten tussen de Waddeneilanden. Dit voorstel werd verworpen. In 1882 ondernam Buma als lid van de Tweede Kamer een nieuwe poging. Hij diende een initiatiefwet in met als doel een onderzoek in te stellen naar de uitvoerbaarheid van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee en Lauwerszee. Vanwege de vernietigende kritiek die hem ten deel viel, zag hij zich gedwongen om zijn voorstel weer in te trekken. Ook Buma had economisch-demografische motieven. Landaanwinning zou een middel om een dam kunnen opwerpen tegen de kapitaal en arbeidskracht dervende, en het land verarmende zucht tot landverhuizing.

Vrijwel alle voorstanders van inpoldering van de Zuiderzee appelleerden aan het nationale zelfbewustzijn. Vooral de gedachte dat de drooglegging niets anders was dan het op vreedzame wijze veroveren van grondgebied was populair. Voor Benjamin van Diggelen, die in 1849 zijn ontwerp publiceerde, ging het om een bevestiging van vaderlandse bodem die ‘geen bloed en tranen kost maar melk en zuivel geeft’. Jan Anne Beijerinck wees erop dat door drooglegging een aanwinst van grond kon worden gerealiseerd zonder dat de naburige staten een bunder hoefden te missen of in hun rechten werden aangetast. Age Buma noemde het vreedzame annexatie. Ook Pieter Faddegon sloot zich hierbij aan. ‘Was er vroeger roem te behalen, op het oorlogsveld of ter zee, de tijd voor roemvollen ondernemingen is er nog, is het geen roemwaardigen daad (…) een geheel Provintie aan Nederland toe te voegen, vrij van schulden,’ schreef hij in 1885 samen met zijn zoon vanuit zijn nieuwe woonplaats Kaapstad in Zuid-Afrika.

Samen met Kloppenburg appelleerde Faddegon in 1848 aan de door de Belgische opstand gekrenkte nationale trots. Door het verlies van grondgebied en inwoners was het Nederlandse volk naar een lagere positie in de rij van volkeren afgezakt. Ook had de afscheiding het land met een hoge schuldenlast opgezadeld. De middelen aan te wijzen om die last te kunnen torsen en te boven te komen, was de volgens beiden de plicht van zowel de regering als haar burgers. ‘Noodzakelijk voor het welzijn van het geheele Natie is dus de aanwinst eener provincie, welke ons door geene politiek kan worden betwist.’

Pieter van Diggelen
Pieter van Diggelen

In 1877 publiceerde Pieter van Diggelen, rechter en gemeenteraadslid te Zwolle en zoon van Benjamin van Diggelen, een brochure met kritiek op het kort daarvoor ingediende wetsontwerp. Hij vroeg zich af of de regering hiermee de droogmaking van de hele Zuiderzee voorgoed had laten varen. Hij beriep zich daarbij op zijn vader, die in 1866 nog had verklaard dat zolang niet onomstotelijk was komen vast te staan dat indijking van de hele Zuiderzee onuitvoerbaar was, er niet aan partiële bedijking moest worden gedacht. Van Diggelen jr. pleitte voor een degelijk onderzoek. ‘Naar onze wijze van zien, moet de onderneming eene zaak des Volks zijn. De droogmaking der Zuiderzee moet a national cry worden.’

De Zuiderzeevereeniging
Met de intrekking van Buma’s initiatiefwet was in april 1884 een tweede poging om de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee op de politieke agenda te krijgen, gestrand. Er was zelfs geen ruimte voor onderzoek. Buma liet zich er niet door uit het veld slaan. Hij zocht nu naar andere middelen om zijn doel te bereiken. Dat het via het uitoefenen van politieke pressie ook mogelijk was om resultaten te boeken had Buma reeds ondervonden als lid van het Comité-Bloem. Dit comité had zich in de jaren 1863-1864 sterk gemaakt voor de aanleg van een spoor- en stoombootverbinding tussen Noord-Holland en Friesland. Ruim twintig jaar later werden deze inspanningen beloond.
In de zomer van 1884 nam Buma het initiatief voor de vorming van een comité dat het onderzoek naar de mogelijkheden van afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee ter hand zou nemen. Daartoe nam hij contact op met Pieter van Diggelen, aan wie hij in een brief uiteenzette dat naar zijn inschatting het verwerpen van zijn wetsvoorstel zou leiden tot een lange periode van stilstand. Was het voorstel daarentegen wèl aangenomen, dan zou het slechts hebben geleid tot een beperkt onderzoek of de terugkeer naar het door hen beiden bestreden wetsontwerp uit 1877. Buma liet de zaak niet los. Hij wilde de zaak op een andere wijze aanpakken en vroeg nu Van Diggelen om medewerking bij de oprichting van een comité dat het technisch en financieel onderzoek zelf ter hand moest nemen. Van Diggelen reageerde enthousiast. Na hun eerste ontmoeting op 25 augustus 1884 in Zwolle gingen beiden op zoek naar geestverwanten voor de vorming van een comité. De leden die toetraden tot dit comité waren allemaal liberale politici en bestuurders.

Plan-Buma
Ook Buma publiceerde een eigen droogmakingsplan

Tot Buma’s medestanders behoorde ook de voormalig minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid Johannes Tak van Poortvliet. In mei 1885 zette deze prominente liberaal in een notitie uiteen waar het comité zich op diende te richten. Volgens Tak had door de intrekking van de eerdere wetsontwerpen het denkbeeld van droogmaking zijn frisheid verloren en viel derhalve niet meer te verwachten dat het publiek er door zou worden getroffen en meegesleept. Een nieuwe poging om de Zuiderzeezaak een vaste plaats op de politieke agenda te geven had alleen kans van slagen wanneer kon worden aangetoond dat welke belangen er mee waren gediend. Volgens Tak had het dan ook geen zin had om de tegenstanders te verslaan met algemene bewoordingen, door bijvoorbeeld te wijzen op de nationale rijkdom die uit het bezit van een nieuwe provincie zou kunnen voortvloeien of op toekomstige opbrengsten voor de schatkist: ‘De geschiedenis leerde eerst, dat deze onzekere en eerst later te behalen winsten de meerderheid der Volksvertegenwoordiging even koud laten als het publiek.’ Bovendien was het tij ongunstig voor landaanwinning. De toevoeging van een grote oppervlakte vruchtbare grond zou volgens Tak ongetwijfeld leiden tot een verdere daling van de koopprijzen en huurwaarden van de landerijen. De geschiedenis van de Zuiderzeezaak had reeds geleerd dat het belang bij afsluiting en drooglegging gelegen was bij de waterschapsbesturen, aan wie de zorg voor het onderhoud van de zeeweringen langs de Zuiderzee was toevertrouwd en bij de provincies die daarop toezicht hielden. Daarom moest vooral steun worden gezocht bij de waterschappen, de provincies en de gemeenten rond de Zuiderzee. Pas nadat men zich verzekerd had van deze steun kon het comité in de openbaarheid treden.
Buma en Van Diggelen deelden in grote lijnen de zienswijze van Tak van Poortvliet. In hun circulaire van augustus 1885 benadrukten zij dat het zwaartepunt niet zozeer in de droogmaking als wel in de afsluiting gelegen moest zijn. De afsluiting van de gehele Zuiderzee noemden zij nu “een gebiedende noodzakelijkheid”, waarna de drooglegging later geleidelijk aan zou kunnen volgen. Het advies van Tak om eerst een onderzoek te verrichten naar de voor- en nadelen van afsluiting en drooglegging alvorens bij belanghebbenden aan te kloppen om steun, werd door Buma en Van Diggelen niet overgenomen. Hun doel was om zo snel mogelijk medestanders uit waterstaatskringen te werven, om aldus geld bijeen te brengen voor de financiering van het onderzoek. Daartoe was de oprichting van een vereniging noodzakelijk. Tijdens de oprichtingsvergadering op 4 januari 1886 te Amsterdam waren vertegenwoordigers van zes provincies, 53 gemeenten en 44 waterschappen, alsmede enkele particulieren aanwezig. Het doel van de Zuiderzeevereeniging was het instellen van een technisch en financieel onderzoek naar de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van een afsluiting ‘mede ter voorbereiding eener latere geleidelijke drooglegging’ van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerszee. De nieuwe vereniging moest aantonen dat het bij de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee niet ging om een hersenschim, maar om een uitvoerbaar denkbeeld.

Besluit
De ontwerpers van plannen voor afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee voerden uiteenlopende argumenten aan om de wenselijkheid te onderbouwen. Aanvankelijk werd vooral gewezen op de groei van de welvaart en de noodzaak om de landverhuizing terug te dringen. Ook nationalistische motieven werden naar voren gebracht. Later kwam de veiligheid van de omringende provincies naar voren als argument om de Zuiderzee te gaan afsluiten. Dit veiligheidsmotief vormde ook de basis waarop de Zuiderzeevereeniging vanaf 1886 steun wilde verwerven om de afsluiting en drooglegging ook daadwerkelijk te realiseren.

Gepubliceerd op 26 november 2015 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (1): Van hersenschim tot serieus plan

In 2018 is het honderd jaar geleden dat de Zuiderzeewet tot stand kwam. Deze wet schiep het kader voor de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de oude Zuiderzee. Waar ooit in het midden van Nederland zout water vloeide en werd gevist op haring en ansjovis, zijn steden verrezen en groeien gewassen op de beste landbouwgrond van Nederland. De reeks ‘Van Zuiderzee tot Flevoland’ blikt terug op minder bekende episoden uit de geschiedenis van de Zuiderzeewerken en daarmee van de jongste provincie van Nederland. In dit eerste deel staan we stil bij de voorstellen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee die werden gepubliceerd voorafgaand aan het plan-Lely van 1891.

De Zuiderzee van Hermanus Koekkoek
De Zuiderzee van Hermanus Koekkoek

Gehele of gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee

‘Drie-en-veertig jaren, van 1848 tot 1891 zijn noodig geweest om bij het algemeen den indruk te vestigen, dat de aanwinning van de Zuiderzee geen hersenschim is maar ernstig onderzoek verdient.’ Zo betitelde Adrien Huët, lereaar aan de Polytechnische School te Delft, in 1894 de tijd die was verstreken tussen de publicatie van het eerste plan tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee tot het moment dat er een op serieus onderzoek gebaseerd plan (het plan-Lely) op tafel lag. Wat Huët niet wist was dat reeds in 1667 het eerste voorstel tot droogmaking was verschenen. In zijn Wisconstich Filosofisch Bedrijf pleitte Hendric Stevin, zoon van de wiskundige Simon Stevin, voor het afsluiten van de Zuiderzee door het aanleggen van dammen met sluizen tussen de Waddeneilanden en van Ameland naar de Friese kust. Door bij eb de sluizen in de zeegaten open te laten zou geleidelijk aan het zoute zeewater vervangen worden door zoet rivierwater en kwam er goede grond voor inpoldering beschikbaar. De ideeën van Stevin waren een logisch vervolg op de dertig jaar eerder voltooide droogmakerijen in Noord-Holland. Ze waren echter met de toenmalige stand van de techniek niet realiseerbaar. Stevins plan verdween in de vergetelheid om daar pas in 1920, dus na de totstandkoming van de Zuiderzeewet, aan te worden ontrukt.

Faddegon 2
Pieter Faddegon

Het duurde bijna twee eeuwen voordat de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee opnieuw in de belangstelling kwam te staan. Ook nu vormden andere droogmakerijen de inspiratiebron. Terwijl in 1848 en 1849 de werkzaamheden ten behoeve van de drooglegging van de Haarlemmermeer in volle gang waren, verschenen kort na elkaar twee droogmakingsplannen. Het doel van beide plannen was het inpolderen van de Zuiderzee, inclusief het deel dat sinds 1932 wordt aangeduid als de Waddenzee. Het eerste voorstel uit 1848 was geschreven door twee particulieren: de zeepfabrikant Jakob Kloppenburg en de werktuigkundige Pieter Faddegon. Hun plan behelsde het droogleggen van de Zuiderzee ten zuiden van de lijn Enkhuizen-Stavoren en het aanleggen van dijken tussen de Waddeneilanden. De drooglegging van het noordelijk deel van de Zuiderzee zou pas aan de orde komen zodra er voldoende ervaring was opgedaan met de inpoldering van het zuidelijk deel. Kloppenburg en Faddegon wezen vooral op de economische voordelen van droogmaking. Technische en waterstaatkundige aspecten kwamen in hun publicatie nauwelijks aan bod.

BPG van Diggelen 2
Benjamin van Diggelen

De vraag hoe de afsluiting en droogmaking in technische zin moest worden gerealiseerd, werd daarentegen wel uitvoerig behandeld in het in 1849 door Benjamin van Diggelen gepubliceerde werk De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droogmaking. Deze ingenieur van Rijkswaterstaat presenteerde een totaalplan dat voorzag in de aanleg van een afsluitdijk van Den Helder naar Terschelling, de afdamming van het zeegat tussen Terschelling en Ameland en tussen Ameland en de Friese kust. Daarnaast wilde hij ook Texel en Vlieland met elkaar verbinden, zodat ook de achter deze eilanden gelegen Waardgronden konden worden drooggelegd. Van Diggelen gaf er blijk van serieus te hebben nagedacht over de technische uitvoering van zijn plan. Voor verschillende knelpunten, waarvan de afvoer van het water uit de IJssel één van de belangrijkste was, droeg hij concrete oplossingen aan. Door vooral in te gaan op de techniek nam Van Diggelen afstand van tijdgenoten die in de voorgaande jaren de wenselijkheid van drooglegging van de Zuiderzee hadden bepleit, maar zich niet om de uitvoering hadden bekommerd. De regering liet zich door de inspecteurs van Waterstaat Jean Henri Ferrand en Leopold van der Kun nader adviseren over het plan-Van Diggelen, maar gaf er geen vervolg aan.

Het zou weer vijftien jaar duren voordat de afsluiting en droogmaking van de gehele Zuiderzee opnieuw geagendeerd werd. Nu waren het waterschapsbesturen uit Overijssel, Friesland en Noord-Holland die het voortouw namen en bij de regering een verzoek tot drooglegging indienden. Zij wilden daarmee een aanzienlijke besparing van de dijklasten realiseren. Zij vroegen de minister Johan Rudolph Torbecke hoe het gesteld was met het onderzoek naar het plan-Van Diggelen. Deze moest in de Eerste Kamer bekennen dat hij sterk twijfelde aan de uitvoerbaarheid van het plan. Ook deelde hij mee dat het plan weinig bijval had ondervonden binnen Rijkswaterstaat. Wel gaf hij te kennen dat landaanwinning het beste door de overheid kon worden uitgevoerd.

Particuliere initiatieven

Terwijl waterschappen uit de omliggende provincies bij de regering aandrongen op drooglegging van de gehele Zuiderzee, ondernamen particulieren pogingen om concessies voor de inpoldering van delen te verwerven. Nog in 1864 dienden de notarissen Gerrit Schimmel en Christiaan Diemont bij de regering een aanvraag in tot indijking van het Hoornse Hop. Deze aanvraag was gebaseerd op een uit 1846 daterend plan van Cornelis Kater, aannemer en landmeter te Monnickendam. Kater wilde een zeedijk aanleggen van het ten oosten van Hoorn gelegen De Nek naar Edam. Deze drooglegging zou ongeveer 8.500 hectares grond opleveren. Kort na de indiening van de concessie-aanvraag bood ingenieur Hendrik Linse zich aan. Op verzoek van de concessie-aanvragers maakte Linse een ontwerp dat ook de Gouwzee omvatte, waardoor de in te dijken oppervlakte zou uitkomen op 12.500 hectares.

Beijerinck
Jan Anne Beijerinck

Een jaar later nam echter een andere groep particulieren het voortouw voor de drooglegging van een veel groter deel van de Zuiderzee. Deze groep had zich op initiatief van oud-minister van Koloniën Jan Jacob Rochussen verenigd in de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. Deze maatschappij, waarvan zijn zoon Hendrik Rochussen één van de directeuren was, legde aan de waterstaatsingenieurs Jan Anne Beijerinck en Thomas Johannes Stieltjes de vraag voor wat hun oordeel was over de drooglegging van de Zuiderzee. Beiden rapporteerden dat indijking van de gehele Zuiderzee, zoals voorgesteld door Van Diggelen, technisch en financieel onuitvoerbaar zou zijn. Alleen indijking van het zuidelijk deel van de Zuiderzee, zodat de vrije uitloop van de IJssel behouden zou blijven, leverde volgens hen geen onoverkomelijke bezwaren op en zou zelfs financieel gunstig zijn.
Daarop gaf de maatschappij aan Beijerinck opdracht een ontwerp te maken voor de drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee. Het plan-Beijerinck uit 1866 voorzag in de aanleg van een 40 kilometer lange afsluitdijk van Enkhuizen via Urk naar Kampen. Ten zuiden van die dijk zou een droogmakerij van circa 195.000 hectares kunnen worden gerealiseerd. Daarop liet de maatschappij bodemkundig onderzoek verrichten. Vervolgens vroeg ze bij de regering een concessie aan voor uitvoering van het plan. De regering nam de zaak in overweging en legde het plan voor aan de Raad van de Waterstaat. Hoewel deze raad financiële bezwaren opperde, was daarmee het concessieverzoek nog niet van tafel. In 1870 stelde minister van Binnenlandse Zaken Cornelis Fock een staatscommissie in die zich moest buigen over een door Stieltjes aangepaste versie van het plan-Beijerinck. Hoewel een meerderheid van de commissie in 1873 positief oordeelde over het verlenen van een concessie, sloot de liberale minister Johan Herman Geertsema zich aan bij de minderheid, die oordeelde dat mocht de drooglegging noodzakelijk zijn, alleen het Rijk bevoegd was om die uit te voeren.

Het plan-Leemans, de basis voor het wetsvoorstel van 1877
Het plan-Leemans, de basis voor het wetsvoorstel van 1877

Geertsema’s opvolger, de conservatief Jan Heemskerk, wilde daadwerkelijk tot uitvoering van de plannen overgaan. In de troonrede van 21 september 1874 deelde koning Willem III mee, dat het hem persoonlijk zou verheugen ‘indien voor het einde dezer zitting beslissende stappen gedaan zouden zijn tot de aanwinst van grondgebied ten koste van een deel der Zuiderze.’. Alvorens een wetsontwerp in te dienen gaf Heemskerk aan Wilhelmus Leemans, ingenieur van Rijkswaterstaat te Kampen en eerder secretaris van de Staatscommissie van 1870, opdracht een nieuw onderzoek in te stellen. Op grond van zijn bevindingen, waarbij ook de in 1866 en 1875 verrichtte grondboringen werden betrokken, maakte Leemans een nieuw ontwerp. Binnen de afsluitdijk, die een veel zuidelijker tracé volgde, zouden polders worden aangelegd die tezamen 137.000 hectare grond zouden opleveren. Dit plan-Leemans vormde de basis voor het wetsontwerp dat Heemskerk in april 1877 naar de Tweede Kamer stuurde. Dit voorzag in een uitvoering door de Staat en niet in het verlenen van een concessie aan particulieren. De Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee, die in 1870 de concessieaanvraag had overgenomen van de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet, werd hiermee buitenspel gezet. Tot uitvoering kwam het niet. Heemskerks opvolger, de liberaal Johannes Tak van Poortvliet trok direct na zijn aantreden in november 1877 het wetsontwerp in. De drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee was hiermee van de baan.

Los van de concessie-aanvraag voor de drooglegging van het zuidelijk deel, ijverde nog een groep particulieren voor de drooglegging van een deel van de Zuiderzee. In 1869 riepen enkele Noordhollandse waterschappen een commissie in het leven, met de bedoeling een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden tot indijking van het Wieringermeer. De Wieringermeercommissie stelde allereerst een onderzoek in naar de kwaliteit van de droog te leggen gronden. Nadat vaststond dat die kwaliteit uitstekend was, werkte de commissie verder aan een inpolderingsplan. Op basis van dit plan diende de commissie in 1877 bij de regering een concessieaanvraag in. Een nog op te richten maatschappij zou met steun van de provinciale en landelijke overheid de uitvoering van de inpoldering ter hand nemen. Terwijl de provincie Noord-Holland reeds in 1875 een subsidie van  750.000 in het vooruitzicht stelde, bleef de regering in gebreke. In 1885 werd de Wieringermeercommissie ontbonden.

Bouwstenen voor het plan-Lely

Hoewel de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee met het intrekken van het wetsontwerp-Heemskerk van de politieke agenda was afgevoerd, was al het werk dat de plannenmakers tot 1877 hadden verricht niet voor niets geweest. Verschillende onderdelen van hun ontwerpen heeft Cornelis Lely in 1891 verwerkt in zijn plan. Zo heeft het plan-Leemans in zekere zin model gestaan voor de door hem geprojecteerde zuidoostelijke en zuidwestelijke polder. Daarbij baseerde hij zich op het reeds in 1866 en 1875 verrichtte bodemonderzoek. Ook voor de Wieringermeer, waar in 1880 de Leidse chemicus Jacob van Bemmelen nog in opdracht van de Wieringermeercommissie bodemonderzoek had verricht, baseerde Lely zich op een bestaand inpolderingsplan.

Ook de andere onderdelen van het plan-Lely waren niet nieuw. Het denkbeeld om Noord-Holland en Friesland door middel van een afsluitdijk met elkaar te verbinden, ten einde daarmee de zuidelijke Zuiderzeekusten te kunnen beschermen tegen stormvloeden, dateerde van vóór 1849. Volgens Benjamin van Diggelen werd daarbij in de regel gedacht aan een dam tussen Enkhuizen of Medemblik en Stavoren. Zelf vond hij een verbinding tussen Wieringen en Stavoren meer op zijn plaats. Uitgebreid ging hij in op de gevolgen van zo’n dam voor de veiligheid, de afwatering en de scheepvaart. Daarbij waarschuwde hij reeds voor de hogere vloedgolven in het noordelijk deel van de Zuiderzee. Mocht ooit tot de aanleg van een afsluitdijk besloten worden, dan diende volgens Van Diggelen tevens zorg te worden gedragen voor de versterking van de zeeweringen ten noorden van die dijk.

De aanleg van een afsluitdijk van Noord-Holland naar Friesland ten einde een binnenmeer te scheppen, was vooral populair bij polderbesturen en dijkbeheerders in de provincies rond de Zuiderzee. De aanleg van zo’n dam zou een besparing opleveren op het onderhoud van de dijken, terwijl het bovendien zou leiden tot een betere afwatering en inlaat van zoet water. Ook de veiligheid zou aanmerkelijk toenemen. In 1864, het jaar waarin een stormvloed schade aanrichtte aan de dijken, wezen twee dijkbesturen uit Overijssel de minister van Binnenlandse Zaken op een plan van de Hasseltse notaris Gerrit Freislich tot aanleg van een dam met schutsluis. Freislich had daarbij geen specifiek tracé op het oog. Ten zuiden van die dijk zouden particulieren vervolgens inpolderingen kunnen realiseren. Op initiatief van Johan Carel de Leeuw, dijkgraaf van de Anna Paulownapolder, werd een commissie gevormd voor het uitwerken van dit plan. Dit initiatief verdween naar de achtergrond na de publicatie van het plan-Beijerinck en de concessie-aanvraag van de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet.

Pieter Opperdoes Alewijn
Pieter Opperdoes Alewijn

Daarmee was het plan voor een afsluitdijk nog niet de wereld uit. Nog in 1866 schreef IJ. van der Meulen, vice-president van de Kamer van Koophandel te Leeuwarden in de Provinciale Friesche Courant ingezonden stukken waarin hij voorstelde een dijk te leggen tussen Wieringen en Makkum en ten zuiden van deze dijk zoveel mogelijk land in te polderen. In hetzelfde jaar mengde Pieter Opperdoes Alewijn, bestuurder van verschillende waterschappen in Noord-Holland, zich in de discussie. In een open brief aan Thomas Stieltjes vroeg hij zich af of het niet veel beter was, om in plaats van de door Beijerinck ontworpen dijk Enkhuizen-Urk-Kampen een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Hindeloopen. Dit voorstel vormde de basis van een ontwerp dat hij in 1873 publiceerde. In 1870 publiceerde de Friese landmeter en waterschapsbestuurder Klaas Kornelis Kooy een eigen variant. Hij stelde voor om een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Zurich met uitwateringssluizen nabij de Friese kust. Met die afsluiting wilde hij op de eerste plaats de veiligheid van de omliggende provincies verbeteren. Uitvoering van het plan-Beijerinck zou volgens hem leiden tot hogere stormvloeden langs de Zuiderzeekusten van de noordelijke provincies. Daarop waren de dijken niet berekend. De ontwerpen van Kooy en Opperdoes Alewijn werden in het wetsontwerp van 1877 volledig genegeerd. Opmerkelijk is wel dat de Afsluitdijk die in de jaren 1927-1932 werd aangelegd het reeds door Kooy voorgestelde tracé volgt. Ook de locatie van het noordelijke sluizencomplex bij Kornwerderzand kwam al voor in het voorstel van Kooy.

Een plan tot indijking van het gebied waar nu de Noordoostpolder ligt, is vóór Lely door niemand op schrift gesteld. Wel maakte P. de Waal, voormalig opzichter van Rijkswaterstaat in het noordoostelijk deel van de Zuiderzee, in 1888 melding van het feit dat Beijerinck en Stieltjes in 1865 hadden overwogen hiervoor een ontwerp te maken. Aan dit voornemen, dat een polder van circa 40.000 hectare goede kleigrond had kunnen opleveren, hadden zij echter geen gevolg gegeven.

Besluit

In navolging van de drooglegging van de Haarlemmermeer werden vanaf 1848 verschillende plannen gepubliceerd die afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee beoogden. Plannen die de nadruk legden op drooglegging concentreerden zich vooral op het zuidelijk deel van de Zuiderzee, terwijl waterschapsbestuurders op de eerste plaats pleitten voor de realisering van een afsluitdijk. Een aantal plannen, maar ook het bodemonderzoek dat werd verricht in verschillende delen van de Zuiderzee, vormden later bouwstenen voor het plan-Lely dat in 1891 verscheen.

Bronnen
G.L. Cleintuar, Wisselend getij. Geschiedenis van de Zuiderzeevereeniging 1886-1949. Zutphen: De Walburg Pers, 1982.
W.H.J. van der Most, ‘De Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. Met vlijt en ondernemingsgeest op weg naar de twaalfde provincie?’, in: Schokland Revisited. Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland [2], 1992, pp. 67-81.
D.J. Wolffram, 70 jaar ingenieurskunst. Dienst der Zuiderzeewerken. Lelystad: De Twaalfde Provincie, 1997.

Website: Aan de wieg van Flevoland

Gepubliceerd op 13 november op Historiek.

Wandelend Nederland begraaft oude strijdbijl

Op 1 januari 2015 ging de Koninklijke Wandelbond Nederland (KWBN) van start. Deze bond is het resultaat van de fusie tussen de twee grote wandelbonden die van oudsher vorm gaven aan de georganiseerde wandelsport in Nederland: de Koninklijke Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding (KNBLO-NL) en de Nederlandse Wandelsport Bond (NWB). Hoewel het fusieproces de afgelopen jaren vanaf een afstand bezien vrij geruisloos verliep, staat dit in schril contrast met de voorgeschiedenis, waarin beide bonden bij voortduring ruzie maakten over de vraag wie de echte wandelsportbond in Nederland was.

De KNBLO-NL kwam voort uit de Nederlandsche Bond voor Lichamelijke Opvoeding (NBvLO), die op 3 april 1908 werd opgericht met als doel het bevorderen van lichaamsoefeningen en het houden van wedstrijden in lichaamsoefeningen. Hoewel de NBvLO zich aanvankelijk profileerde als algemene sportbond die uiteenlopende sportactiviteiten initieerde en organiseerde, stond hij wel aan de wieg van het oudste, grootste en bekendste wandelevenement van Nederland, de Vierdaagse van Nijmegen. Al in september 1909 vonden de eerste Vierdaagse Afstandsmarsen plaats. Deelnemers aan de marsen, die aanvankelijk vanuit verschillende plaatsen in Nederland werden georganiseerd, waren in de beginjaren vooral Nederlandse militairen. In 1925 zou de Vierdaagse definitief in Nijmegen neerstrijken.

Atletiek

De wortels van de Nederlandse Wandelsportbond lagen daarentegen in de atletiekwereld. In 1901 namen enkele atletiekverenigingen het initiatief voor de oprichting van de Nederlandsche Athletiek Unie. Deze verenigingen organiseerden in de beginjaren van de twintigste eeuw naast hardloopwedstrijden ook wandeltochten over kortere en langere afstanden. Echte wandelaars voelden zich echter op het tweede plan gezet door de hardlopers en namen daarom in 1928 het initiatief voor de oprichting voor de Nederlandsche Wandelsport Organisatie. Deze organisatie was echter geen lang leven beschoren, waarna aan het begin van de jaren dertig de onvrede binnen de Atletiekunie opnieuw manifest werd. In 1932 namen enkele wandelsportverenigingen het initiatief voor de vorming van een wandelsportafdeling van de Atletiekunie. Op 25 maart 1934 nam deze afdeling het besluit om zich los te maken en verder te gaan als zelfstandige wandelbond, de Nederlandsche Unie voor de Wandelsport (NUW).

Reglement voor de eerste Vierdaagse tochten, 1954

Daarmee was de eenheid nog lang niet in zicht. Buiten de NUW bestond ook de door NSB-ers beheerste Nederlandsche Wandelorganisatie (NWO) en werden ook binnen de Koninklijke Nederlandsche Gymnastiekvereniging (KNGV) wandeltochten georganiseerd. Ook in katholiek en protestants-christelijk verband werd gewandeld. De NBvLO stond nog niet te boek als echte wandelsportbond, ook al organiseerde de bond het grootste Nederlandse wandelevenement. In een poging meer eenheid in de wandelwereld te brengen werd de NUW in 1937 gereorganiseerd. De regionale districten van de NUW werden zelfstandige bonden, terwijl de NUW werd omgedoopt tot de Nederlandsche Wandelsport Federatie (NWF). Ook de afdeling Wandelen van de KNGV sloot zich aan bij de nieuwe federatie. Hoewel er ook was gesproken met de NWO, bleef deze NSB-organisatie uiteindelijk buiten de nieuwe federatie.

Gedwongen eenheid en verdeeldheid

De wortels voor de verziekte verhoudingen tussen de NWB en de NBvLO/KNBLO-NL in de naoorlogse jaren lagen in de gebeurtenissen tijdens de bezettingsjaren. De mobilisatie in 1939 maakte het moeilijk om voor 1940 in Nijmegen de Vierdaagse te organiseren. De NWF wilde de Vierdaagse wel overnemen en bood daarop aan om in Utrecht een wandelevenement op touw te zetten. NBvLO-voorzitter J.N. Breunese sloeg echter dit aanbod af en probeerde alsnog in 1940 in Nijmegen de Vierdaagse te organiseren. De Duitse inval doorkruiste echter dit plan. Als alternatief besloot de Stichts-Gooische Wandelsportbond (SGWB), een regionale bond aangesloten bij de NWF vierdaagses in de avonduren te organiseren onder het motto ‘Als we dan geen vier dagen kunnen wandelen, laten we het dan vier avonden doen’. Aldus werden in 1940 in zes plaatsen in de provincie Utrecht en het Gooi de eerste avondvierdaagses gehouden. In 1941 waren er al 21 avondvierdaagses. Omdat wandelmarsen en avondvierdaagses vaak uitmondden in demonstraties tegen de Duitsers en de NSB werden ze vanaf 1942 verboden. Hoe dan ook, de bezettingsjaren brachten een nieuw onderdeel van de wandelsport voort dat na 1945 een groot succes werd: de avondvierdaagse.

Gedurende het eerste bezettingsjaar werden op initiatief van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen pogingen ondernomen om per tak van sport te komen tot één bond. Dit leidde in augustus 1940 tot de vorming van één wandelsportbond, de Nederlandsche Wandelsportbond (NWB). Ook de NBvLO sloot zich hierbij aan. Breunese werd adviseur van de nieuwe wandelbond. Na de bevrijding werd de opgelegde eenheid weer verbroken. De NBvLO ging direct weer aan de slag om in 1946 in Nijmegen wederom de Vierdaagse te organiseren. Ook enkele andere bonden, zoals de Nederlands Christelijke Wandelsport Bond (NCWB), de Noord-Nederlandse Wandelsportbond (NNWB) en de Nieuwe Unie voor de Wandelport (NUW) de oostelijke afdeling van de NWB, besloten zelfstandig verder te gaan. De NBvLO ontwikkelde zich na de oorlog tot een echte wandelbond met regionale wandelkringen.

Cartoon Vierdaagse Telegraaf 6-1-1953
Cartoon in De Telegraaf van 6 januari 1953

De NWB zag deze ontmanteling van het opgelegde monopolie met lede ogen aan. Voor de NBvLO gold dat de NWB slechts een functie had tijdens de oorlogsjaren en dat er slechts sprake was van een meningsverschil met de NWB. De NWB nam hiermee geen genoegen en stelde eind 1952 aan de NBvLO voor dat deze de NWB zou erkennen als de enig erkende wandelsportorganisatie in Nederland. In ruil voor deze erkenning zou de NBvLO enkel de Vierdaagse van Nijmegen blijven organiseren en zich niet inlaten bij de organisatie van de lokale avondvierdaagses. De ruzie liep zo hoog op dat de NWB in 1953 besloot voorbereidingen te treffen tot de organisatie van een eigen Vierdaagse in Apeldoorn. De NBvLO op zijn beurt richtte een eigen ‘Comité tot redding van de Vierdaagse’ op. De Nederlandse regering mengde zich in het conflict en besloot zich voortaan te onthouden van medewerking aan enig wandelsportevenement. Dit betekende tegelijk dat militairen en rijkspersoneel niet meer in groepsverband aan de Vierdaagse mochten deelnemen. Zo ver kwam het niet. Na bemiddeling van een arbitragecommisse van het Nederlands Olympisch Comité werd het regeringsbesluit weer ingetrokken. Tegelijkertijd nam de NBvLO het initiatief voor de oprichting van een federatie van wandelsportbonden, waarin de bond samenwerkte met de NCWB, NNWB en NUW. De NWB bleef buiten deze federatie en besloot in 1954 toch in Apeldoorn een eigen Vierdaagse te gaan organiseren. Tekenend voor de ruzie was dat de Vierdaagse van Apeldoorn en Nijmegen gedurende de eerste jaren op dezelfde dagen werden gehouden.

Pogingen tot samenwerking

In de loop van de jaren zestig werden de eerste pogingen tot samenwerking ondernomen. De in 1958 Koninklijk geworden NBvLO – voortaan afgekort als KNBLO – en de NWB vormden in 1963 onder auspiciën van de Nederlandse Sport Federatie een commissie die de onderlinge geschilpunten onder de loep zou nemen. De samenwerking leidde tot afspraken over de data van de Vierdaagses van Nijmegen en Apeldoorn, over de organisatie van de Avondvierdaagses (niet meer dan één Avondvierdaagse per gemeente) en de uitgave van een gezamenlijk Landelijk Wandelprogramma. Het overleg tussen de KNBLO en de NWB had nu plaats ‘in een sfeer van vriendschap (…) met het doel de eenheid in de wandelsport te bevorderen’.

Op 28 januari 1974 werd de nota ‘Eenheid in de wandelsport’ gepresenteerd. De bedoeling was dat er een nieuwe bond zou worden gevormd met als naam Koninklijke Nederlandse Bond voor de Wandelsport. Voor de kleinere bonden NCWB, NNWB en NUW was het plan echter niet acceptabel. Zij wensten vooralsnog niet verder te gaan dan een federatie, terwijl de rijksoverheid bleef aansturen op fusie. Rond 1980 werd de fusiegedachte verlaten. De NUW en NNWB intensiveerden hun onderlinge samenwerking, hetgeen in 1994 leidde tot de vorming van de Wandelsport Organisatie Nederland (Wandel NL).

Fusie

In 2000 werden op initiatief van het ministerie van VWS en het NOC-NSF opnieuw pogingen ondernomen om de gewenste fusie alsnog tot stand te brengen. De NWB wilde niet verder gaan dan een losse federatie en haakte snel af. Daarop fuseerde de KNBLO in 2004 met Wandel NL tot KNBLO-Wandelsport Organisatie Nederland, kortweg KNBLO-NL. Direct na deze fusie was het gedaan met de onderlinge samenwerking tussen de beide overgebleven bonden. Het resultaat van deze verwijdering was dat beide bonden het niet eens konden worden over de uitgave van een gezamenlijk wandelprogramma. Rond 2010 keerde binnen beide bonden het besef terug dat men elkaar nodig had om toekomstige ontwikkelingen binnen de wandelwereld aan te kunnen.

Belangrijk ijkpunt was het feit dat NOC-NSF dwingende richtlijnen oplegde voor een goed sportbestuur. Kernpunt van dit beleid was dat bestuursleden niet langer dan drie termijnen (12 jaar) een bestuursfunctie mochten vervullen. Het accepteren van deze richtlijnen betekende voor de NWB dat men noodgedwongen afscheid moest nemen van lang zittende bestuurders en er ruimte kwam voor een nieuw bestuur dat het verleden achter zich liet en oog had voor de behoeftes van de hedendaagse wandelaar. Onder het motto ‘De Pas erin’ gingen de KNBLO-NL en de NWB in 2012 gezamenlijk een proces in dat op 1 januari 2015 heeft geleid tot de oprichting van de Koninklijke Wandelbond Nederland (KWBN).

KWBN_logo_fc_A5

Is daarmee de eenheid een feit? Niet helemaal. In mei 2014 besloot de bij de NWB aangesloten de Stichts-Gooise Wandelsportbond (SGWB) uit het fusieproces te stappen. In zijn beleidsplan geeft deze kleine regionale bond te kennen binnen enkele jaren te willen uitgroeien tot een landelijke bond, die zelfstandig aansluiting zal zoeken bij NOC-NSF. We zullen moeten zien of deze kleine bond de komende jaren zal kunnen opboksen tegen de ambities van de nieuwe landelijke wandelbond.

Bronnen:
– Annemarie de Knecht-Van Eekelen, Willen is kunnen. Uit de geschiedenis van KNBLO-NL (Nijmegen 2008);
– Historisch krantenarchief via www.delpher.nl.

Gepubliceerd op Historiek op 25 februari 2015.

Documentaire over vergeten Zeeuwse emigranten in Brazilië

Foto-Braziliaanse-Koorts
Foto: Braziliaanse Koorts

Onlangs ging in Vlissingen de documentaire ‘Braziliaanse Koorts’ in première. De film van Arjan van Westen en Monique Schoutsen is mogelijk gemaakt door crowdfunding en vertelt het verhaal van Zeeuwse emigranten in Brazilië.

Het plan om de film over de Zeeuwse nazaten in Brazilië te maken is ontsproten aan het boek Op een dag zullen ze ons vinden van Ton Roos en Margje Eshuis.

Roos en Eshuis waren in de jaren zeventig en tachtig in de deelstaat Espírito Santo werkzaam als zendingsmedewerkers. Zij kwamen in die tijd in contact met de inwoners van het dorpje Holanda, die bij nader inzien afstamden van landarbeiders uit Zeeuws-Vlaanderen, die rond 1860 waren geronseld voor een nieuwe toekomst in Brazilië. De Braziliaanse werkelijkheid bleek echter totaal anders te zijn dan ze werd voorgespiegeld. De omgeving van Holanda, maar ook andere locaties in Espírito Santo waar zich Zeeuwen hadden gevestigd, was moeilijk toegankelijk en amper geschikt voor landbouw. Bovendien ontbeerden de emigranten de vaardigheden om een bloeiend landbouwbedrijf op te zetten. Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw was er nog contact met Nederland, waarna dit contact werd verbroken.

Foto-Braziliaanse-Koorts1
Foto: Braziliaanse Koorts

‘Braziliaanse Koorts’ volgt nauwgezet het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse gemeenschappen in Espírito Santo en het aangrenzende deel van de deelstaat Minas Gerais. De film bevat interviews met archivarissen, historici en journalisten in Zeeland en Brazilië, die de emigratie van de Zeeuwen nader verklaren. Vervolgens wordt ingezoomd op oudere nazaten, die nog steeds een Zeeuws-Vlaams dialect spreken, een erfenis van een langdurig isolement. De laatste decennia gaat het langzaamaan beter waardoor de invloed van de omliggende Braziliaanse samenleving groter is geworden en het dialect werd vervangen door het Portugees.

Discutabele hulp

In het tweede deel van de film wordt ingezoomd op de herontdekking van de Zeeuwen. De filmmakers konden dankbaar gebruikmaken van super-8 films van Roos en Eshuis, om iets van de Zeeuwse gemeenschap in de jaren zeventig te laten zien. De herontdekking leidde direct ook vanuit Zeeland tot hulpacties, waarvan de resultaten op zijn minst discutabel waren. Alleen Zeeuwse nazaten hadden recht op hulp, terwijl hun niet-Zeeuwse buren niet mochten meeprofiteren. De hulpacties waren misschien wel goed bedoeld, maar weinig effectief. De Zeeuwse nazaten profiteerden meer van de economische voorspoed van Brazilië van de laatste decennia.

In de film komt vrijwel elke historische episode in de geschiedenis van de Zeeuwen van Espírito Santo aan de orde. Zo ook, zoals gezegd, de aanwezigheid van Roos en Eshuis, de hulpacties van de stichting Zeebra (Zeeland-Brazilië) en het onderzoek van de Zeeuws-Vlaamse antropoloog Frans Buysse. Dat eind jaren tachtig al een documentaire over Holanda werd gemaakt, blijft echter onvermeld. In deze documentaire uit de reeks ‘Hollander voor de eeuwigheid’ werd vooral ingezoomd op Holanda als gemeenschap en de wijze waarop de inwoners na 130 jaar hun ‘Hollandse’ identiteit beleefden. Vanwege de juridische problemen rond de filmmaker konden Van Westen en Schoutsen geen gebruik maken van deze oude documentaire.

Cirkel rond

‘Braziliaanse Koorts’ is daarentegen het werk van historici en vertelt op het filmdoek een geschiedenis. Aan het einde laten de filmmakers zien hoe de cirkel weer rond is. Zij portretteren een nazaat van de Zeeuwse landarbeiders die in 2003 in Brazilië werd geronseld met het verhaal dat in Nederland het geld voor het oprapen ligt. In Amstelveen ervaart zij op haar beurt wat het is om onder valse voorwendselen een nieuw bestaan te moeten opbouwen in een nieuw land, waar zij niet gewenst is en ook geen werk kan vinden en veroordeeld is tot een marginaal bestaan als illegaal.

‘Braziliaanse Koorts’ is een fascinerende documentaire geworden als eerbetoon aan de Zeeuwse emigranten die onder de belofte van een gouden toekomst terecht kwamen in bittere armoede. De filmmakers kwamen net op tijd. Over tien à vijftien jaar is er in Brazilië waarschijnlijk niemand meer te vinden die een Zeeuws-Vlaams dialect spreekt.

De documentaire is te bestellen door 15 euro over te maken op NL06 RABO 0137776128 op naam van Kadekoorts, met vermelding van naam en adresgegevens. Meer informatie: www.braziliaansekoorts.nl. Door 17,50 euro bij te dragen aan de crowdfunding is daar ook het boek Op een dag zullen ze ons vinden te bestellen. Inmiddels is er ook een Braziliaanse versie, getiteld Febre Brasileira beschikbaar.

Gepubliceerd op 13 februari 2015 op Historiek.

Trailer van de documentaire:

Common fate, common future

A documentary history of monetary and financial cooperation in Europe. 1947-1974

Omslag-klen-Common-FateMonetary cooperation, in the sense of different political entities adopting or supporting a single coin or currency to foster trade and economic development, has had a long history in Europe. Its roots reach as far back as Roman times. In post-1945 Europe, ideas and reminiscences of such cooperative endeavours, notably those undertaken in the latter half of the 19th century, struck a chord. Recovering from the gravest conflict in history that had brought unprecedented suffering and devastation, more than a few European thinkers and policy makers regarded such unions as exemplary. The particular circumstances of the late 1940s formed the backdrop to renewed promotion of monetary cooperation in talks between nations that had, until recently, been at war with each other. An attractive prospect of a stable monetary island where badly needed economic reconstruction would profit from the abolition of barriers to trade beckoned on the horizon.
This book does not cover the entire ascent of ideas from the late 1940s to the creation of the euro area in 1999 and the euro’s subsequent introduction as a common currency in 2002, but focuses on the exchanges that took place up to the adoption by the European Council, on 8 and 9 June 1970, of the basic plan for the achievement by stages of an economic and monetary union at the European level. This, after all, was the crucial turning point in the process moving from option to necessity. In December 2010 it found its wording in the stated conviction of the euro as our ‘common fate’, and Europe as our ‘common future’ – to quote the German Chancellor Angela Merkel before the German Parliament, on the eve of one of the summits to discuss the monetary crisis enveloping Europe since 2009. Her statement subsequently became one of the cornerstones of German policy in this respect.
The recent crisis has highlighted the challenges and difficulties of financial and monetary cooperation in the European Union (EU). This publication seeks to contribute to the quality of the debate on this subject by offering a more historical perspective. Its contents will reveal that the basic issue to be resolved – how to organise effective monetary cooperation between ultimately sovereign states – has remained the same over time. To demonstrate this and shed light on various past approaches to overcome this fundamental dilemma, this book offers a selection of primary sources from the period after the end of the Second World War until 1973, when the important decisions to move towards adopting a single European currency had been taken. Together they provide an insight into the political and technical issues surrounding the process towards an economic and monetary union from the early days of European integration. Before moving to the core of the book, the selection of sources, this introduction will provide a short overview of monetary integration in Europe up to the end of the Second World War, as well as information on how the book is structured.

Marc Dierikx (ed.), Mari Smits, Loes van Suijlekom, Frédéric Clavert, Elena Danescu, Marco Gabellini, Common fate, common future. A documentary history of monetary and financial cooperation in Europe, 1947-1974 (Den Haag/Sanem: Huygens ING/CVCE, 20120).

Te bestellen via de webshop van Huygens ING.

List of digital references

Preface.
Note 21. Circular from the Belgian Foreign Ministry on Monetary Convention between Belgium, Luxembourg and the Netherlands , 2 November 1943. [EN] [FR]

Introduction to document 1.
Note 25. Bank of International Settlements, Eighteenth Annual Report, 1st of April 1947-31st of March 1948. [EN]

Document 1. Note to the Netherlands Minister of Finance (Piet Lieftinck) on inter-European monetary cooperation, 27 October 1947. [NL]
Addendum: Proposed initial agreement on multilateral monetary compensation [FR]

Introduction to documents 2 and 3.
Note 33. Telegram from Dean Acheson to the US Embassy in Paris, Washington, 19 October 1949. [EN]

Note 35. Statement by ECA Administrator, Paul Hoffman, at the 75th OEEC Council meeting Paris, 31st October, 1949. [EN]

Note 39. Record of Conversation on Fritalux, Foreign Office UK, 14 December 1949. [EN]

Document 2. Memorandum presented by France (Hervé Alphand) on economic and monetary cooperation in Western Europe, 14 November 1949. [FR]

Note 41. Résolution relative à de nouvelles mesures de coopération adoptée par le Conseil le 2 novembre 1949. [FR]

Document 3. Report of the experts of Belgium, France, Italy, Luxembourg and the Netherlands on the establishment of an economic and monetary association in Western Europe, 9 December 1949. [FR]

Introduction to document 4.
Note 45. British memorandum on the future of intra-European payments, 15 December 1949. [EN]

Document 4. Memorandum presented by Belgium on the European Payments Union, 8 March 1950. [FR]

Introduction to document 5.
Note 51. Telegram Henri Bonnet (French ambassador, Washington) to Affaires Etrangères, 13 September 1949. [FR]

Note 52. Protocol German cabinet meeting, 12 December 1950. [DE]

Note 53. Note Affaires Etrangères to Jean Filippi (Ministère des Finances), 16 May 1950. [FR]

Note 54. Document de travail, établi par la délégation française, 24 June 1950. [FR]

Note 55. Letter Dirk Stikker to Willem Drees, 16 June 1950. [NL]

Note 56. Minutes Council for Economic Affairs (Netherlands Cabinet), 1 July 1950. [NL]

Note 58. Memorandum on Economic Union with Belgium and Luxembourg, 27 December 1951. [NL]

Document 5. Speech by the German Federal Minister for Marshall Plan Affairs (Franz Blücher) on the European Payments Union, 8 August 1952. [EN] [DE]

Introduction to documents 6, 7 and 8.
Document 6. Declaration by the Netherlands Delegation to the Economic Commission of the Conference for the European Political Community (Rome) concerning the relation between the common market and the coordination of monetary politics, 26 September 1953. [FR]
Addendum: Minutes of the third session of the Economic Commission, held Friday 25 September 1953. [FR]

Note 64. Aide mémoire de la Délégation Allemande sur les mesures à prendre pour réaliser le marché commun, 26 September 1953. [FR]

Document 7. Modifications proposed by the Belgian Ministry of Economic Affairs on the articles of the projected statute of the European Political Community regarding economic powers, 30 October 1953. [FR]

Document 8. Interim report of the Economic Commission to the Executive Committee of the Commission for the European Political Community, 22 January 1954. [FR]

Note 67. Conference for the European Political Community, 22 September-9 October 1953, Report to the ministers of Foreign Affairs, 9 October 1953. [NL] [FR]

Introduction to documents 9 and 10.
Note 68. Report of the Heads of Delegation to the Foreign Ministers (Spaak Report), 21 April 1956. [EN] [FR]

Document 9. Attachment to the letter of the Netherlands Ministers of Foreign Affairs (Joseph Luns and Jan Willem Beyen) on the report of the Commission on the Common Market, 31 October 1955. [NL]
Addendum: The Study Conference in Brussels, 14 October 1955. [NL]

Note 69. Memorandum of the Netherlands minister of Foreign Affairs (Jan Willem Beyen) on European integration, 11 december 1952. [NL] [FR] [DE]

Document 10. French memorandum concerning the institution of a monetary committee, 15 October 1956. [FR]

Introduction to documents 11, 12 and 13.
Document 11. Articles 104 to 109 of the Treaty establishing the European Economic Community (Treaty of Rome), 25 March 1957. [NL] [EN] [FR] [DE]

Document 12. Speech by the Chairman of the European Commission (Walter Hallstein) to the constitutive session of the Monetary Committee, 3 June 1958. [FR]

Document 13. First report on the activities of the Monetary Committee of the EEC, 28 February 1959. [FR]

Introduction to document 14.
Document 14. Memorandum of the European Commission on the Action Programme of the Community for the Second Stage, 24 October 1962. [EN] [FR-1] [FR-2]

Introduction to document 15.
Note 80. Internal memorandum E.H. van der Beugel, Netherlands Ministry of Foreign Affairs, 20 June 1956. [NL]

Document 15. Communication of the Netherlands on the Action Programme of the European Commission, 25 April 1963. [NL]

Note 84. Netherlands Parliamentary Proceedings, Second Chamber, 1962-1963, addendum 6900, chapter V, no. 11. [NL]

Introduction to documents 16, 17 and 18.
Note 87. Monetary and financial co-operation in the EEC. Communication from the Commission to the Council submitted on 24 June 1963. [EN] [FR]

Document 16. Report by the Netherlands Ministry of Finance on the proposals of the European Commission to strengthen monetary and financial cooperation within the EEC, 7 August 1963. [NL]

Document 17. Netherlands memorandum on the monetary aspects of the agricultural proposals, 17 February 1964. [NL]

Document 18. Netherlands interdepartmental note on the agricultural accounting unit, 15 June 1967. [NL]

Introduction to documents 19 and 20.
Document 19. Memorandum by the European Commission on the policy to be pursued in the Community to tackle the current economic and monetary problems, 5 December 1968. [FR]

Document 20. Memorandum by the European Commission to the Council on the coordination of economic policies and monetary cooperation within the Community, (Barre Memorandum), 12 February 1969. [EN] [FR] [DE]

Introduction to documents 21, 22 and 23.
Document 21. Note by the Netherlands Ministry of Finance concerning the memorandum of the European Commission on the coordination of economic policies and monetary cooperation in the Community, 25 June 1969. [NL]

Document 22. Final communiqué of the Summit of Heads of State and Governments in The Hague, 2 December 1969. [NL] [EN] [FR] [DE]

Document 23. Position paper by the Netherlands Ministry of Finance on the medium term EEC-support mechanism according to the Barre Plan, 15 January 1970. [NL]

Note 110. Eleventh Report on the Activities of the Monetary Committee, Brussels, 15 May 1969. [EN]

Note 112. Council Decision on co-ordination of the short-term economic policies of the Member States, 17 July 1969. [NL] [EN] [FR] [DE]

Introduction to documents 24 and 25.
Document 24. Report of the 34th meeting of the Ministers of Finance of the European Communities in Paris, 23 and 24 February 1970. [NL]

Note 120. Un plan de solidarité monétaire européenne en trois étapes 1971-1977 (Snoy Plan), 27 January 1970. [FR]

Note 121. Lignes directrices d’un plan par étapes pour la réalisation de l’UEM dans la CEE (Schiller Plan), 12 February 1970. [FR] [DE]

Note 123. L’Europe en route vers l’union monétaire (Luxembourg Plan), 23 february 1970. [FR]

Document 25. Position paper by the Netherlands on the procedure for the development of a plan for an economic and monetary union, 26 February 1970. [NL]

Introduction to document 26.
Note 129. Un plan de solidarité monétaire européenne en trois étapes 1971-1977 (Snoy Plan), 27 January 1970. [FR]

Note 130. Lignes directrices d’un plan par étapes pour la réalisation de l’UEM dans la CEE (Schiller Plan), 12 February 1970. [FR] [DE]

Note 131. L’Europe en route vers l’union monétaire (Luxembourg Plan), 23 february 1970. [FR]

Note 133. Commission Memorandum to the Council in the Preparation of a Plan for the Phased Establishment of an Economic and Monetary Union, 4 March 1970. [NL] [EN] [FR] [DE]

Document 26. Comparative tables concerning the four plans for the achievement by stages of an economic and monetary union, 18 March 1970. [FR] [DE]

Note 137. Council Decision on co-ordination of the short-term economic policies of the Member States, 17 July 1969. [NL] [EN] [FR] [DE]

Note 142. Council Decision on co-operation between Member States in the field of international monetary relations, 8 May 1964. [NL] [EN] [FR] [DE]

Introduction to document 27.
Document 27. Note by the President of the Short-Term Economic Policy Committee of the EEC (Gerard Brouwers) to the Werner Group on the method for the realization of an Economic and monetary union, 3 April 1970. [FR]

Introduction to document 28.
Document 28. Report of the Treasurer of the Netherlands Ministry of Finance (Willem Drees Junior) on the conversations with Belgium and Luxembourg on monetary union in the EEC, 7 April 1970. [NL]

Introduction to document 29.
Document 29. Letter by the Belgian Minister of Finance (Jean-Charles Snoy et d’Oppuers) to the Netherlands Minister of Finance (Johan Witteveen), 15 May 1970. [FR]

Introduction to document 30.
Document 30. Notes by Pierre Werner on the establishment of an economic and monetary union, in preparation for the meeting of 20 May 1970. [FR-1] [FR-2]

Note 159. Pierre Werner, ‘Perspectives de la politique financière et monétaire européenne, 26 January 1968. [FR]

Note 162. Interim report to the Council and the Commission on the establishment by stages of economic and monetary union, 23 July 1970. [EN] [FR]

Introduction to document 31.
Document 31. Letter by Jean Monnet to the Luxembourg Prime Minister and Minister
of Finance (Pierre Werner), 26 May 1970. [FR]

Introduction to document 32.
Document 32. Letter by the Luxembourg Prime Minister and Minister of Finance (Pierre Werner) to the Chairman of the Committee of Governors of Central Banks (Hubert Ansiaux), 12 June 1970. [FR]

Note 174. ‘Interim Report on the Establishment by Stages of Economic and Monetary Union – “Werner Report”’, 20 May 1970. See also note 162. [EN]

Introduction to document 33.
Note 175. ‘Interim Report on the Establishment by Stages of Economic and Monetary Union – “Werner Report”’, 20 May 1970. See also note 162. [EN]

Document 33. Note by the President of the Short-Term Economic Policy Committee of the EEC (Gerard Brouwers) to the Werner Group on the final phase of the monetary union, 22 July 1970. [NL] [FR]

Introduction to document 34.
Document 34. Report by the Werner Group to the Council and the Commission on the realization by stages of economic and monetary union in the Community, 8 October 1970. [NL] [EN] [FR] [DE]

Note 183. ‘Interim Report on the Establishment by Stages of Economic and Monetary Union – “Werner Report”’, 20 May 1970. See also note 162. [EN]

Introduction to document 35.
Note 187. ‘Interim Report on the Establishment by Stages of Economic and Monetary Union – “Werner Report”’, 20 May 1970. See also note 162. [EN]

Document 35. Statement by the Luxembourg Prime Minister and Minister of Finance (Pierre Werner) to the Council of Ministers of the European Communities, 26 October 1970. [FR] [DE]

Introduction to document 36.
Document 36. Letter by Jacques Rueff to the Luxembourg Prime Minister and Minister of Finance (Pierre Werner), 28 October 1970. [FR]

Introduction to document 37.
Document 37. Proposal by the European Commission for a Council decision on strengthening coordination of the Member States’ short-term economic policies, 30 October 1970. [EN] [FR] [DE]

Introduction to document 38.
Note 195. Minutes of the Netherlands Cabinet Meeting, 5 June 1970. [NL]

Note 200. Commission memorandum and proposals to the Council on the establishment by stages of economic and monetary union, 30 October 1970. [EN]

Document 38. Memorandum to the Netherlands Minister and State Secretary of Foreign Affairs (Joseph Luns and Hans de Koster) on the monetary union, 5 November 1970. [NL]

Note 204. Conclusions of the Netherlands Interdepartmental Coordination Committee on European Integration and Association Issues, 17 November 1970. [NL]

Introduction to document 39.
Note 205. ‘Interim Report on the Establishment by Stages of Economic and Monetary Union – “Werner Report”’, 20 May 1970. See also note 162. [EN]

Document 39. Reaction of the British Foreign Office to the Werner Plan, 9 November 1970. [EN]

Introduction to document 40.
Note 220. Conclusions of the Netherlands Interdepartmental Coordination Committee on European Integration and Association Issues, 17 November 1970. [NL]

Note 221. Note of the Netherlands Ministry of Finance, ‘The move towards an economic and monetary union in the EEC’, 11 November 1970. [NL]

Note 224 and document 40. Report of the 131st meeting of the Council of the European Communities, 23 November 1970. [NL]

Introduction to document 41.
Document 41. Note by the Luxembourg Embassy in Bonn concerning the Franco-German position on the economic and monetary union, 27 January 1971. [FR]

Introduction to document 42.
Note 237. Willy Brandt, ‘Declaration on European policy’, 6 November 1970. [DE-text] [DE-audio]

Document 42. Letter by the German Chancellor (Willy Brandt) to the Luxembourg Prime Minister (Pierre Werner), 1 February 1971. [DE]

Introduction to document 43.
Note 244. Letter Posthumus Meyjes to the members of the Netherlands Coordination Committee for European Integration and Association Issues, 1 February 1971. [NL]

Note 245. Minutes of the Netherlands Cabinet Meeting, 5 February 1971. [NL]

Document 43. Conclusions of the Netherlands Interdepartmental Coordination Committee on European Integration and Association Issues regarding economic and monetary union, 3 February 1971. [NL]

Note 248. Letter Posthumus Meyjes to the members of the Netherlands Coordination Committee for European Integration and Association Issues, 1 February 1971. [NL]

Note 249. Report of the 136th Meeting of the Council of the European Communities, 14 December 1970. [NL]

Note 250. Minutes of the Netherlands Cabinet Meeting, 5 February 1971. [NL]

Introduction to document 44.
Note 254. Code Message Minister Luns to the Netherlands Ministry of Foreign Affairs, 12 February 1971. [NL]

Document 44. Statement by the German Minister of Economic Affairs (Karl Schiller) on the session of the Council on 8-9 February, 10 February 1971 [FR] [DE]

Introduction to document 45.
Note 260. Commission memorandum and proposals to the Council on the establishment by stages of economic and monetary union, 30 October 1970. [EN]

Note 261. ‘Interim Report on the Establishment by Stages of Economic and Monetary Union – “Werner Report”’, 20 May 1970. See also note 162. [EN]

Note 262. Council Decision on the strengthening of co-ordination of short-term economic policies of the Member States of the European Economic Community, 22 March 1971. [NL] [EN] [FR] [DE]

Note 263. Council Decision on the strengthening of co-operation between the central banks of the Member States of the European Economic Community, 22 Mach 1971. [NL] [EN] [FR] [DE]

Note 264. Council Decision setting up machinery for medium-term financial assistance, 22 March 1971. [NL] [EN] [FR] [DE]

Document 45. Resolution of the Council of the European Communities and the Representatives of the Governments of the Member States on the achievement by stages of economic and monetary union, 22 March 1971. [NL] [EN] [FR] [DE]

Note 265. Council Decision on the replacement of financial contributions from Member States by the Communities’ own resources, 21 April 1970. [NL] [EN] [FR] [DE]

Introduction to document 46.
Document 46. Final Communiqué of the Conference of Heads of State and Government of the enlarged Community, Paris, 19-21 October 1972. [NL] [EN] [FR] [DE]

Note 268. Resolution of the Council and of the Representatives of the Governments of the Member States on the application of the Resolution of 22 March 1971 on the attainment by stages of economic and monetary union in the Community, 21 March 1972. [NL] [EN] [FR] [DE]

Holambra. De moeizame beginjaren van een stukje Nederland in Brazilië

In 1948 werd 140 kilometer ten noorden van São Paulo een groot stuk land (fazenda) aangekocht voor de vestiging van Nederlandse emigranten. Er was niks, alleen enkele schamele hutjes, en alle grond moest nog worden ontgonnen. Op deze Fazenda Ribeirão is nu een bloeiende gemeenschap gevestigd met onmiskenbare Nederlandse elementen. Voordat die bloei tot stand kwam moesten de Nederlandse pioniers in de beginjaren een harde strijd leveren om het dagelijks bestaan. Veel pioniers zijn vertrokken naar bestemmingen elders in Brazilië of naar Nederland teruggekeerd.

Bushalte KleinHolambra is ontsproten aan de geest van Geert Heijmeijer, voormalig secretaris van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB), die in Brazilië op zoek ging naar een plek voor de boeren die in Nederland geen toekomstmogelijkheden meer zagen. In zijn ogen moest de nederzetting een modelkolonie worden, samengesteld uit “prachtmensen”, die samen de basis moesten vormen voor een op de christelijke beginselen gestoelde “nieuwe gemeenschap”. De idylle van Heijmeijer werd echter al snel verstoord door financiële moeilijkheden en interne spanningen. Met een nieuwe lening uit Nederland en de harde hand van oud-indischman Charles Hogenboom werd een reorganisatie doorgevoerd die Holambra uiteindelijk op de been hielp. Ondertussen waren veel boeren tegen zijn “schrikbewind” in opstand gekomen en naar elders vertrokken.

In dit boek wordt uit de doeken gedaan waarom Nederlandse emigranten naar Brazilië zijn vertrokken en wat zij in die beginjaren hebben meegemaakt. Hoewel Holambra werd opgezet als een particulier initiatief raakte de Nederlandse staat al snel betrokken bij deze Nederlandse gemeenschap in Brazilië. Deze betrokkenheid raakte direct het dagelijkse bestaan van de bewoners van de gemeenschap. Behalve de moeizame opbouwfase van de kolonie, met daarbij de vele interne conflicten, wordt in het boek ook aandacht besteed aan de vestigingen die zijn voortgekomen uit deze moeilijkheden. Het boek eindigt met de stichting van Holambra II in 1961, toen Holambra na 12 jaar de pioniersfase eindelijk achter zich kon laten.

Het boek van Mari Smits, De moeizame beginjaren van een stukje Nederland in Brazilië zal in de loop van 2015 verschijnen. Meer informatie via www.holambra.nl

Boeren tussen markt en maatschappij

Boeren tussen markt en maatschappijErwin H. Karel, Boeren tussen markt en maatschappij. Essays over de effecten van de modernisering van het boerenbestaan in Nederland (1945-2012) (Historia Agriculturae 44; Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2013, 216 pp., ISBN 978 90 367 6165 9).

Na 1945 is de Nederlandse landbouw en daarmee ook het Nederlandse platteland ingrijpend veranderd. Kleinere boeren zonder toekomstmogelijkheden beëindigden hun bedrijf, terwijl boeren met groeimogelijkheden hun bedrijfsvoering ingrijpend hebben gemoderniseerd en daarmee agrarisch ondernemer zijn geworden. De ingezette modernisering resulteerde in een industrialisatie van de landbouwsector, die een grote impact had op het hele boerenbestaan, zowel bezien vanuit een economisch, sociaal als ecologisch perspectief. In zijn boek behandelt Erwin Karel aan de hand van zeven thematische essays de doorwerking van deze modernisering op het boerenbestaan. Het boek is geen contemporaine geschiedenis van de Nederlandse landbouw, maar het poogt aan de hand van landbouwkundige literatuur uit de laatste 65 jaar een aantal lijnen te trekken die de naoorlogse veranderingen blootleggen. Het gaat hem daarbij niet enkel om het waarom van de modernisering maar vooral ook om de effecten daarvan.

Als eerste thema behandelt Karel de veranderingen op het Nederlandse platteland. Volgens OESO-normen kent Nederland eigenlijk geen platteland meer; daarvoor is de groene ruimte te zeer verstedelijkt. Bovendien is in sociaal-cultureel opzicht de kloof met de stad steeds kleiner geworden. Hij hanteert daarbij de termen deruralisatie (boeren trokken zich terug op hun bedrijf waardoor hun relatie met hun directe omgeving verminderde) en reruralisatie (het om toeristische redenen herstellen van de oude plattelandsidylle). Onderdeel van de rerulalisatie was het herstellen van de schade die de grootschalige ruilverkaveling had aangericht. Nauw hiermee verbonden is het containerbegrip plattelandsvernieuwing, waarvoor in de loop van de laatste 25 jaar steeds nieuwe definities werden geformuleerd.

Vervolgens richt Karel zich op de opkomst en teloorgang van het Groene Front, het systeem waarin landbouworganisaties, het ministerie van Landbouw en agrarische volksvertegenwoordigers in gezamenlijk overleg het landbouwbeleid bepaalden. Dit samenspannen binnen het Groene Front leidde ook tot een disciplinering van de achterban, waardoor het mogelijk werd een succesvol structuurbeleid, gericht op productieverhoging en kostenverlaging, door te voeren. Uiteindelijk keerde het succes zich in het tegendeel en verbrokkelde het Groene Front. Aangezet door overproductie en milieuschade zag de Nederlandse overheid zich gedwongen om groei in te dammen en onder de boeren impopulaire wetgeving in te voeren. Anderzijds had de modernisering, waaraan de landbouworganisaties mede vorm hadden gegeven, geleid tot het ontstaan van gespecialiseerde, hoog gemechaniseerde bedrijven, waardoor voor boeren en tuinders het voorheen gevoelde gezamenlijke agrarisch belang uit het zicht verdween.

In het hoofdstuk ‘Boer en markt’ laat Karel zien dat na het terugtreden van de overheid bij het stimuleren van de modernisering de landbouwbedrijven uiteenlopende ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Enerzijds zijn boeren gevangen geraakt in een agro-industrieel complex waarin zij slechts een schakel zijn geworden in een productieproces, anderzijds besteedt hij aandacht aan boeren die inhoud hebben gegeven aan de plattelandsvernieuwing. In plaats van groter en moderner zijn boeren vorm gaan geven aan de multifunctionele landbouw, waarin zorg, natuurbeheer, toerisme en verkoop van producten in boerderijwinkels zich ontwikkelden tot nevenactiviteiten, waarvan echter de economische betekenis vooralsnog tegenvalt. Hoofdstuk 5 behandelt het imago van agrarisch Nederland, waarbij Karel de conclusie trekt dat het beeld wat de buitenwereld van de boeren had veel positiever was dan veel boeren dachten. Het zesde hoofdstuk bouwt verder voort op de vermindering van de sociale afstand tussen stad en platteland en legt daarbij de nadruk op veranderingen binnen het boerengezin. De door Wageningse onderzoekers aangejaagde modernisering van het boerenbestaan had grote invloed op het gezinsleven van boeren, maar heeft niet geleid tot het verdwijnen van het gezinsbedrijf zoals vaak is voorspeld. Deze bedrijfsvorm bleek de beste garantie te zijn voor het in standhouden van bedrijfskapitaal dat nodig is voor het voortbestaan van het bedrijf. Uiteindelijk is het, aldus Karel, niet meer dan één van de vele varianten van arbeidsorganisatie binnen een kapitalistisch systeem en is het veel minder een anomalie dan vaak wordt verondersteld.

Hoofdstuk 7 behandelt na een terugblik op de naoorlogse emigratie, de recente emigratie van boeren. Vanaf 1990 zijn veel boeren uitgeweken naar andere Europese landen omdat hun bedrijf daar betere groeikansen zou hebben en zij minder belemmerd zouden worden door toegenomen regeldruk. Tegelijkertijd ontwikkelde zich naast de klassieke boerenemigrant een nieuw fenomeen: de semigrant. Dit zijn boeren die nieuwe bedrijven stichten elders in de wereld, maar tegelijkertijd hun bedrijf in Nederland handhaafden, met name voor de afzet van elders geproduceerde land- en tuinbouwproducten. Hoofdstuk 8 behandelt de moeizame relatie van de boer met het milieu. Karel brengt daarmee de keerzijde van het naoorlogse moderniseringsbeleid in kaart en laat zien hoe de overheid na 1975 getracht heeft de negatieve gevolgen van dit beleid (gebruik van bestrijdingsmiddelen en de negatieve gevolgen van de bioindustrie) terug te dringen. Ook laat hij zien dat veel boeren er niets voor voelden om op te treden als ‘parkwachter’.

Aan het einde van het boek worden de hoofdlijnen uit de zeven thematische essays samengebracht in een slotbeschouwing. De modernisering die in de jaren vijftig en zestig werd geïnitieerd door Den Haag en Wageningen, werd vanaf de jaren tachtig een proces dat werd gevoed door de markt en het neoliberale economisch denken. De voorspelling dat het gezinsbedrijf op den duur zou verdwijnen, is niet uitgekomen. Juist het gezin, met meewerkende echtgenote en kinderen, was in staat de steeds kapitaalsintensiever wordende bedrijven overeind te houden en economische tegenvallers op te vangen. Dat technologische vernieuwing van de agrarische sector nodig blijft, staat voor Karel vast. Tegelijk staat de landbouw nog steeds voor de uitdaging de ecologische effecten van het moderniseringsproces in kaart te brengen. Dit is tot dusverre nog onvoldoende gebeurd.

Met Boeren tussen markt en maatschappij heeft Erwin Karel de lezer door middel van zeven essays meegenomen in een aantal ingrijpende veranderingen die de agrarische sector en het Nederlandse platteland sinds 1945 heeft ondergaan. Een duidelijke conclusie heeft het boek niet, maar na 194 bladzijden heeft de lezer kennis genomen van een aantal opvallende trends. Jammer is dat het boek snel veroudert. De meeste hoofdstukken zijn in 2010 en 2011 geschreven en vervolgens vrijwel ongewijzigd in 2013 gepubliceerd. Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld dat op pagina 170 wordt stilgestaan bij het aantreden van Henk Bleker als staatssecretaris van Landbouw, die een streep zette door het tot dan toe gevoerde natuurbeleid. Karel vermeldt echter niet dat eind 2012 er weer een nieuw kabinet is aangetreden. Verder bevat het boek overal storende tikfouten, waardoor het de indruk wekt zonder grondige eindredactie te zijn gepubliceerd. Een actualisering en eindredactie kort voor publicatie had de waarde van het boek aanzienlijk kunnen verhogen. Jammer.

Verschenen als webrecensie in BMGN – Low Countries Historical Review | Volume 129-4 (2014) | review 94

Missie in een nieuwe jas?

De plaats van particuliere ontwikkelingsorganisaties in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking

Cover Transparant 2009-4kAnno 2009 is de rol van Nederlandse particuliere organisaties in de hulpverlening aan derdewereldlanden niet meer weg te denken. Naast de
grate, door de Nederlandse overheid gesubsidieerde organisaties als Novib, Cordaid en ICCO zijn duizenden kleinere organisaties betrokken bij de armoedebestrijding. We kunnen daarbij denken aan een plaatselijke kerkgemeenschap die voor een zusterkerk in Afrika een inzamelingsactie organiseert, maar ook particulieren die zich tijdens hun vakantie inzetten voor de bouw en inrichting van een school. Vaak zien we dat particulieren op dezelfde manier werken als de missionarissen en zendelingen vijftig jaar geleden, terwijl de professionele ontwikkelingsorganisaties, die voortgekomen zijn uit de missie en zending, een onmisbaar verlengstuk geworden zijn van het ontwikkelingsbeleid en hun aloude manier van werken achter zich hebben gelaten. In deze bijdrage wordt teruggeblikt op het ontstaan
van de maatschappelijke betrokkenheid bij de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en de rol die particuliere organisaties – zowel kerkelijke
als niet-kerkelijke – daarbij hebben gespeeld. Ook zal ik iets zeggen over hun invloed op het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

Mari Smits, ‘Missie in een nieuwe jas? De plaats van particuliere ontwikkelingsorganisaties in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking’, in: Transparant, Tijdschrift van de Vereniging van Christen-Historici 20 (2009), no. 4, 14-19.

Lees het [PDF]

 

Met kompas emigreren

Katholieken en het vraagstuk van de emigratie in Nederland, 1946-1972

Uitgave: Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen, 1989. Lees het [PDF] van het boek. Hieronder volgt een enigszins bewerkte versie van de inleiding.

Met kompas emigrerenDe literatuur over de geschiedenis van de Nederlandse emigratie wordt tot op heden [1989] vooral beheerst door werken die handelen over de Nederlandse emigratie naar Noord-Amerika in het midden van de vorige eeuw. En als er één aspect is dat bij de negentiende eeuwse emigratiegolf veel aandacht krijgt is het wel de (veronderstelde) protestantse oorsprong van deze emigratiegolf. Algemeen bekend is de trek van de Afgescheidenen onder leiding van dominee A.C. van Raalte naar Michigan en van dominee H.P. Scholte naar Iowa, die daar nederzettingen en hun (Afgescheiden) kerk hebben gesticht. Of zoals Henk van Stekelenburg het in 1983 uitdrukte: “The calvinists have been able to preserve their identity in a church and social context. This has been of a great assistance to historiography .” 1
Daarentegen bleef het aandeel van katholieken in deze trek onderbelicht. Katholieke emigranten trokken er niet op uit, zoals van protestantse zijde gebeurde, om in een ander werelddeel een eigen kerkgenootschap te stichten; de kerken die zij stichtten gingen deel uitmaken van de Rooms-Katholieke Kerk in het land van bestemming. Katholieke Nederlanders emigreerden vaak individueel of in klein gezinsverband en verloren gewoonlijk vroeg of laat het besef van hun Nederlandse herkomst. In een artikel uit 1987 haalt de Amerikaanse historicus van Nederlandse origine Robert P. Swierenga zijn collega H.S. Lucas – een Amerikaanse katholiek van Nederlandse afkomst – aan, die hierover zegt: “De gemeenschappelijke banden van het geloof maakten het hun mogelijk om zich gelukkig te voelen bij mensen die geen Nederlander waren(…). De Nederlandse katholieken hadden niet zo’n uitgesproken neiging om zich in Nederlandse gemeenschappen te vestigen. Ze verspreidden zich, werden al snel geassimileerd en lieten dus weinig karakteristieke sporen na.”2 Van Stekelenburg brengt daarnaast nog een aantal andere redenen naar voren waarom het katholieke aandeel in de Nederlandse emigratie onderbelicht is gebleven. Dit zijn de geringere omvang van de documentatie hierover, het ontbreken van leidende personen onder de emigranten van katholieken huize en het feit dat de meeste historici die de Nederlandse emigratiegeschiedenis bestudeerden een protestantse achtergrond hadden.3
Ondanks deze onderbelichting moeten we het katholieke aandeel in de emigratie niet onderschatten. Terwijl de Afgescheidenen in de periode 1831-1847 maar liefst 28% van het totale aantal emigranten uitmaakten, lag dit percentage voor de rooms-katholieken nog altijd op 19%. In 1849 was 38,15% van de Nederlandse bevolking rooms-katholiek.4
Naast deze onderbelichting van de emigratie van katholieken moeten wij er rekening mee houden dat katholiek Nederland pas in een laat stadium serieus aandacht ging besteden aan het emigratievraagstuk. Van de zijde van de kerk werd pas in 1912 in een pauselijk document een officiële politiek aangaande emigratie geformuleerd. Weliswaar werd in 1925 in Nederland de Roomsch-Katholieke Emigratievereeniging opgericht, maar haar belangrijkste activiteit bestond uit het organiseren van het RK Emigratie-congres op 15 november 1927. Van de zijde van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) en de RK Landarbeidersbond St. Deusdedit bestond slechts interesse voor emigratie naar het (katholieke) Frankrijk. Tenslotte moeten we rekening houden met het feit dat van de zijde van de clerus de trek naar Amerika vaak werd afgeraden. Deze landen werden gezien als landen waarin de protestanten de boventoon voerden. Bovendien was men van katholieke zijde beducht voor de grote morele gevaren die aan een landverhuizing verbonden waren.

Tot in de jaren twintig van deze eeuw bestond er van overheidswege geen interesse voor emigratie. Voordien was emigratie vooral een zaak van individuele emigranten, ondernemingen (met name rederijen en ‘landagents’) en kerkgenootschappen. Om met name de invloed van malafide “steamship and landagents”5 tegen te gaan, werd in 1913 de particuliere Nederlandsche Vereeniging Landverhuizing opgericht om potentiële emigranten te voorzien van goede en betrouwbare informatie. In 1923 volgde de oprichting van de Emigratie Centrale Holland op initiatief van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel. De ECH regelde het transport van emigranten, alsmede de bescherming van hun belangen. Beide instanties fuseerden in 1931 tot de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN), waarin ook de overheid betrokken werd. Na de Tweede Wereldoorlog zou de SLN – totdat in 1952 de Wet op de organen voor de emigratie in werking trad –fungeren als het overheidsorgaan dat emigratieaangelegenheden coördineerde en afhandelde.
In de jaren twintig werd de verzuiling ook op het gebied van de emigratie actief. In 1925 werd de RK Emigratievereeniging opgericht om “voorlichting te geven aan RK emigranten en dezen behulpzaam te zijn onder godsdienstig en economisch opzicht”.6 In 1927 volgde de oprichting van de Gereformeerde Emigratie Vereeniging, die in 1938 haar naam wijzigde in Christelijke Emigratie Centrale. Van echt georganiseerde emigratie was echter pas sprake na 1945 toen de overheid en de maatschappelijke organisaties gezamenlijk de emigratie ter hand gingen nemen zowel op het gebied van de voorlichting en voorbereiding, als het vervoer en de ontvangst in het land van bestemming.

Na de tweede wereldoorlog kwam een emigratiebeweging op gang die ook voor katholiek Nederland van grote betekenis was. Aanhoudend tekort aan voedsel, woningnood, een nieuwe oorlogsdreiging en vooral het besef dat Nederland overbevolkt raakte, droegen er toe bij dat bij velen het verlangen leefde om elders in de wereld een nieuw bestaan op te bouwen. Bijna een derde van de Nederlandse bevolking wilde wel vertrekken,7 maar slechts één op de tien emigratiegezinden zou de daad bij het woord voegen.8
Aanvankelijk had de emigratiedrang vooral betrekking op boeren die geconfronteerd werden met het probleem van onvoldoende vestigingsmogelijkheden in eigen land om een gezond boerenbedrijf op te zetten. Dit zogenaamde ‘kleine’ of ‘jonge boeren-probleem’ was vooral actueel op de zandgronden in het zuiden en oosten van het land. De KNBTB, waarvan de meeste leden juist uit die gebieden afkomstig waren, ging zich onmiddellijk na de oorlog over dit probleem beraden en zag in emigratie één van de oplossingen. Om emigratiezaken binnen de bond beter te coördineren en de emigratie te organiseren werd in 1947 de Emigratie-Stichting van de KNBTB opgericht. Door de KNBTB werden daarnaast deskundigen naar Frankrijk en Brazilië gezonden om de emigratiemogelijkheden ter plekke te bestuderen. In beide landen wilde men een vorm van groepsmigratie realiseren om daarmee de sociale en religieuze gevolgen van de emigratie zoveel mogelijk op te vangen. In Frankrijk resulteerde dit in de aankoop van een opleidingscentrum in het Garonnegebied van waaruit boeren geplaatst werden in de omgeving, terwijl in Brazilië een circa vijfduizend hectaren grote ‘fazenda’ werd aangekocht voor de vestiging van een landbouwkolonie. Ondanks deze inspanningen bleek de na-oorlogse emigratiegolf zich echter in een andere richting te bewegen. Canada, Australië en NieuwZeeland werden de voornaamste emigratielanden, waarbij de aantallen emigranten voor Brazilië en Frankrijk door gebrek aan opnamecapaciteit (Brazilië) en gebrek aan belangstelling (Frankrijk) in het niet vielen.
Hoewel de agrarische emigratie het startpunt vormde voor de na-oorlogse emigratie zou het daarbij niet blijven. Ook vele niet-agrariërs gingen emigreren. Vanaf 1950 vormden zij de overgrote meerderheid van het totaal aantal emigranten.9 In navolging van de KNBTB gingen ook de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) en de Katholieke Middenstandsbond (NRKM) ten behoeve van hun leden eigen, diocesaan georganiseerde, emigratiediensten opzetten. Om ook de belangen van katholieke emigranten van niet-agrarische huize te kunnen behartigen, kwam in 1949 op initiatief van de KNBTB de Katholieke Centrale Emigratie-Stichting (KCES) tot stand. In het kader van de in 1952 tot stand gekomen Wet op de organen voor de emigratie werd de KCES erkend als aanmeldingsorgaan, wat betekende dat zij gesubsidieerd werd voor haar voorlichtings- en voorbereidingsactiviteiten en belast met het samenstellen van emigrantendossiers. De KCES voerde dit werk uit tezamen met de (inter-)diocesane emigratiestichtingen, die later opgericht werden ter vervanging of coördinatie van de diocesane emigratiediensten van de standsorganisaties. In de emigratielanden zelf was de KCES betrokken bij de (geestelijke) nazorg van de katholieke emigranten.
Emigreer op een goed kompas2De KCES probeerde te bereiken dat alle katholieke emigranten zouden emigreren onder de hoede van de katholieke organisatie. De titel van deze studie Met kompas emigreren is ontleend aan een affiche van de KCES, getiteld ‘Emigreer op een goed kompas’, waarmee propaganda werd gemaakt voor het katholieke emigratiewerk. Het woord ‘kompas’ in deze leuze heeft betrekking op het feit dat men – zoals we nog zullen zien – de katholieke emigrant niet alleen de kerk wilde meegeven, maar ook de weg wilde wijzen in het land van bestemming.
De emigratiegolf die op gang kwam na de tweede wereldoorlog had een ongekende omvang. In de jaren vijftig was jaarlijks sprake van het vertrekken van enige tienduizenden emigranten naar de toen populaire emigratielanden Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. Een absoluut topjaar was 1952, toen er in lotaa148.690 emigranten naar elders vertrokken door bemiddeling van de erkende emigratie-organen. Vóór 1940 was er hoogstens sprake van het vertrek van enige duizenden emigranten per jaar met als topjaar 1889, toen in totaal 9100 emigranten de oceaan overstaken.10 In de eerste veertig jaren van deze eeuw was 1920 een topjaar met circa zesduizend emigranten. Na een snelle stijging tot 1952 trad er in de jaren die volgden een gestage daling op, die haar dieptepunt vond in 1963 toen er slechts circa 6800 personen emigreerden. Na een lichte stijging in de tweede helft van de jaren zestig bleef het emigratiecijfer in de jaren zeventig schommelen tussen drie- en vijfduizend emigranten per jaar.
De emigratiehausse die zich voordeed in de tweede helft van de jaren veertig en in de jaren vijftig was te zeer een gevolg van de omstandigheden van de eerste jaren na de bevrijding om van blijvende aard te zijn. Daarnaast moeten we niet vergeten dat mede door de zich gelijktijdig voltrekkende industrialisatie een economische groei tot stand kwam die de emigratiedrang verminderde, ondanks de emigratiepropaganda van de zijde van de overheid en de emigratieorganen. Deze economische groei leidde er zelfs toe dat wegens een tekort aan arbeidskrachten in eigen land, in de jaren zestig in Zuid-Europese landen arbeidskrachten werden geworven, waardoor Nederland in de paradoxale situatie kwam te verkeren zowel de emigratie als de immigratie te stimuleren.

Wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de na-oorlogse emigratie dateert vooral uit de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig en werd veelal verricht in opdracht van instellingen die nauw betrokken waren bij de emigratie. Naast aandacht voor de verschillen in emigratiecijfers voor de verschillende regio’s in ons land en de samenstelling van de contingenten emigranten (naar leeftijd, godsdienst, beroep etc.) werd er vooral onderzoek gedaan naar de sociaal-psychologische achtergrond van de emigrant: Welke motieven speelden bij de emigrant een rol om tot de emigratiebeslissing te komen, in hoeverre beschikte de emigrant over sociale bindingen met zijn omgeving (vergeleken met niet-emigranten) en over welke karaktereigenschappen beschikte de na-oorlogse emigrant.11
Een totaaloverzicht van de na-oorlogse emigratie is te vinden in de dissertatie van B.P. Hofstede, Thwarted exodus, die weliswaar al uit 1964 dateert maar die nog steeds kan gelden als het wetenschappelijke standaardwerk over de naoorlogse emigratie. Met het wegebben van de emigratiegolf verminderde ook de wetenschappelijke aandacht voor dit verschijnsel. Pas de laatste jaren valt er weer enige wetenschappelijke aandacht voor deze nog betrekkelijk recente emigratiegolf te bespeuren, hetgeen mogelijk te verklaren is uit de lichte opleving van de belangstelling voor emigratie in de eerste helft van de jaren tachtig. De behoefte van Nederlandse emigratie-instellingen aan recente studies vormde mede de aanleiding voor nieuw onderzoek.12
Over de emigratie van katholieken is echter, afgezien van de bijdragen van Van Stekelenburg,13 waarin met name het accent wordt gelegd op de emigratie naar Noord-Amerika, nauwelijks iets gepubliceerd. Wel geeft Van Stekelenburg aan, dat er nog veel te doen valt op het gebied van de studie naar de emigratie van katholieken in de na-oorlogse periode. Hij schrijft dat “only a limited number of sourees have been made accessible, and a large arnount of material, often unarranged, remains to be catalogued and studied, particularly, newspapers and periodicals”,14 en spreekt daarom de hoop uit dat “within the context of a wider field in emigration studies ( … ) the relative neglect of the Dutch catholic element will be adequately adressed by scholars.”15
Het is dan ook binnen dit kader dat ik met deze studie een poging wil doen deze leemte in het onderzoek naar de emigratie enigszins op te vullen. De vragen die ik mij bij dit onderzoek stel, luiden: Hoe werd in en vanuit katholiek Nederland het emigratiewerk georganiseerd, welke ontwikkelingen deden zich daarin voor en waardoor werden deze beïnvloed? Hoe werd er in katholiek Nederland gedacht over emigratie in het algemeen en de daaraan verbonden godsdienstige en morele aspecten in het bijzonder?

In het eerste hoofdstuk zal een beschrijving worden gegeven van de kenmerken van de na-oorlogse emigratie in het algemeen – voor zover dit van belang is in het kader van deze studie – terwijl in het tweede hoofdstuk zal worden ingegaan op algemene gegevens betreffende de emigratie van katholieken.
In het derde hoofdstuk zal vervolgens het organisatorisch aspect aan de orde komen, waarbij aandacht zal worden besteed aan respectievelijk de RK Emigratievereeniging, de Emigratie-Stichting van de KNBTB, de Katholieke Centrale Emigratie-Stichting en de Katholieke Vereniging( en) voor Ouders en Familieleden van Geëmigreerden, verenigingen die rond 1960 werden opgericht ter verbetering van het contact tussen emigrantenouders onderling en met de geëmigreerden. De paragraaf over de KCES zal eindigen rond 1970 als binnen de drie emigratiecentrales – KCES, de Algemene Emigratie Centrale (AEC) en de Christelijke Emigratie Centrale (CEC)- een discussie gevoerd wordt over een verandering in de opzet van het emigratiewerk, die nodig was geworden door de verminderde emigratie.
In hoofdstuk vier zal aandacht worden besteed aan de godsdienstige en morele aspecten van de emigratie. De visie van de kerk op de emigratie van katholieken zal worden behandeld, alsmede de organisatie van de geestelijke verzorging van emigranten. De nazorg in de emigratielanden zelf zal echter pas ter sprake komen in hoofdstuk zes als daar over de afzonderlijke emigratielanden wordt gesproken. De voorlichting aan en voorbereiding van katholieke emigranten zal behandeld worden in hoofdstuk vijf.
Hoofdstuk zes zal gaan over de afzonderlijke emigratielanden zélf, waarbij aandacht zal worden besteed aan de beoordeling van de emigratielanden vanuit katholieke kringen, de nazorg in het desbetreffende land en andere maatregelen die er werden getroffen ten behoeve van Nederlandse katholieke emigranten. Speciale aandacht zal daarbij uitgaan naar de vestiging van de Nederlandse katholieke landbouwkolonie Holambra in Brazilië, die beschouwd mag worden als het prestige-object van de KNBTB en het katholiek emigratiewerk. Na een hoopvolle start in het najaar van 1948 zat dit project na twee jaar financieel aan de grond. Nadat vanuit Nederland weer nieuwe financiële steun was verleend – gepaard gaande met de nodige interne conflicten – werd de zaak opnieuw op poten gezet. Holambra was in het begin van de jaren vijftig het onderwerp van een publieke discussie.16

Noten

1 H.A.V.M. van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch Roman Catholic Emigrants to North America in the Nineteenth and Twentieth Centuries’, in Herman Ganzevoort, Mark Boekelman (ec.), Dutch Immigration to North America (Toronto 1983), p. 57.

2 R.P. Swierenga, ‘Migratie overzee: een spiegel van de Nederlandse cultuur’, in: De Gids 150(1987), no. 2/3, p. 154.

3 Van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch RC Emigrants’, p. 58.

4 Ibidem.

5 B.P. Hofstede, Thwarted Exodus. Postwar Overseas Migration from the Netherlands (‘s-Gravenhage 1964), pp. 33-34.

6 Verslag van het R.K. Emigratiecongres, gehouden te ‘s-Gravenhage op dinsdag 15 november 1927 (’s-Hertogenbosch 1927), p. 6.

7 Hofstede, Thwarted Exodus, p. 17.

8 Ibidem, p. 30.

9 Ibidem, p. 164.

10 Ibidem, p. 13; voor gedetailleerdee emigratiecijfers, zie: J.H. Elich, P.W. Blauw (red.), Emigreren (Utrecht/Antwerpen 1983), p. 22.

11 Voorbeelden van dergelijk social-psychologisch onderzoek zijn: G. Beyer, N.H. Frijda, B.P. Hofstede, R. Wentholt, Characteristics of overseas migrants (’s-Gravenhage 1961), N.H. Frijda, Emigranten/niet-emigranten (’s-Gravenhage 1960), N.H. Frijda, Emigranten overzee (’s-Gravenhage 1962) en R. Wentholt, Kenmerken van de overzeese emigrant (’s-Gravenhage 1961).

12 Zie bijvoorbeeld: Elich, Blauw, Emigreren; pp. 25-31; J.H. Elich, Aan de ene kant, aan de andere kant: de emigratie van Nederlanders naar Australie (Delft 1987) en het artikel van P.R.D. Stokvis, ‘Nederland en de internationale migratie 1815-1960’, in: F.L. van Holthoon (red.), De Nederlandse samenleving sinds 1815. Wording en samenhang (Assen/Maastricht 1985), pp. 71-92. Elich en Blauw poneren zelfs de stelling dat, indien Canada en Australië geen beperkingen op de immigratie hadden opgelegd, zich wellicht een emigratiepiek zoals in 1952 had voorgedaan (p. 29). Voorbeelden van nieuw onderzoek zijn o.m. J.H. Elich, P.W. Blauw, …En toch terug: een onderzoek naar de retourmigratie van Nederlanders uit Australië, Nieuw-Zeeland en Canada (Rotterdam 1981), H. Kruiter, Inpakken en wegwezen? Een onderzoek naar kenmerken en motieven van emigranten naar Australië, Canada en Nieuw-Zeeland (’s-Gravenhage 1981), H. Hillebrand, Boeren en emigratie (’s-Gravenhage 1989).

13 Van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch RC emigrants’ en Van Stekelenburg, ‘Rooms-katholieke landverhuizers naar de Verenigde Staten’, in: Spiegel Historiael 1291977), pp. 681-689.

14 Van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch RC emigrants’, pp. 67-68.

15 Ibidem, p. 75.

16 Vgl. Mari Smits, Holambra. Geschiedenis van een Nederlandse toekomstdroom in de Braziliaanse werkelijkheid, 1948-1988 (Nijmegen 1990).