Home » Recensies

Category Archives: Recensies

Categorieën

Archief

Meer dan boer alleen

Bisschop, Chantal, Meer dan boer alleen. Een geschiedenis van de landelijke gilden, 1950-1990 (Dissertatie KU Leuven 2012; Leuven: Leuven University Press, 2015, 401 blz., ISBN 978 94 6270 026 0).

In 1990 verscheen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Belgische Boerenbond van de hand van Leen van Molle het boek Ieder voor allen. Hierin beschreef Van Molle uitvoerig het de ontwikkelingen binnen de bond tot na de deconfiture van de Middenkredietkas in 1934. De naoorlogse geschiedenis van de Boerenbond kwam er bekaaid vanaf. Als aanvulling hierop verscheen in 2015 in druk het proefschrift van Chantal Bisschop over de Landelijke Gilden. De focus hierin ligt niet zozeer op de Belgische Boerenbond als agrarische belangenbehartiger, maar op de culturele functie van de bond en het ontstaan en de ontwikkeling van een parallelle organisatie, namelijk de Landelijke Beweging en de Landelijke Gilden.

Terwijl landbouworganisaties in andere Europese landen – zoals in Nederland – zich na 1945 in toenemende mate hebben toegelegd op de behartiging van de economische en landbouwtechnische belangen van de boeren, heeft de Belgische Boerenbond gekozen voor een verbreding van zijn achterban door de niet-agrarische plattelandsbevolking organisatorisch aan zich te binden. Bisschop richt daarbij haar aandacht vooral op de invloed van leden, bestuurs- en personeelsleden op deze organisatorische ontwikkelingen en de betekenis die deze personen hieraan gaven.

Voor Bisschop zijn de organisatiestructuren slechts een deel van het verhaal. Haar gaat het om de mensen die hierin functioneerden. Om dit menselijke verhaal naar voren te brengen heeft ze veel interviews gehouden, die zij gelijkstelt aan de door haar gebruikte schriftelijke bronnen. Overal in het boek zijn fragmenten uit deze gesprekken te vinden. Bij het uitwerken gebruikte Bisschop een poëtische transcriptiemethode waardoor de interviewteksten meer lijken op versregels dan op afgeronde zinnen. Ze lijken daarmee meer op spreektaal en maken het daarmee voor een buitenstaander toch lastiger om de boodschap van haar respondenten te onderkennen.

Een andere invalshoek die Bisschop kiest is die van de sociale bewegingen. Daarbij plaatst zij de door de Belgische Boerenbond in 1971 geïnitieerde Landelijke Beweging te midden van de nieuwe rurale bewegingen. Deze keuze is enigszins discutabel omdat deze beweging in zijn oorsprong geen beweging van onderop was, maar van bovenaf werd geïnitieerd. Toch meende zij dat de Boerenbond, als deel van de oude agrarische beweging zich met de Landelijke Beweging deel ging uitmaken van de nieuwere rurale beweging van het laatste kwart van de twintigste eeuw.

Na een korte schets van de geschiedenis van 100 jaar Boerenbond richt Bisschop zich allereerst op de opkomst van de culturele werking binnen de organisatie in de jaren vijftig en zestig. Hoewel de Kultuurdienst van Hein Nackaerts de boeren probeerde te enthousiasmeren voor sociale en culturele thema’s bleef het culturele werk binnen de Boerenbondsgelederen een randverschijnsel.

In het derde deel, getiteld “Meer dan allen maar boeren” staat de herstructurering van de Boerenbond centraal. Deze aanpassing was het antwoord op drie uitdagingen waar de bond zich gesteld zag: de schaalvergroting in de landbouw die leidde tot een daling van het aantal boeren, de specialisatie binnen land- en tuinbouwbedrijven waardoor de eenheid in de agrarische belangenbehartiging onder druk kwam te staan en de sluimerende onvrede onder de Vlaamse boeren, die leidde tot de opkomst van een concurrerende boerenbeweging. Binnen de Boerenbond bestond de vrees dat dit deze ontwikkelingen zouden leiden tot verlies van macht en (politieke) invloed. Anders dan de Nederlandse landbouworganisaties besloot de Belgische Boerenbond niet enkel aan te koersen op verdere professionalisering van de agrarische belangenbehartiging, maar de deuren open te voor niet-agrarische leden door middel van een parallelle organisatiestructuur: de Landelijke Gilden. Deze gilden waren de voortzetting van de lokale afdelingen, de Boerengilden, maar moesten zich gaan toeleggen op niet-agrarische aangelegenheden.

In de twee laatste delen van het boek staat de ontwikkeling van de Landelijke Gilden en de Landelijke Beweging centraal. Na de vaststelling van de Grondkeure van 1971 was het voor de betrokkenen volstrekt niet duidelijk hoe men inhoud moest geven aan de nieuwe structuren. Op lokaal niveau gingen veel Boerengilden nog jaren op de oude voet voort. Wat de werving van nieuwe leden betreft was men kieskeurig. Er werd vooral gezocht niet-agrarische familieleden en dorpsbewoners die zich nauw met de landbouw verbonden voelden. Men wilde voorkomen dat stedelingen die zich vestigden op het platteland het roer over zouden nemen en de ontwikkeling van de landbouw zouden belemmeren. Rijkssubsidieregelingen, zoals voor het Nederlandstalig sociaal-cultureel vormingswerk en acties voor het behoud van de dorpsschool en het door de Boerenbond geïnitieerde Jaar van het Dorp 1978 gaven uiteindelijk inhoud aan het werk van de Landelijke Gilden. In de jaren tachtig evolueerden de gilden tot een ‘milieubewuste’ plattelandsbeweging die zich met het toe-eigenen van de terminologie van de milieubeweging inzette voor het behoud van het platteland waarin de land- en tuinbouw een onmisbare rol bleef spelen. Hoewel de Landelijke Gilden een product waren van het aanpassingsvermogen van een oude agrarische beweging werden zij uiteindelijk een nieuwe rurale beweging. Of zoals Bisschop haar boek afsluit: ‘de Boerenbond slaagde erin zich als deel van de oude agrarische beweging opnieuw uit te vinden en aspecten van een opkomende nieuwe en voor hem potentieel bedreigende beweging’ – gedoeld wordt op nieuwe sociale bewegingen zoals de milieubeweging – ‘te incorporeren en naar zijn hand te zetten.’

Het boek heeft meerdere verhaallijnen. Naast het historische betoog over het ontstaan en de ontwikkeling van de Landelijke Gilden volgt Bisschop de ontwikkelingen op een lokaal niveau. Zij zoomt in op het Boerengilde van Vivenkapelle, een klein dorp ten noordoosten van Brugge. Rond 1970 was deze afdeling van de Boerenbond op sterven na dood, maar deze maakte door de inbreng van niet-agrarische leden als Landelijk Gilde een metamorfose door. Van 39 leden in 1980 groeide het gilde in de daaropvolgende 25 jaar uit tot een levende vereniging met 123 leden. Hieronder bevonden zich slechts 8 actieve en 11 gepensioneerde boeren. Desondanks bleef het gilde nauw verbonden met de landbouw, want aldus een landbouwer in ruste, het ‘blijven echte boeren van thuis uit.’ De landelijke gilden spraken vooral mensen aan die zich verbonden voelden met de landbouw. ‘Een gemeenschappelijke basis’, aldus Bisschop, is een noodzakelijke voorwaarde voor een ‘sterke en goed draaiende community.’

Met Meer dan boer alleen heeft Bisschop een boek geschreven waarin zij laat zien dat organisaties niet noodzakelijkerwijs ten prooi hoeven te vallen aan marginalisering als de natuurlijke achterban krimpt. In Vlaanderen is de Boerenbond er met de vorming van de landelijke gilden in geslaagd een hoofdrol te blijven spelen op het platteland.

Bewaren

Boeren tussen markt en maatschappij

Boeren tussen markt en maatschappijErwin H. Karel, Boeren tussen markt en maatschappij. Essays over de effecten van de modernisering van het boerenbestaan in Nederland (1945-2012) (Historia Agriculturae 44; Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2013, 216 pp., ISBN 978 90 367 6165 9).

Na 1945 is de Nederlandse landbouw en daarmee ook het Nederlandse platteland ingrijpend veranderd. Kleinere boeren zonder toekomstmogelijkheden beëindigden hun bedrijf, terwijl boeren met groeimogelijkheden hun bedrijfsvoering ingrijpend hebben gemoderniseerd en daarmee agrarisch ondernemer zijn geworden. De ingezette modernisering resulteerde in een industrialisatie van de landbouwsector, die een grote impact had op het hele boerenbestaan, zowel bezien vanuit een economisch, sociaal als ecologisch perspectief. In zijn boek behandelt Erwin Karel aan de hand van zeven thematische essays de doorwerking van deze modernisering op het boerenbestaan. Het boek is geen contemporaine geschiedenis van de Nederlandse landbouw, maar het poogt aan de hand van landbouwkundige literatuur uit de laatste 65 jaar een aantal lijnen te trekken die de naoorlogse veranderingen blootleggen. Het gaat hem daarbij niet enkel om het waarom van de modernisering maar vooral ook om de effecten daarvan.

Als eerste thema behandelt Karel de veranderingen op het Nederlandse platteland. Volgens OESO-normen kent Nederland eigenlijk geen platteland meer; daarvoor is de groene ruimte te zeer verstedelijkt. Bovendien is in sociaal-cultureel opzicht de kloof met de stad steeds kleiner geworden. Hij hanteert daarbij de termen deruralisatie (boeren trokken zich terug op hun bedrijf waardoor hun relatie met hun directe omgeving verminderde) en reruralisatie (het om toeristische redenen herstellen van de oude plattelandsidylle). Onderdeel van de rerulalisatie was het herstellen van de schade die de grootschalige ruilverkaveling had aangericht. Nauw hiermee verbonden is het containerbegrip plattelandsvernieuwing, waarvoor in de loop van de laatste 25 jaar steeds nieuwe definities werden geformuleerd.

Vervolgens richt Karel zich op de opkomst en teloorgang van het Groene Front, het systeem waarin landbouworganisaties, het ministerie van Landbouw en agrarische volksvertegenwoordigers in gezamenlijk overleg het landbouwbeleid bepaalden. Dit samenspannen binnen het Groene Front leidde ook tot een disciplinering van de achterban, waardoor het mogelijk werd een succesvol structuurbeleid, gericht op productieverhoging en kostenverlaging, door te voeren. Uiteindelijk keerde het succes zich in het tegendeel en verbrokkelde het Groene Front. Aangezet door overproductie en milieuschade zag de Nederlandse overheid zich gedwongen om groei in te dammen en onder de boeren impopulaire wetgeving in te voeren. Anderzijds had de modernisering, waaraan de landbouworganisaties mede vorm hadden gegeven, geleid tot het ontstaan van gespecialiseerde, hoog gemechaniseerde bedrijven, waardoor voor boeren en tuinders het voorheen gevoelde gezamenlijke agrarisch belang uit het zicht verdween.

In het hoofdstuk ‘Boer en markt’ laat Karel zien dat na het terugtreden van de overheid bij het stimuleren van de modernisering de landbouwbedrijven uiteenlopende ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Enerzijds zijn boeren gevangen geraakt in een agro-industrieel complex waarin zij slechts een schakel zijn geworden in een productieproces, anderzijds besteedt hij aandacht aan boeren die inhoud hebben gegeven aan de plattelandsvernieuwing. In plaats van groter en moderner zijn boeren vorm gaan geven aan de multifunctionele landbouw, waarin zorg, natuurbeheer, toerisme en verkoop van producten in boerderijwinkels zich ontwikkelden tot nevenactiviteiten, waarvan echter de economische betekenis vooralsnog tegenvalt. Hoofdstuk 5 behandelt het imago van agrarisch Nederland, waarbij Karel de conclusie trekt dat het beeld wat de buitenwereld van de boeren had veel positiever was dan veel boeren dachten. Het zesde hoofdstuk bouwt verder voort op de vermindering van de sociale afstand tussen stad en platteland en legt daarbij de nadruk op veranderingen binnen het boerengezin. De door Wageningse onderzoekers aangejaagde modernisering van het boerenbestaan had grote invloed op het gezinsleven van boeren, maar heeft niet geleid tot het verdwijnen van het gezinsbedrijf zoals vaak is voorspeld. Deze bedrijfsvorm bleek de beste garantie te zijn voor het in standhouden van bedrijfskapitaal dat nodig is voor het voortbestaan van het bedrijf. Uiteindelijk is het, aldus Karel, niet meer dan één van de vele varianten van arbeidsorganisatie binnen een kapitalistisch systeem en is het veel minder een anomalie dan vaak wordt verondersteld.

Hoofdstuk 7 behandelt na een terugblik op de naoorlogse emigratie, de recente emigratie van boeren. Vanaf 1990 zijn veel boeren uitgeweken naar andere Europese landen omdat hun bedrijf daar betere groeikansen zou hebben en zij minder belemmerd zouden worden door toegenomen regeldruk. Tegelijkertijd ontwikkelde zich naast de klassieke boerenemigrant een nieuw fenomeen: de semigrant. Dit zijn boeren die nieuwe bedrijven stichten elders in de wereld, maar tegelijkertijd hun bedrijf in Nederland handhaafden, met name voor de afzet van elders geproduceerde land- en tuinbouwproducten. Hoofdstuk 8 behandelt de moeizame relatie van de boer met het milieu. Karel brengt daarmee de keerzijde van het naoorlogse moderniseringsbeleid in kaart en laat zien hoe de overheid na 1975 getracht heeft de negatieve gevolgen van dit beleid (gebruik van bestrijdingsmiddelen en de negatieve gevolgen van de bioindustrie) terug te dringen. Ook laat hij zien dat veel boeren er niets voor voelden om op te treden als ‘parkwachter’.

Aan het einde van het boek worden de hoofdlijnen uit de zeven thematische essays samengebracht in een slotbeschouwing. De modernisering die in de jaren vijftig en zestig werd geïnitieerd door Den Haag en Wageningen, werd vanaf de jaren tachtig een proces dat werd gevoed door de markt en het neoliberale economisch denken. De voorspelling dat het gezinsbedrijf op den duur zou verdwijnen, is niet uitgekomen. Juist het gezin, met meewerkende echtgenote en kinderen, was in staat de steeds kapitaalsintensiever wordende bedrijven overeind te houden en economische tegenvallers op te vangen. Dat technologische vernieuwing van de agrarische sector nodig blijft, staat voor Karel vast. Tegelijk staat de landbouw nog steeds voor de uitdaging de ecologische effecten van het moderniseringsproces in kaart te brengen. Dit is tot dusverre nog onvoldoende gebeurd.

Met Boeren tussen markt en maatschappij heeft Erwin Karel de lezer door middel van zeven essays meegenomen in een aantal ingrijpende veranderingen die de agrarische sector en het Nederlandse platteland sinds 1945 heeft ondergaan. Een duidelijke conclusie heeft het boek niet, maar na 194 bladzijden heeft de lezer kennis genomen van een aantal opvallende trends. Jammer is dat het boek snel veroudert. De meeste hoofdstukken zijn in 2010 en 2011 geschreven en vervolgens vrijwel ongewijzigd in 2013 gepubliceerd. Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld dat op pagina 170 wordt stilgestaan bij het aantreden van Henk Bleker als staatssecretaris van Landbouw, die een streep zette door het tot dan toe gevoerde natuurbeleid. Karel vermeldt echter niet dat eind 2012 er weer een nieuw kabinet is aangetreden. Verder bevat het boek overal storende tikfouten, waardoor het de indruk wekt zonder grondige eindredactie te zijn gepubliceerd. Een actualisering en eindredactie kort voor publicatie had de waarde van het boek aanzienlijk kunnen verhogen. Jammer.

Verschenen als webrecensie in BMGN – Low Countries Historical Review | Volume 129-4 (2014) | review 94

Het Groene Front voorbij

Groene FrontDaniël Broersma, Het groene front voorbij. De agrarische belangenbehartiging door LTO Nederland 1995-2005 (Historia Agriculturae 43; Groningen, Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2010, 184 pp., ISBN 978 90 367 4644 1).

In 1995 ging Land- en Tuinbouworganisatie Nederland van start als de nieuwe landelijke koepel voor de behartiging van de belangen van agrarisch Nederland. Zij was het resultaat van een fusieproces, waarbij de oude verzuilde landbouworganisaties plaats maakten voor nieuwe landelijke en regionale organisaties. In Het groene front voorbij beschrijft Broersma wat er tijdens en na de fusie gebeurde met de agrarische belangenbehartiging. Bij de start van LTO Nederland was al duidelijk dat de fusie nog vele open einden had. Dat dit zou resulteren in tien jaar onderlinge machtsstrijd en een bijna-ondergang van LTO Nederland was natuurlijk niet te voorzien. Het gevolg was wel dat Broersma een boek kon schrijven over een organisatie die maar niet goed van de grond kwam en die moest functioneren in een werkterrein dat van alle kanten (de kritische achterban, de samenleving, veranderend beleid vanuit Den Haag en Brussel) onder druk stond.

Het boek is ingedeeld in vier hoofdstukken, waarbij in twee (het eerste en het laatste) de interne ontwikkelingen binnen LTO Nederland centraal staan en twee hoofdstukken ingaan op de agrarische belangenbehartiging. De keuze om de crisis binnen LTO Nederland als slothoofdstuk te beschrijven lijkt vanuit de optiek van de opdrachtgever wellicht logisch, maar voor de lezer zou het prettiger zijn geweest om eerst de organisatiegeschiedenis van het begin tot het eind te volgen om daarna de aandacht te richten op de belangenbehartiging.

Hoe dan ook, het hoofdstuk ‘Fusie of federatie?’ begint met het fusieproces waaruit op 1 januari 1995 LTO Nederland voortkwam. Als aanjagers voor dit proces noemt Broersma de schaalvergroting in de landbouw – wat resulteerde in dalende ledentallen en daarmee ook minder inkomsten –, toenemende specialisatie in de agrarische sector en afnemende politieke invloed. Hoewel het laatste pas echt manifest werd toen in het voorjaar van 1994 de eerste fusiestappen werden gezet, maakte het dramatische verlies van het CDA en de vorming van het eerste paarse kabinet duidelijk zichtbaar dat de invloed van de landbouworganisaties op de politiek niet meer vanzelfsprekend was. Op dat moment konden de drie verzuilde centrale landbouworganisaties – Nederlands-Christelijke Boeren- en Tuindersbond (NCBTB), Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) en Koninklijk Nederlands Landbouw-Comité (KNLC) – er niet langer meer om heen dat op regionaal niveau het proces van schaalvergroting al in volle gang was en dat de organisatie op levensbeschouwelijke grondslag zijn langste tijd had gehad. Nadat in maart 1994 het NCBTB-hoofdbestuur te kennen gaf dat het een samengaan niet langer zou blokkeren, ging het snel. Binnen negen maanden werd zowel landelijk, regionaal als plaatselijk een nieuwe organisatiestructuur opgezet. Naar later bleek (zoals beschreven in het slothoofstuk ‘Een reus op lemen voeten’) bleef bij de start in 1995 een aantal organisatorische vraagstukken onbeantwoord. Ten eerste de vraag welke rol de sectoren (tuinbouw, akkerbouw, melkveehouderij, varkenshouderij etc.) en hun organisaties binnen de nieuwe koepel LTO Nederland zouden spelen en hoe de sectoren zich zouden verhouden tegenover de regionale organisaties die traditioneel de basis vormden van de landelijke organisaties. Pogingen om de koepel via ‘kanteling’ een sterker sectoraal profiel te geven liepen uiteindelijk op niets uit. Nauw daarmee verbonden was het centralisatiestreven van de LTO-top om een financieel gezonde organisatie op touw te zetten die daadkrachtig zou kunnen opereren. Dat dit niet gelukt is, wijt Broersma aan het feit dat de top onvoldoende rekening hield met de rijke Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) die als rechtsopvolger van de Noord-Brabants Christelijke Boerenbond (NCB) nauw verweven was met de agro-industrie, en met het autonomiestreven van de glastuinbouw. Het is jammer dat het boek eindigt in 2005, kort na het uiteenvallen van het ‘oude’ LTO Nederland. Naar mijn optiek was het beter geweest als ook de herstart van het op regionale basis gestoelde ‘nieuwe’ LTO Nederland aan bod had kunnen komen.

In de tussenliggende hoofdstukken 3 en 4 staat de rol van LTO Nederland als belangenbehartiger centraal. Het derde hoofdstuk behandelt de afhandeling van de schade na de wateroverlast langs de grote rivieren in januari 1995. De kersverse organisatie bevond zich in een lastig parket tussen enerzijds het ministerie van Landbouw dat niet verder wilde gaan dan 65% en het door Wien van Brink geleide Actiecomité 100% dat met protestacties de toon zette. Door zich te presenteren als de beschaafde gesprekspartner slaagde LTO erin voor de getroffen boeren een vergoeding van bijna 100% in de wacht te slepen. Het vierde hoofdstuk maakt duidelijk hoe lastig het voor LTO was om uiteenlopende belangen uit te dragen in Den Haag en Brussel. De veranderingen in het Europese landbouwbeleid waren voor de ene sector bedreigend maar boden voor een andere bedrijfstak juist kansen. LTO koos daarom voor een gedifferentieerde lobbyvoering. In het hoofdstuk komen ook aan bod de externe druk om een dier- en milieuvriendelijke productie te realiseren, het streven naar samenwerking met niet-agrarische maatschappelijke organisaties en de verbetering van het imago van de landbouwsector. Inzake de mestproblematiek voerde LTO Nederland een achterhoedegevecht. Pogingen om aanscherping van de nationale richtlijnen te voorkomen, liepen op niets uit, maar werden op hun beurt vervangen door nog scherpere Brusselse normen.

Het groene front voorbij is het ontluisterende verhaal over de eerste tien jaar van een nieuwe organisatie die in meerdere opzichten geboren werd onder een ongunstig gesternte. Gebrek aan eenheid onder de achterban, onopgeloste organisatorische kwesties en het ontbreken van een eenduidige boodschap richting de achterban en de politiek brachten de jonge organisatie in 2005 aan de rand van de afgrond. Omdat het boek eindigt kort na de crisis in dat jaar en de bij LTO betrokken (ex-)bestuurders nog niet in staat waren tot reflectie, is het zeker niet het definitieve boek over LTO Nederland. Mocht zich in de toekomst een nieuwe gelegenheid voordoen, dan lijkt het me zinvol om de eerste tien bewogen jaren van de organisatie in een breder perspectief te plaatsen.

Eerder verschenen als webrecensie in BMGN – The Low Countries Historical Review 127 no. 4 (2012), review 88.

Twee oorlogspremiers

Cort van der LindenJohan den Hertog, Cort van der Linden (1846-1935). Minister-president in oorlogstijd. Een politieke biografie (Amsterdam: Boom, 2007, 901 blz., € 49,50, ISBN 978 90 8506 499 2)

Henk van Osch, Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president (Amsterdam: Boom, 2007, 549 blz., € 35,-, ISBN 978 90 8506 421 3)

In betrekkelijk korte tijd verschenen biografieën van zes Nederlandse minister-presidenten, die samen een belangrijk deel van de politieke geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw bestrijken. Terwijl de door Hans Daalder en Jelle Gaemers geschreven reeks over Willem Drees zijn voltooiing nadert en de stof die Jeroen Koch’s portret van Abraham Kuyper heeft doen opwaaien nog maar net is neergedwarreld, verschenen afgelopen jaar ook twee boeken over Joop den Uyl en Dries van Agt. In deze bijdrage sta ik stil bij twee premiers die in die functie het uitbreken van een wereldoorlog hebben meegemaakt: Pieter Cort van der Linden en Dirk Jan de Geer. In hun biografieën stellen de auteurs Johan den Hertog en Henk van Osch zich onder meer ten doel na te gaan waarom het oordeel over hun hoofdpersonen zo uiteenlopend waren. Terwijl Cort van der Linden in zijn laatste levensjaren en ook nadien algemeen gewaardeerd werd om het feit dat hij erin geslaagd was Nederland buiten de Eerste Wereldoorlog te houden, werd De Geer gezien als een landverrader waardoor zijn eerdere verdiensten als politicus nauwelijks voor het voetlicht werden gebracht.

Als we de twee oorlogspremiers met elkaar vergelijken, vallen op de eerste plaats enkele opvallende overeenkomsten op. Beiden waren van gegoede komaf en golden als kenners van het staatsrecht en volkenrecht. Bovendien waren beiden mentaal op Duitsland georiënteerd, hetgeen zich bij Cort van der Linden uitte in het feit dat hij zich liet inspireren door Duitse rechtsfilosofen en bij De Geer in zijn voorkeur voor vakanties in Duitsland. Ten slotte slaagden beiden erin (De Geer zelfs twee keer) om regeringen tot stand te brengen op een moment dat er in de Tweede Kamer geen werkbare meerderheid voorhanden was. Bovendien slaagden hun regeringen- het tweede kabinet-De Geer (1939-1940) laat ik even buiten beschouwing- erin de volle termijn uit te zitten.

De GeerDe belangrijkste overeenkomst tussen beiden is hun volkenrechtelijke oriëntatie. Voor Cort van der Linden vormde het volkenrecht het richtsnoer van zijn neutraliteitspolitiek tijdens de Eerste Wereldoorlog. “Wie zich beroept op het recht, laat zich niet leiden door eenige partijdigheid, en bovendien, indien men vasthoudt aan het recht, waar het recht van alle zijden wankelt, staat men niettemin sterk.” (De Hertog, p. 407) Zijn inzet tijdens de Haagse vredesconferenties aan de het begin van de twintigste eeuw en na afloop van de Eerste Wereldoorlog was internationale samenwerking op basis van gelijkwaardigheid en het beslechten van geschillen. “Laten wij het internationalisme op den voorgrond stellen, het nationalisme slechts zoover eerbiedigen als noodzakelijk is” (idem, p. 696). Hij was daarom ook kritisch op de Volkenbond, die in zijn ogen deel uitmaakte van het traktaat dat de overwinnaars aan de overwonnenen oplegden.

De Geer, die Cort van der Linden bewonderde omdat deze tijdens de Eerste Wereldoorlog “het schip van staat behendig tussen de klippen door loodste” (Van Osch, p. 65), was aanmerkelijk positiever over de Volkenbond. In zijn ogen was de organisatie een opstap naar een internationale statenorganisatie die nationale bewapening overbodig zou maken. Hoewel De Geer uitdrukkelijk een afkeer van oorlog had, was hij – anders dan veel tijdgenoten – geen antimilitarist. De neutraliteit moest met wapens verdedigd worden. Hij probeerde slechts het juiste midden te vinden, aldus Van Osch. Een internationale bewapende macht zou de rechtsorde moeten handhaven en zo lang dit niet was gerealiseerd, mocht en moest een land zich bewapenen. De Geers tragiek is echter dat hij door zijn afkeer van oorlog blind werd voor het naderende onheil. Terwijl Cort van der Linden het volkenrecht kon blijven hanteren als basis voor zijn neutraliteitspolitiek, viel De Geer’s wereldbeeld op 10 mei 1940 in duigen. Het ontbrak hem aan de geestelijke spankracht om een nieuwe houding te bepalen in de gewijzigde internationaal-politieke verhoudingen.

Voor het overige komen uit de beide biografieën vooral de verschillen tussen beide oorlogspremiers naar voren. Den Hertog beschrijft de loopbaan van de man die in 2002 door de leden van de Eerste en TWeede Kamer werd uitgeroepen tot de beste premier van de twintigste eeuw en die ook tijdens zijn laatste levensjaren bij voortduring geprezen werd. Hiervoor had hij bijna 900 pagina’s nodig, waarmee Den Hertog veel van zijn lezers vergt. Desondanks is het geen volledige levensbeschrijving. Over Cort van der Lindens privé-leven komen we door het ontbreken van bronnen maar weinig te weten. Omdat de nadruk ligt op diens politiek handelen en zijn voorafgaande wetenschappelijke loopbaan, noemt Den Hertog zijn boek een politieke biografie. De waarde van deze biografie ligt vooral in het feit dat hij inzake Van der Linden’s neutraliteitspolitiek uitvoerig onderzoek heeft gedaan in de diplomatieke archieven van de oorlogvoerende landen. Zijn boek vormt daarmee een belangrijke bijdrage aan het onderzoek naar de positie van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Den Hertog toont aan dat de Nederlandse neutraliteit niet gelijkstond met afzijdigheid of passiviteit. Gestoeld op het volkenrecht voerde Van der Linden samen met zijn minister van Buitenlandse Zaken J. Loudon een actieve politiek om de oorlogvoerende buurlanden te overtuigen van het voordeel van een neutraal Nederland. Den Hertog laat zien dat zij daarbij moesten balanceren op een dun koord waarbij het risico dat het alsnog mis zou gaan levensgroot aanwezig was. Wat betreft de binnenlandse politiek wordt uitvoerig ingegaan op de inspanningen van Cort van der Linden om twee politieke impasses, het realiseren van algemeen kiesrecht en de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs, te doorbreken. Den Hertog bestrijdt nadrukkelijk dat hiermee politieke koehandel is bedreven, door te stellen dat Cort van der Linden beide zaken gescheiden presenteerde, waarbij de belangen van de confessionelen en liberalen niet tegengesteld aan elkaar waren. “De witte tovenaar uit het land van Zoetekoekandia”, aldus Colijn, slaagde er door zijn vertrouwenwekkende uitstraling in om politieke tegenstanders op één lijn te krijgen.

Van Osch’ biografie lijkt vooral te zijn geschreven om De Geer waar mogelijk te ontdoen van het negatieve oordeel dat hem ten deel viel door zijn terugkeer naar bezet Nederland en zijn brochure De synthese in den oorlog uit 1942. In het boek worden De Geers verdiensten voor de Nederlandse politiek naar voren gebracht, zonder daarmee afbreuk te doen aan diens falen tijdens de oorlogsjaren. Net als Den Hertog slaagt ook Van Osch er niet in om De Geer als privé-persoon goed voor het voetlicht te krijgen. Hoewel De Geer anders dan Cort van der Linden wel een persoonsarchief naliet, biedt dit archief onvoldoende aanknopingspunten om een afgewogen oordeel over De Geer te kunnen vellen. Zijn dagboek laat alles wat van belang is onbesproken en wat hij naliet, is zeer eenzijdig. Zijn archief bevat vooral correspondentie en krantenknipsels van waarderende aard; kritische stukken over hemzelf ontbreken. De Geer stelde partij- en tijdgenoten keer op keer voor een verrassing door zijn persoonlijke motieven achter te houden. De voormalig huisarts Van Osch probeert dit onberekenbare gedrag van zijn patiënt te doorgronden door het aanreiken van een psychologisch perspectief. Faalangst, twijfel en zelfonderschatting lijken de belangrijkste drijfveren te zijn geweest voor De Geers handelen. Hoewel het waarschijnlijk onmogelijk is om dieper door te dringen in de persoon De Geer, zijn mijns inziens de mogelijkheden om meer naar boven te halen over diens publieke optreden niet ten volle benut. Een blik in het notenapparaat leert dat Van Osch zich vooral baseert op secundaire literatuur. Onderzoek in het partijarchief van de CHU, het uitvoerig bestuderen van de partijbladen van de CHU, zoals het dagblad De Nederlander en uitvoeriger onderzoek in de handelingen van de Tweede Kamer zullen ongetwijfeld meer opleveren. Onderzoek in de archieven van de oorlogvoerende mogendheden, zoals Den Hertog heeft gedaan voor zijn biografie over Cort van der Linden, kunnen wellicht ook verrassende inzichten opleveren over de minister-president die zijn levensavond moest slijten met mislukte pogingen tot eerherstel.

Eerder gepubliceerd in Transparant jrg. 20, no. 4  (2009), pp. 31-32.

Boeren aan de macht?

Boeren aan de machtPiet van Cruyningen, Boeren aan de macht? Boerenemancipatie en machtsverhoudingen op het Gelderse platteland, 1880-1930 (Hilversum: Verloren, 2010, 327 p., € 30,-. ISBN 978 90 8704 2028).

Politieke geschiedenis is in Nederland vooral een stedelijke aangelegenheid. Over de politieke machtsverhoudingen op het platteland, en de rol die de boeren daarin hebben gespeeld, is tot dusverre weinig gepubliceerd. Niet alleen politieke historici, maar ook landbouwhistorici hebben dit vraagstuk genegeerd. Hoewel zij, net als Van Cruyningen, in de regel kozen voor een regionale aanpak, lag hun focus tot nu toe vooral op de agrarische productie en de economische geschiedenis van het platteland. Het boek Boeren aan de macht? laat nogmaals zien dat de laatste jaren aan de Wageningse universiteit ook meer aandacht komt voor de sociale, culturele en politieke verhoudingen op het platteland.

In het boek wordt de agrarische machtsvorming tussen 1880 en 1930 in Gelderland onderzocht, een provincie met grote verschillen in landbouwkundig en religieus opzicht. Na drie hoofdstukken waarin respectievelijk de ontwikkelingen op het Gelderse platteland, de politieke verhoudingen op provinciaal niveau, en de groei van het landbouwverenigingsleven in de provincie centraal staan, wordt in de navolgende drie hoofdstukken de focus gericht op drie gemeenten met een uiteenlopende economische, sociale en religieuze structuur: het liberaalgezinde Vorden, het orthodox-protestantse Ede en het religieus-gemengde Elst.

Als we de kernvraag van Van Cruyningen – hoe onder invloed van eenwording, verzuiling en partijvorming de sociale en politieke verhoudingen op het Gelderse platteland veranderden en of dit geleid heeft tot een emancipatie van de boerenbevolking – na lezing van zijn boek moeten beantwoordden dan leidt dit tot een negatief antwoord. In de provinciale politiek werd de landbouw aanvankelijk vooral vertegenwoordigd door adellijke grondeigenaren. Na 1919 – de eerste verkiezing volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging – was hun rol nagenoeg uitgespeeld. Het aloude herenkarakter van de politiek verdween, maar de boeren profiteerden daar niet van. Middenstanders en professionals namen het heft over. Op het niveau van de gemeentelijke politiek speelden de boeren wel een hoofdrol, hoewel het dan vooral ging om grote boeren. Toen ook zij na 1919 het veld moesten ruimen, slaagden kleinere boeren er slechts ten dele in om hun plaats over te nemen. De conclusie is dan ook dat de boeren er blijkbaar niet in zijn geslaagd meer macht te genereren.

Interessanter dan de veranderingen in de politiek zijn mijns inziens de sociale veranderingen. In 1880 was de Geldersche Maatschappij van Landbouw (GMvL) de enige landbouworganisatie in de provincie met een uitgesproken elitair karakter. In veertig jaar tijd maakte deze organisatie een sterke groei door en werd een echte boerenorganisatie. Het waren wel vooral de grotere boeren die zich organiseerden in de GMvL. Daarnaast ontstond in 1896 de Provinciale Geldersche Boerenbond (PGB), die zich weliswaar sterk afzette tegen het herenkarakter van de GMvL, maar zelf aanvankelijk ook geleid werd door ‘heren’ en grote boeren. Dankzij de lage contributie en de coöperatieve activiteiten die de PGB ontplooide, slaagde de bond erin om veel kleine boeren aan zich te binden. De omzetting van de interconfessionele PGB in de katholieke Aartsdiocesane R.K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB) en de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB), betekende een ernstige verzwakking. Uitgerekend in de Liemers, de bakermat van de boerenbonden, was de achteruitgang in ledental sterk. Veel katholieke boeren weigerden gehoor te geven aan de ‘uitdrukkelijke wens’ van de bisschoppen. Naast de afdelingen van de GMvL en de boerenbonden, kwamen overal in Gelderland dorpslandbouwverenigingen en coöperaties tot ontwikkeling, die een belangrijke rol gingen spelen bij de ontwikkeling van het boerenbedrijf. Zij zorgden voor gezamenlijke aankoop van veevoer en meststoffen, leverden krediet, verwerkten de melk, en verzorgden de afzet van tuinbouwproducten. Van Cruyningen toont aan dat vooral het beschikbaar zijn van informatie – veelal afkomstig van actieve onderwijzers zoals G.J. Bieleman uit Vorden – de snelheid bepaalde waarmee coöperaties werden opgericht en konden uitgroeien tot succesvolle organisaties.

De lokale casestudies tonen verder aan dat er op lokaal niveau amper sprake was van verzuiling. Alleen in Elst werd een katholieke zuil gevormd, hoewel ook hier katholieke tuinders deelnamen aan de algemene Veilingvereniging Overbetuwe. Speelde in katholieke streken de geestelijkheid een grote rol bij het ontstaan van landbouworganisaties en coöperaties, daarbuiten waren het vooral sociaal-liberalen die het initiatief namen. Protestanten – ook de meer activistisch ingestelde gereformeerden – hielden zich goeddeels afzijdig en volgden veelal door liberale notabelen ontplooide initiatieven.

Kortom, hoewel zijn kernvraag negatief beantwoord moet worden, heeft Van Cruyningen een interessante studie geschreven over de rol van de Gelderse boeren in de plattelandssamenleving. Niet alleen voor politieke maar ook voor sociale historici biedt het boek voldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek. Wellicht kan dat onderzoek uitwijzen dat verzuiling vooral een nationaal verschijnsel was, waarvan op lokaal niveau maar weinig is terug te vinden. Het zou dan ook interessant zijn de door Van Cruyningen gehanteerde aanpak toe te passen op andere provincies en daarbij vooral meer casestudies te doen.

Eerder verschenen als webrecensie in BMGN – The Low Countries Historical Review 127 no. 1 (2012), review 4.

Religieuze emigratieculturen

EmigratiecultuurEnne Koops, De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963). Hilversum: Verloren, 2010. Passage Reeks 36. 416 blz., € 39,-. ISBN 978-90-8704-155-7.

De geschiedschrijving over de overzeese emigratie naar Noord-Amerika richtte zich tot dusverre vooral op de periode 1840-1940. Over de naoorlogse emigratie zijn, afgezien van belangrijke deelstudies, nog geen grote overzichtswerken verschenen. Het boek van Enne Koops is het eerste dat in deze leemte wil voorzien. Hoewel Koops zich op de eerste plaats richt op de religieuze factor in de naoorlogse emigratie, biedt hij inzicht in de grote betekenis die deze landverhuizing had in de geschiedenis van Nederland na 1945. Een andere verdienste is het dat hij poging doet om een brug te slaan tussen twee historiografische tradities: de Nederlandse waarin vooral de vertreksituatie centraal staat en de Noord-Amerikaanse waarin vooral de aankomst, opvang en integratie van emigranten wordt beschreven. Koops behandelt beiden en besteedt bovendien aandacht aan schakel tussen beiden: het vervoer overzee en vooral de betekenis van de geestelijke begeleiding aan boord.

De kern van het boek handelt over het religieuze aspect van het emigratieproces, waarbij zijn focus vooral ligt op de gereformeerde gezindten, die in 1947 reeds konden bogen op een emigratietraditie van 100 jaar. Andere gezindten, zoals de katholieken en hervormden, komen in het boek ook voor, maar dienen vooral als controlegroepen. Kernbegrip in zijn boek is het al of niet aanwezig zijn van een ‘emigratiecultuur’, dat hij omschrijft als ‘de aanwezigheid van ervaringen binnen een culturele groep en de omzetting daarvan in positieve of negatieve actie’. Als bouwstenen voor deze emigratiecultuur merkt Koops aan de aanwezigheid van een emigratietraditie, beeldvorming en de organisatie van de landverhuizing. Omdat de gereformeerden uit de Gereformeerde Kerken in Nederland konden bogen op een honderdjarige emigratietraditie, positief stonden over emigratie en konden beschikken over een goed georganiseerd netwerk in Nederland en overzee, is het logisch om te concluderen dat zij een sterke emigratietraditie hadden. Dat neemt echter niet weg dat met name de katholieken, die direct na de oorlog nog niet beschikten over een emigratiecultuur, meer dan de gereformeerden, samen met de socialisten vorm hebben gegeven aan het naoorlogse actieve emigratiebeleid. Hoewel in hun opvattingen over emigratie na 1945 bescherming tegen mogelijk geloofsafval centraal bleef staan en hun netwerk in Canada zwak bleef, slaagden zij er wel in om toch een emigratiecultuur op te bouwen, vooral dankzij de aanwezigheid van diverse Nederlandse religieuzen in Australië en Nieuw-Zeeland. De gereformeerden konden daar daarentegen niet voortbouwen op een reeds bestaand netwerk.

Koops wijt de oververtegenwoordiging van de synodaal gereformeerden in de naoorlogse emigratie naar Noord-Amerika vooral aan de sterke emigratiecultuur binnen hun kerkgemeenschap. Daarmee ligt de vooronderstelling op de loer dat de religieuze factor een bepalende rol zou hebben gespeeld bij de beslissing om te vertrekken. Ik ben ervan overtuigd dat economische, sociale en politieke factoren (de dreiging van het communisme) een veel belangrijkere rol hebben gespeeld. Om vooral de economische en landbouwkundige factoren beter uit te lichten is meer onderzoek nodig naar regionale verschillen. Daarbij moet echter – anders dan Koops doet met zijn vergelijking tussen de synodaal gereformeerden in de Drenthe en de bevindelijk gereformeerden in de Zeeland – meer gelet worden op de situatie in de landbouw. Dit betekent dat er meer moet worden gelet op verschillen in de agrarische bedrijfsstructuur in de onderscheiden delen van het land en er aandacht moet worden besteed aan het probleem van de jonge boeren op de zandgronden. Wil men regio’s vergelijken aan de hand van een verschillende religieuze samenstelling, dan dient de landbouwkundige situatie van die regio’s met elkaar overeen te komen. Omgekeerd kan men ook twee gereformeerde regio’s met verschillen in grondsoort en bedrijfsstructuur met elkaar vergelijken.

Koops toont verder aan de aanwezigheid van een sterke emigratiecultuur en een goed overzees netwerk niet noodzakelijkerwijs een garantie hoeft te zijn dat gereformeerden zich blijvend aansluiten bij de zusterkerken van de Christian Reformed Church. Veel gereformeerden kozen er uiteindelijk voor om ook in kerkelijk opzicht met een schone lei te beginnen en afscheid te nemen van de religieuze spanningen die de vrijmaking binnen hun kerkgemeenschap had veroorzaakt. Kortom, ook de gereformeerden konden hun geloofsgenoten niet behoeden voor kerkverlating, de activiteiten van de fieldmen en home missionaries ten spijt!

Eerder gepubliceerd op www.protestant.nl

Boeren in Nederland

Boeren in Nederland

Jan Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw, 1500-2000. Amsterdam: Boom, 2008. 672 pp., €39.00, hardback, ISBN 978-90-8506-540-1.

Bieleman’s book is a revised and enhanced version of his 1992 publication Geschiedenis van de landbouw in Nederland, 1500-1950. The book is intended to be a manual of Dutch agricultural history of the last five hundred years. In his original version he presented this history in three periods: 1500-1650, 1650-1850, and 1850-1950. In his new edition, Bieleman has added a fourth chapter about the last fifty years of the twentieth century entitled “Farming Becomes Agribusiness.” The preface of this new chapter contains the story of the rapid changes that Dutch agriculture has undergone thanks to mechanization and the opening of new markets as a result of the introduction of the European common market. Bieleman also includes some problems Dutch agriculture faced at the end of the twentieth century: production surpluses and environmental concerns.

Whereas he ends his 1992 version with the challenges Dutch farming faced at that moment and a sketch of some new perspectives for the future of agriculture, in his new version Bieleman just ends with a brief outline of five centuries of Dutch farming. His presentation of the history of agriculture as a process of modernization neglects some interesting developments that will define the way the countryside will be structured in the twenty-first century. Apart from high-tech farms producing in bulk, there are ecologically friendly farms that raise sustainable products for consumers who criticize traditional agriculture. Other new trends are the combination of farming and tourism and of farming and care (for example mentally challenged persons). As a result of the decline of the agricultural population, farmers are no longer the main inhabitants of the countryside, and different forms of recreational farming (such as the breeding and keeping of horses) have become important.

In Bieleman’s perspective, the history of agriculture is first the history of production. In his four chapters he presents the developments within the different sectors of agriculture and horticulture. We read about the growth and decline of different types of products and changes in the way farmers produce them. We do not read anything about farm life and are given only a few phrases on the trends in agricultural policy and the way farmers organized themselves. A complete manual on agricultural history is not only a history of the production, but should also be a story about the producers and their physical environment. Bieleman has written an important book about agriculture in the Netherlands in the last five hundred years, but I hope that someone will write a complete history of the Dutch countryside in the future.

Eerder verschenen in Agricultural History 84, no. 1 (2010), pp. 120-121.

Paardensport in België

GroteVolteWoestenborghs, B., De grote volte. Geschiedenis van de landelijke rijverenigingen (Leuven: Davidsfonds, 2007, 199 blz., €29,95, ISBN 978 90 5826 503 6).

Over de geschiedenis van de paardensport zijn tot dusverre nog weinig historische studies verschenen. In een tijd waarin op het Nederlandse en Vlaamse platteland steeds minder ruimte is voor productielandbouw en de ‘verpaarding’ steeds grotere vormen aanneemt, is er alle reden om terug te blikken op de rol van het paard in de plattelandssamenleving. Analoog aan een in 2004 verschenen gedenkboekje over de Nederlandse landelijke rijverenigingen wordt ook in De Grote Volte de ontwikkeling van een boerensport tot een volkssport beschreven.

De geschiedenis van de landelijke ruiterij in Vlaanderen begint in het midden van de jaren dertig toen in het Westvlaamse Boezinge de jonge onderpastoor André De Mey het initiatief nam voor de oprichting van een afdeling van de Boerenjeugdbond (BJB). Op zijn aandringen manifesteerden de jonge boeren zich met het paard en slaagde hij erin de vaders van zijn BJB-leden te overtuigen om hun zonen op zondag op stap te laten gaan met hun werkpaard. De publiciteit rond het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard in 1937, waarbij boerenzonen te paard, verenigd in rijverenigingen een prominente rol speelden, waren voor De Mey de reden om zijn licht op te steken in Nederland. Hij kwam in contact met de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) die hem voorzag van informatie over de werking van de Nederlandse rijverenigingen. Binnen BJB-verband begon De Mey eind 1937 met spring- en dressuuroefeningen en in 1938 werd het eerste concours hippique (‘ruiterfeest’) georganiseerd. Deze initiatieven vonden al snel navolging in de nabije omgeving en ook bij het BJB-secretariaat in Leuven.

Na de Tweede Wereldoorlog groeiden de landelijke rijverenigingen (LRV) uit tot een brede beweging die geheel Vlaanderen omvatte. Woestenborghs schetst daarbij de uitbouw van de beweging, waarbij hij vooral stilstaat bij de centrale rol van De Mey, de relatie met de BJB – later Katholieke Landelijke Jeugd (KLJ) – en de Belgische Boerenbond en de professionalisering. Werd er rond 1950 nog gereden op landbouwpaarden en nog zonder uniformen, met de oprichting van een fokvereniging en de introductie van speciale kleding kreeg de modernisering gestalte. Deze werd nog verder versterkt door de mechanisering van de landbouw, waardoor het werkpaard van de boerderij verdween en het aantal agrarische arbeidskrachten sterk verminderde. De LRV ging met zijn tijd mee en stelde het lidmaatschap ook open voor gehuwde ruiters, niet-agrarische ruiters en vanaf 1965 ook voor meisjes en vrouwen. In de jaren zeventig werd de landelijke ruiterij nog verder uitgebreid met ponyclubs, bedoeld voor kinderen die vanaf de leeftijd van 16 jaar dienden over te gaan naar de ruiterij. Ondanks alle veranderingen in organisatie en samenstelling van het ledenbestand bleef de LRV trouw aan twee uitgangspunten: laagdrempeligheid en de nadruk op het ontspanningselement. Wie zich wilde gaan toeleggen op de wedstrijdsport, kwam niet aan zijn trekken binnen de LRV en moest lange tijd noodgedwongen overstappen naar andere ruiterfederaties. Pas in de jaren negentig werden organisatorische barrières weggenomen en werd de LRV een volwaardig onderdeel van de Vlaamse hippische sportwereld.

Met De Grote Volte heeft Woestenborghs vooral een klassiek organisatieverhaal geschreven. Voor een niet-paardengek is het soms lastig om vertrouwd te raken met in de hippische wereld gehanteerde vaktermen. Het is een verhaal van een organisatie die zich ondanks alle veranderingen in de tijd heeft weten te handhaven en tegelijkertijd zijn herkomst niet verloochend heeft. Wel zou de invloed van de veranderingen in de Vlaamse landbouw op de ontwikkeling van de landelijke rijverenigingen meer benadrukt mogen worden. Zo zou de wisselende relatie met de BJB/KLJ beter verklaarbaar worden als ook meer aandacht zou zijn besteed aan de aan de veranderingen binnen die organisatie. Dit geldt ook voor de interne verwevenheid binnen het Boerenbondsnetwerk, zoals bijvoorbeeld de rol van economische instellingen als financier/sponsor van de LRV. Tenslotte blijft ook de ruitersport buiten de LRV angstvallig buiten beeld. Enig inzicht in de sociale verschillen binnen de Vlaamse ruiterwereld had meer inzicht kunnen bieden in de unieke plaats van de LRV binnen die wereld. Ter informatie: in 2008 telde Vlaanderen 200.000 recreanten in de paardensport. Hiervan waren er 32.000 aangesloten bij meer dan 800 paardenclubs, rijverenigingen en ponyclubs. De LRV had 13.000 leden, verdeeld over 440 rijverenigingen en ponyclubs. (Bron: Het socio-economisch belang van de paardenhouderij in Vlaanderen, november 2008).

Eerder verschenen als webrecensie bij BMGN – The Low Countries Historical Review 124 no. 4 (2009).

Kleine luyden

Kleine-luyden-in-ontwikkelingThijs, G. D., Kleine luyden in ontwikkeling. De Vrije Universiteit en de Derde Wereld 1955-2005 (Historische reeks VU VII; Zoetermeer: Meinema, 2005, 362 blz., €27,50, ISBN 90 211 4086 1).

Het 125-jarig bestaan van de Vrije Universiteit in 2005 werd herdacht door de verschijning van diverse publicaties over de universiteit als zodanig (van de hand van A. Th van Deursen) en over faculteiten en studierichtingen. Kleine luyden in ontwikkeling herdenkt een ander feit, namelijk het feit dat de VU in 2005 zich reeds vijftig jaar betrokken voelt bij de Derde Wereld en die betrokkenheid tot uitdrukking komt in het initiëren en uitvoeren van ontwikkelingsprojecten. Waarom Thijs zijn boek in 1955 laat beginnen is niet duidelijk. Het jaartal verwijst in ieder geval niet naar een concrete gebeurtenis. Een beter beginjaar was ongetwijfeld 1958, toen prof. W. F. de Gaay Fortman tijdens het eerste corpscongres een referaat hield over ‘hulp aan minder ontwikkelde gebieden.’ In dat geval hadden we nog drie jaar op het boek moeten wachten.

Na een schets van het ontstaan van de betrokkenheid van de VU bij de Derde Wereld, waarbij het congres ‘De verre naaste’ van maart 1961 een duidelijke spin-off-functie vervulde, gaat Thijs uitvoerig in op de internationale oriëntatie van de VU rond 1960. In die tijd had de universiteit nog vrijwel uitsluitend contacten met geestverwante universiteiten, waarbij de relatie met de blanke universiteit van Potchefstroom in Zuid-Afrika vooral in het oog springt. De eerste schreden op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking hingen nauw samen met de activiteiten van de gereformeerde zending. Vanaf 1961 werden vanuit de VU docenten uitgezonden naar twee zendingscolleges in West-Pakistan.

Het eerst echte ontwikkelingsproject betreft de opbouw van een protestantse universiteit in Kisangani (Congo). De beschrijving van het project laat zien hoe een door religieuze geestverwantschap geïnspireerd idealisme stuit op de weerbarstige Afrikaanse werkelijkheid. Alle inspanningen ten spijt werd de Université Libre du Congo in 1971 opgeheven en samengevoegd in één nationale universiteit. De VU trok zich vervolgens terug uit Congo. Met de christelijke Satya Wacana-universiteit in Indonesië slaagde de VU er wel in een langdurige relatie op te bouwen.

Vanaf de jaren zeventig was de VU betrokken bij ontwikkelingsprojecten in diverse landen. De uitvoering werd mogelijk gemaakt door overheidssubsidies uit het Programma voor Universitaire Ontwikkelingsamenwerking en opvolgers daarvan, alsmede bijdragen uit het Europees Ontwikkelingsfonds. De VU legde zich met name toe op basic science-programma’s, die erop gericht waren onvoldoende gekwalificeerde aspirant-studenten door middel van een brugcursus voor te bereiden op universitair onderwijs en nascholing van bètadocenten. Het feit dat de VU ontwikkelingssamenwerking beschouwde als integraal onderdeel van zijn maatschappelijke taak en een goede naam had opgebouwd met basic science-programma’s vertaalde zich in een opvallende koppositie bij de toewijzing van ontwikkelingsprojecten door het NUFFIC.

Aan het einde van het boek gaat Thijs uitvoerig in op de aansturing van de ontwikkelingsprojecten vanuit de VU. Lag aanvankelijk daarbij de nadruk op de faculteiten, in toenemende mate was de Dienst Ontwikkelingssamenwerking (DOS) de thuisbasis voor de uitgezonden en teruggekeerde veldwerkers. Kleine luyden in ontwikkeling is geschreven door een oudgediende wiens levensgeschiedenis verbonden is met de uitvoering van ontwikkelingsprojecten. Hoewel hij geen vakhistoricus is, is hij erin geslaagd aan de hand van archief- en literatuuronderzoek en interviews de betrokkenheid van de VU bij de internationale samenwerking te schetsen. Hoewel zijn persoonlijke betrokkenheid bij de ontwikkelingssamenwerking duidelijk naar voren komt — hij laat niet onvermeld dat zijn vrouw en een dochtertje om het leven kwamen door een verkeersongeluk in Botswana in de tijd dat hij daar werkzaam was aan de universiteit — is zijn stijl over het algemeen zakelijk. De meerwaarde van het boek is vooral de uitgebreide aandacht voor de uitvoering van ontwikkelingsprojecten. Thijs laat zien dat het succes of falen van ontwikkelingsprojecten vooral afhangt van de politieke en culturele werkelijkheid in ontwikkelingslanden en de wijze waarop Nederlandse deskundigen erin slagen hierop in te spelen.

Eerder verschenen als webrecensie bij BMGN – The Low Countries Historical Review 122, no. 3. (2007).

Het Landbouwschap

LandbouwschapKrajenbrink, E. J., Het Landbouwschap. ‘Zelfgedragen verantwoordelijkheid’ in de land- en tuinbouw 1945-2001 (Dissertatie Groningen 2005, [Groningen/Den Haag]: NAHI/LTO, 2005, 464 blz., ISBN 90 367 2102 4).

Decennialang was het Landbouwschap de spin in het web van agrarisch Nederland zonder wie geen landbouwbeleid mogelijk was. Toch werd dit publiekrechtelijk bedrijfsorgaan, waarin werkgevers en werknemers in de landbouw nauw samenwerkten, in juli 2001 in alle stilte opgeheven. Hoe dit heeft kunnen gebeuren en welke betekenis het Landbouwschap heeft vervuld binnen de Nederlandse landbouw in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn twee hoofdvragen die Evert Jan Krajenbrink zich in zijn dissertatie stelt.

In het eerste hoofdstuk wordt stilgestaan bij de ideologische wortels van het Landbouwschap en het ordeningsstreven: het katholieke subsidiariteitsbeginsel, de soevereiniteit in eigen kring van de anti-revolutionairen en de functionele decentralisatie van de sociaal-democratie en de liberalen. Ook de eerste ordeningsinitiatieven, zoals de rooms-katholieke Landbouwbedrijfsraad, komen aan bod. Vreemd genoeg laat Krajenbrink echter de ordeningsdiscussie die in de jaren dertig werd gevoerd over overname door het agrarische bedrijfsleven van de landbouwcrisismaatregelen en het voorontwerp Landbouwordeningswet uit 1938 buiten beschouwing. Juist in deze discussie kwam het streven naar zelfregulering en ‘zelfdoen’ voor het eerst nadrukkelijk naar voren. Ook besteedt hij geen aandacht aan tegengestelde visies op ordening die de KNBTB en het KNLC in de zomer van 1940 aan hun achterban presenteerden en die weer naar voren kwamen in het overleg tussen vertegenwoordigers van de landbouw- en landarbeidersorganisaties tijdens de bezettingsjaren en na de bevrijding over de inrichting van het Landbouwschap.

Wat betreft de motieven en verwachtingen die een rol speelden bij de oprichting van het Landbouwschap en het feitelijk functioneren, toont Krajenbrink aan dat de verwachtingen ten aanzien van het uitoefenen van publiekrechtelijke bevoegdheden niet werden bewaarheid. Het schap heeft zich nauwelijks met behulp van verordeningen bemoeid met de landbouwproductie. De meeste verordeningen betroffen heffingen ten behoeve van de instandhouding van het eigen apparaat en ten behoeve van de bestrijding van ziekten. Slechts één keer werd een deel van de arbeidsvoorwaarden via een Landbouwschapsverordening geregeld. Het PBO-wapen werd pas na 1986 weer uit de kast gehaald om milieumaatregelen van overheidswege de wind uit de zeilen te nemen. In de praktijk lag het werkterrein van het Landbouwschap vooral op belangenbehartiging en op samenwerking tussen de dragende landbouw- en landarbeidersorganisaties.

Bijzonder geslaagd is de schets van de moeilijkheden met de vrije boeren, die in 1963 culmineerden in de gedwongen ontruiming van drie boerderijen in Hollandscheveld. Krajenbrink wijt deze strijd vooral aan gebrekkige voorlichting aan de boeren en aan het feit dat de landbouworganisaties hadden nagelaten het Landbouwschap aan hun achterban te verkopen. De relatie tussen het schap en de organisaties wordt voornamelijk beschreven vanuit het perspectief van het Landbouwschap, terwijl voor een schets van de opstelling van de landbouworganisaties voldoende literatuur voorhanden is.

Pas nadat de voormannen van de organisaties na 1967 hun samenwerking binnen het schap intensiveerden en voor de sector successen wisten te boeken nam het draagvlak onder agrarische bedrijfsgenoten toe. De mogelijkheden die de ‘ijzeren driehoek’ Landbouwschap – ministerie van Landbouw – Vaste Kamercommissie voor Landbouw voor de agrarische belangenbehartiging bood

werden mede dankzij nauwe personele relaties – ministers van Landbouw en leden van de Kamercommissie waren vaak bestuurslid van het Landbouwschap (geweest) – optimaal benut. Dit werd anders toen in de jaren tachtig de prijzen onder druk kwamen te staan en de overheid genoodzaakt was om de sector te reguleren door middel van productiebeperkingen en milieumaatregelen. Uitvoerig staat Krajenbrink stil bij de inspanningen van het Landbouwschap om een eigen aanpak van het mestbeleid te realiseren waarvan mestbanken en de financiering van grootschalige industriële mestverwerking de kern vormden. Het Landbouwschap stond daarbij voor de moeilijke taak enerzijds ongewenste volumemaatregelen van overheidswege buiten de deur te houden en werd anderzijds geconfronteerd met afbrokkelend draagvlak binnen de sector zelf. Zonder het uiteindelijke echec van de grootschalige mestverwerking in 1995 te kennen, werd het agrarische bedrijfsleven in 1993 door de socioloog Jaap Frouws weggezet als een remmende factor in het milieubeleid. Krajenbrink benadert het echter positiever door te stellen dat het georganiseerde agrarische bedrijfsleven na 1990 oprecht heeft geprobeerd door middel van publiekrechtelijke middelen een oplossing voor het mestprobleem te vinden. Was het Landbouwschap daarin geslaagd, dan had het zijn onmisbaarheid voor de agrarische sector bewezen. Het echec van de grootschalige mestverwerking ondermijnde echter het bestaansrecht van het Landbouwschap.

De echte nekslag kwam echter na de fusie van de verzuilde landbouworganisaties in LTO-Nederland in 1995. Het gemak waarmee deze nieuwe organisatie instemde met een opheffingsverzoek van de vakbonden bevestigt in feite het beeld dat het Landbouwschap zijn bestaansrecht vooral ontleende aan de verzuiling. Aangezien LTO-Nederland besloot de belangenbehartiging zelf op zich te nemen, bleven er voor het Landbouwschap dat zich nauwelijks tot een echte publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie had ontwikkeld, weinig taken over. Het slepende CAO-conflict in de tuinbouw, dat voor de vakbonden reden was om het opheffingsverzoek in te dienen, was slechts een aanleiding om het Landbouwschap op te heffen.

Krajenbrink heeft een interessante studie geschreven over een instelling die veertig jaar lang een onmisbare schakel vormde binnen agrarisch Nederland en binnen de collectieve belangenbehartiging ten behoeve van boeren, tuinders en agrarische werknemers. Jammer is dat – vermoedelijk door een strakke tijdsplanning – er geen ruimte was om de plaats van het Landbouwschap binnen het breder PBO-verband (SER, bedrijfsschappen en productschappen) te belichten en de discussies binnen de dragende landbouw- en landarbeidersorganisaties over het schap uit te diepen. Ronduit storend is echter dat het Krajenbrink ontbreekt aan voldoende kennis van de Nederlandse politieke geschiedenis. Zo blijkt de KVP ook vóór 1940 actief te zijn geweest – Schaepman zat reeds voor deze partij in de Tweede Kamer (19) – terwijl de partij pas in 1945 werd opgericht! Ook slaagt hij er niet in enkele landbouwvoormannen te koppelen aan de juiste organisaties en wordt de KNBTB op pagina 131 getypeerd als NKV-bond. Een deskundig meelezer had deze storende fouten ongetwijfeld kunnen verbeteren.

Eerder verschenen in BMGN – The Low Countries Historical Review 122, no. 1 (2007), pp. 146-148.