Home » Artikelen

Category Archives: Artikelen

Categorieën

Archief

God, huisgezin en eigendom. De beginjaren van de Nederlandsche boerenbond

Op 31 januari 2016 was het 120 jaar geleden dat de Nederlandsche Boerenbond werd opgericht. Deze bond was een van de grondleggers van het lange tijd almachtige groene front en stond aan de wieg van grote financiële instellingen als de Rabobank en de verzekeraar Interpolis. In deze bijdrage staan we stil bij de vraag waarom deze bond is opgericht en de ontwikkeling tot de grootste landbouworganisatie van Nederland: de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond. In 1995 fuseerden de verzuilde landbouworganisaties tot Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO).

Boerenleven Achterhoek

De geduldige landman
Vóór 1896 kende Nederland alleen provinciale maatschappijen van landbouw, die zich in 1884 hadden verenigd in Het Nederlandsch Landbouw-Comité. Dit comité, dat door de regering werd beschouwd als officiële landbouwvertegenwoordiging, was amper representatief voor de boerenbevolking. Critici stelden dat de landbouwmaatschappijen te weinig boeren organiseerden. Ook werd deze liberaal georiënteerde organisaties verweten dat zij te weinig aandacht hadden voor de sociale belangen van de boeren. Verschillende publicisten in met name katholieke kranten drongen daarom vanaf 1892 aan op organisatie van de boerenstand. Een van hen was de Sittardse onderwijzer J. Claessen, die in 1893 schreef dat de oplossing van de noden van de kleine boeren niet te verwachten viel van de bestaande organisaties. ‘Wij zijn ingedommeld; reeds te lang hebben wij geslapen. Het is meer dan tijd, dat wij ontwaken, als één man opstaan en de handen aan het werk slaan. (…) De belangen van den stand moeten de belangen van ieder in het bijzonder zijn; de belangen der kleinen en zwakken moeten de belangen der grooten en sterken worden; één voor allen en allen voor één. Met deze leus voor oogen moeten wij het idee van stand weer tot bewustzijn brengen, ons vereenigen, elkander wederkeerig helpen en pal staan voor elkander.’

Pater vd Elsen 2
Gerlacus van den Elsen

Een andere pleitbezorger was de norbertijner pater Gerlacus van den Elsen, die voor zijn werk voor de Brabantse kleine boeren later de bijnaam de “boerenapostel” kreeg toebedeeld. Een jaar vóór Claessen vroeg hij in het Noordbrabantsch Dagblad in een artikel, getiteld “De geduldige landman” om aandacht voor de boeren, wier geluid bij de regering en volksvertegenwoordiging volledig werd overstemd door industriëlen en handelaren enerzijds en de arbeiders anderzijds. De landman moest voor de lasten opdraaien: ‘Hij is geduldig, hij zwijgt, hij laat zich scheren en villen als het stomme schaap, terwijl die andere moord en brand schreeuwen ( … ). Is er niemand die hulp en redding bieden kan?’ Organisatie in de geest van de Pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891) was volgens Van den Elsen het geëigende middel om de boerenstand uit zijn benarde positie te verlossen. Daarbij konden de boeren rekenen op actieve steun van de katholieke geestelijkheid: ‘Zoodra op ieder dorp zulke vereenigingen bestaan, bestuurd door echt katholieke, goed ontwikkelde mannen, die met de hoofden van andere vereenigingen voortdurend in betrekking staan, dan zal ook de geduldige landman eene verbazende kracht kunnen ontwikkelen.’

schuerenHoewel met name vanuit Noord-Brabant en Limburg werd aangedrongen op organisatie, kwam het initiatief uit Gelderland. In december doorbrak Ludovicus Ridder de van der Schueren uit Zevenaar de impasse door in kranten een oproep te plaatsen voor de oprichting van een “landbouwers-vereeniging”. Deze organisatie zou tot doel hebben ‘het solidariteitsgevoel bij de landbouwers op te wekken, de maatschappelijke belangen harer leden te bevorderen, de bijzondere belangen der landbouwers-grondbezitters in het vereenigingsgebied te beschermen en mee te werken tot het weer in ’t leven roepen van een krachtigen landbouwersstand.’ De oproep ondervond veel bijval. Anderhalve maand later, op 31 januari 1896 kwamen in Musis Sacrum in Arnhem veertig sympathisanten bijeen voor de eerste bijeenkomst van de Nederlandsche Boerenbond (NBB). De van der Schueren deelde mee op basis van de adhesiebetuigingen reeds te kunnen rekenen op een duizendtal leden.

Tijdens de volgende vergadering op 4 juli 1896 in Utrecht werden de statuten vastgesteld. De vergadering werd bijgewoond door 250 personen, waaronder de katholieke voorman Herman Schaepman. Op zijn voorstel werd de christelijke grondslag van de bond als volgt geformuleerd: ‘De Nederlandsche Boerenhond, het Christendom ais grondslag der Maatschappij erkennend en huldigend, heeft ten doel de belangen van den boerenstand te behartigen en de uitbreiding der staatsbemoeiing op oeconomisch gebied ook dien stand te doen toekomen.’ Om lid te kunnen worden werd de erkenning van “God, huisgezin en eigendom” als grondslagen der maatschappij vereist. Voorstellen om ook zij die louter belangstelling hadden voor de landbouw, de zogenoemde “landbouwliefhebbers” toe te laten als lid, werden op aandringen van Schaepman resoluut van de hand gewezen. “De boerenbond moet op de eerste, tweede en derde plaats bestaan uit boeren. De kracht van den boerenbond moet voortkomen uit de organisatie van de boerenstand,” aIdus Schaepman.

Provinciale boerenbonden
Bij de oprichting vormde de regionale onderbouw van de bond nog geen punt van discussie. Dit werd anders toen kort daarna provinciale boerenbonden werden opgericht die de eigen organisatie op de voorgrond plaatsten. Toch lag de kiem voor het conflict tussen de NBB en deze regionale bonden reeds bij de vaststelling van de landelijke statuten. Volgens deze statuten waren individuele leden van de afdelingen ook individueel lid van de NBB. Zij waren gerechtigd algemene vergaderingen bij te wonen en ook stemgerechtigd indien zij daartoe waren aangewezen door hun afdeling. Onduidelijk was welke rol de provinciale bonden vervulden binnen de organisatie. Tijdens de tweede algemene vergadering van 20 mei 1897 maakte voorzitter Ridder de van der Schueren bekend dat er inmiddels provinciale boerenbonden waren opgericht in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. De bond had inmiddels 254 lokale afdelingen met in totaal ruim 19.000 leden.

Ook werd een nieuw bestuur gekozen. Vooral de verkiezing van Alphons van Rijckevorsel wekte beroering. Eerder was deze “Bossche heer” er niet in geslaagd een prominente plek te verwerven binnen de op 17 augustus 1896 opgerichte Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (NCB). Samen met zijn bestuur Louis van Rijckevorsel, die werd benoemd tot inspecteur van de op te richten boerenleenbanken, probeerde hij aan de provinciale bonden richtlijnen op te leggen voor de oprichting van deze banken. Hieruit kwam een conflict voort dat leidde tot de oprichten van twee soorten boerenleenbanken (volgens de Wet op de coöperatieve verenigingen uit 1876 en de verenigingswet van 1855) en twee landelijke koepels (de Centrale Raiffeisenbank en de Centrale Boerenleenbank). Pas met de fusie van deze banken tot de Rabobank in 1973 zou dit conflict tot het verleden behoren. Het conflict spitste zich vooral toe tussen de NBB enerzijds die oprichting van banken volgens de wet van 1876 prefereerde en de zich snel ontplooiende NCB, die – onder bezielende leiding van Van den Elsen – stelde dat kon worden volstaan met oprichting volgens de wet van 1855.

In 1899 kwamen de bondsbestuurders tot de slotsom dat een reorganisatie noodzakelijk was om het conflict, dat zich in wezen toespitste rond personen die niet samen door één deur konden, te beslechten. Besloten werd de Nederlandsche Boerenbond om te vormen tot een federatie van zelfstandige boerenbonden. De macht lag voortaan bij de provinciale boerenbonden die elk twee personen afvaardigden naar het landelijk bestuur. Na deze reorganisatie duurde het enkele jaren voordat de provinciale bonden beseften dat zij elkaar nodig hadden om bij de landelijke politiek hun gemeenschappelijke belangen te behartigen. Dit leidde tot de organisatie van drie landelijke congressen in 1904, 1907 en 1911, waarop landelijke politieke thema’s werden besproken. Een heet hangijzer was de vertegenwoordiging bij regering. Voor dat doel hadden de provinciale bonden zich na 1899 aangesloten bij het Nederlandsch Landbouw-Comité. Pogingen om de NBB zelfstandig deze rol te laten vervullen, werden wel besproken maar leidden niet tot organisatorische veranderingen. Pas tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 groeide het besef dat voor een effectieve belangenbehartiging in Den Haag een gezamenlijk kantoor nodig was. Pas met de benoeming in 1918 van Laurentius Nicolaas Deckers tot bezoldigd algemeen secretaris kreeg de NBB een eigen gezicht in Den Haag. Kort daarop besloten de regionale bonden hun lidmaatschap van het Koninklijk Nederlands Landbouw-Comité (KNLC) op te zeggen en de landelijke belangenbehartiging exclusief op te dragen aan de NBB.

boerenleven boekelVan christelijk naar katholiek
Op aanwijzen van Herman Schaepman had de Nederlandsche Boerenbond een algemeen-christelijk karakter gekregen. In Noord-Brabant en Limburg speelde vooral de katholieke geestelijkheid een belangrijke rol bij de oprichting van lokale afdelingen. Boven de grote rivieren waren het vooral plaatselijke notabelen die het initiatief namen. Ondanks de inspanningen van De van der Schueren c.s. lukte amper om ook protestantse leden aan te trekken. Slechts 10 tot maximaal 15% van de leden in het noorden was protestant. De noordelijke provinciale boerenbonden kwamen – mede door het ontberen van steun van de katholieke geestelijkheid – slechts moeizaam tot ontwikkeling. De afdelingen bevonden zich vooral in gemeenten waar katholieken in de meerderheid waren. Hoewel het merendeel van de achterban van de NBB katholiek was, hield De van der Schueren vooralsnog vast aan het algemeen-christelijk karakter: ‘De Nederlandsche Boerenbond is christelijk. Van alle boerenvereenigingen, welke zich bij hem wenschen aan te sluiten, eischt hij dat zij steunen op het christelijk beginsel, overtuigd als hij is, dat alleen dat beginsel krachtig bestand is tegen de stroomingen, welke de Maatschappij trachten te ondermijnen. (…) Christelijk is de Nederlandsche Boerenbond, omdat hij aan het egoïsme, de zelfvoldoening, de eigen ikheid, die alle deelen der Maatschappij uit elkander rukt, tegenover stelt de christelijke naastenliefde, de christelijke rechtvaardigheid met hare opvoedende, opbeurende, versterkende, bezielende en levenwekkende kracht.’

Ondanks deze pogingen om protestanten voor zich te winnen, ontwikkelde de NBB in katholieke richting, daartoe aangezet door de Nederlandse bisschoppen. Na 1900 hanteerden zij als stelregel dat waar de vorming van katholieke organisaties mogelijk was, dit de voorkeur had boven christelijke. De ontwikkeling naar zuiver katholieke boerenbonden werd ingezet na het op 7 juli 1906 door de bisschoppen gepubliceerde communiqué ‘dat het hun ernstig en uitdrukkelijk verlangen is, de hun onderhoorige katholieken te vereenigen en vereenigd te houden in katholieke organisatiën.’ Hoewel deze verklaring een algemene strekking had en betrekking had op alle maatschappelijke standen, werd aan de interconfessionele boerenbonden vooralsnog een uitzondering toegestaan.
Dit was anders bij de vakbeweging. Vanaf 1906 maakte het episcopaat het de katholieke textielarbeiders in Twente moeilijker om lid te blijven van de interconfessionele vakbond Unitas. In 1912 werd dit lidmaatschap verboden. Voorstanders van het interconfessionalisme binnen de vakbeweging verweten de kerkelijke autoriteiten te meten met twee maten. ‘Waarom worden altijd de textielarbeiders aangepakt? Waarom nu niet de Christelijke Boerenbond? Of hebben de boeren andere rechten en vrijheden dan wij textielarbeiders?’

Toen in 1912 bekend werd dat protestanten bezig waren om een eigen boerenbond op te richten – dit leidde uiteindelijk in 1918 tot de oprichting van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) – werd binnen de Nederlandsche Boerenbond en zijn regionale bonden de transformatie tot zuiver katholieke organisaties ingezet. In 1914 werd de Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (NCB) – hoewel de naam ongewijzigd bleef – een katholieke bond. Voortaan werd van alle afdelingen geëist dat zij op katholieke grondslag waren gevestigd en dat deze afdelingen alleen katholieken als leden zouden accepteren. Ook werd de NCB interdiocesaan, hetgeen betekende dat het werkgebied werd uitgebreid met Zeeuws-Vlaanderen en (na 1920) met het Rijk van Nijmegen. In hetzelfde jaar gaf de Haarlemse bisschop Augustinus Callier aan de uit Twente afkomstige vakbondsman Arnold Engels de opdracht om in zijn bisdom een katholieke boerenbond op te richten. In 1915 werd de bestaande Noordhollandsche boerenbond vervangen door de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB), die werkzaam was in Noord- én Zuid-Holland. In 1917 fuseerden de Overijsselsche Boerenbond en de Geldersche Boerenbond tot de Aartsdiocesane R.K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB). Niet alle regionale bonden en afdelingen weigerden gehoor te geven aan de “uitdrukkelijke wens” van de bisschoppen. Her en der gingen afdelingen door als zelfstandige aan- en verkoopverenigingen en ook de Stichtsche Boerenbond weigerde te fuseren. In 1923 verkoos deze bond liquidatie boven opgaan in de ABTB.

KNBTB

Als sluitstuk voor dit katholiseringsproces werd de Nederlandsche Boerenbond in 1920 een katholieke organisatie, die later door het leven zou gaan als Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB). De bond was met ruim 70.000 aangesloten leden de grootste landbouworganisatie van Nederland. Samen met de protestantse CBTB en het algemene KNLC werd de KNBTB onderdeel van het roemruchte “groene front”.

Literatuur: Mari Smits, Boeren met beleid. Honderd jaar Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, 1896-1996 (Nijmegen 1996).

Gepubliceerd op 31 januari 2016 op Historiek.

Missie in een nieuwe jas?

De plaats van particuliere ontwikkelingsorganisaties in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking

Cover Transparant 2009-4kAnno 2009 is de rol van Nederlandse particuliere organisaties in de hulpverlening aan derdewereldlanden niet meer weg te denken. Naast de
grate, door de Nederlandse overheid gesubsidieerde organisaties als Novib, Cordaid en ICCO zijn duizenden kleinere organisaties betrokken bij de armoedebestrijding. We kunnen daarbij denken aan een plaatselijke kerkgemeenschap die voor een zusterkerk in Afrika een inzamelingsactie organiseert, maar ook particulieren die zich tijdens hun vakantie inzetten voor de bouw en inrichting van een school. Vaak zien we dat particulieren op dezelfde manier werken als de missionarissen en zendelingen vijftig jaar geleden, terwijl de professionele ontwikkelingsorganisaties, die voortgekomen zijn uit de missie en zending, een onmisbaar verlengstuk geworden zijn van het ontwikkelingsbeleid en hun aloude manier van werken achter zich hebben gelaten. In deze bijdrage wordt teruggeblikt op het ontstaan
van de maatschappelijke betrokkenheid bij de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en de rol die particuliere organisaties – zowel kerkelijke
als niet-kerkelijke – daarbij hebben gespeeld. Ook zal ik iets zeggen over hun invloed op het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.

Mari Smits, ‘Missie in een nieuwe jas? De plaats van particuliere ontwikkelingsorganisaties in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking’, in: Transparant, Tijdschrift van de Vereniging van Christen-Historici 20 (2009), no. 4, 14-19.

Lees het [PDF]

 

Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, 1949-1989

Voor-de-ontwikkeling-van-de-derde-wereldTerwijl Nederland in 1949 nog bezig was met de afwikkeling van de dekolonisatie van Indonesië, maakte het tegelijk een bescheiden begin met wat later ‘ontwikkelingssamenwerking’ is gaan heten. De regering besloot op 3 oktober 1949 1,5 miljoen gulden beschikbaar te stellen voor hulpprogramma’s van de Verenigde Naties. Het hulpbudget maakte in de loop der jaren een expansieve groei door. In veertig jaar tijd groeide de middelen uit tot ruim 5,5 miljard gulden in 1989. Nog eens twintig jaar later was dit bedrag verdubbeld tot bijna 4,9 miljard euro (10,8 miljard gulden).
De vorming en uitvoering van het hulpbeleid werd mogelijk gemaakt door een groot aantal mensen op ministeries en bij door de overheid gesubsidieerde particuliere hulporganisaties en gespecialiseerde bedrijven en instellingen. Hoeveel dit er precies waren, is moeilijk vast te stellen. Minister Herfkens schreef in haar voorwoord bij de bundel die in 1999 verscheen ter gelegenheid van de viering van vijftig jaar Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, dat zo’n 3400 ambtenaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken en op de posten betrokken waren bij de besteding van het hulpbudget.
Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) heeft in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken een reeks bronnenpublicaties over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking samengesteld die betrekking hebben op de periode 1949-1989. Onderdeel van de opdracht was tevens het houden van interviews met personen die mede gestalte hebben gegeven aan het ontwikkelingsbeleid. De bedoeling was dat deze zouden worden gepubliceerd in een publieksboek, analoog aan de in 2001 door het ING uitgegeven interviewbundel Voor Nederland en Europa. Politici en ambtenaren over het Nederlandse Europabeleid en de Europese integratie, 1945-1975 (Amsterdam 2001).
Voor deze bundel is gesproken met zestien mensen die verschillende posities hebben bekleed, hetzij als minister, (plaatsvervangend) directeur-generaal, chef van een directie, beleidsambtenaar, ambassadeur c.q. ambassademedewerker in een ontwikkelingsland of als directeur van een medefinancieringsorganisatie. Berend-Jan Udink, Jan Pronk en Eegje Schoo gaven als minister voor Ontwikkelingssamenwerking in de jaren zestig, zeventig en tachtig gestalte aan het ontwikkelingsbeleid. Lodewijk van Gorkom en Rob van Schaik dienden onder de twee laatsgenoemde ministers als directeur-generaal Internationale Samenwerking. Beiden waren tevens lange tijd werkzaam als ambassadeur in ontwikkelingslanden. Wil Erath was als ambassademedewerker werkzaam in twee voormalige Nederlandse koloniën: Indonesië en Suriname. Voorts spraken we met vier plaatsvervangende DG’s te weten, Hans Jonkman, Frans Peters, Ferdinand van Dam en Jos van Gennip. Voor Van Gennip en Jone Bos, die in 1980 chef van de Directie Particuliere Particuliere Activiteiten, Onderwijs- en Onderzoekprogramma’s (DPO) werd, geldt bovendien dat zij voor hun overstap naar het ministerie directeur waren van respectievelijk Cebemo en ICCO. Ook komt één van de pioniers van het ontwikkelingsbeleid aan het woord, namelijk Connie Patijn. Godert Posthumus was betrokken bij het herstel van de ontwikkelingsrelatie met Indonesië in 1967 en maakte in 1977 een overstap naar het ministerie van Financiën. Ten slotte spraken we met drie beleidsambtenaren, te weten Ben van Eldik, Leo van Maare en Jan Petit.

Lees meer in het [PDF] van dit artikel.

M.G.M. Smits en L.J. van Damme, ‘Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, 1949-1989’, in: L.J. van Damme en M.G.M. Smits (red.), Voor de ontwikkeling van de Derde Wereld. Politici en ambtenaren over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, 1949-1989 (Amsterdam: Boom, 2009), pp. 7-26.

Main Topics of Dutch Development Policy, 1949-1989

diplomacyIn 1949, when still busy winding-up the decolonisation of Indonesia, the Netherlands made a modest start with development cooperation. On 3 October the govemment decided to donate 1.5 million guilders (68o.ooo euro) for aidprogrammes of the United Nations. Over the next 6o years the growth of the Dutch aidbudget would be spectacular. In 1989, the last year we have documented in our official records of the history of Dutch development policy, the budget had grown to 2,5 billion euro. In the twenty years that followed 1989, the budget again doubled to almost 4·9 billion euro.
The making and carrying out of the aid policy was the effort of several govemment departments, subsidized private aid organisations, and specialized companies and institutions. How many people were involved exactly is hard to determine. Ten years ago, the minister for development cooperation Eveline Herfkens wrote in her preface to the jubilee book, Fifty Years of Dutch Development Cooperation that 3.400 civil servants at the Ministry and in the embassies were involved in rnanaging the aid budget.

Lees de [PDF] van dit artikel.

‘Main Topics of Dutch Development Policy, 1949-1989′ in; Marc Dierikx (ed.), Diplomacy and Development. Proceedings of the 10th International Congress of Editors of Diplomatic Documents (Den Haag: ING, 2010), pp. 49-56.

Non-governmental organisations in the Netherlands

From private funding to governmental support

pharo-150In 1949, the Dutch government made a modest start with development cooperation contributing 1.5 million guilders to the technical assistance programme of the United Nations and deploying experts to developing countries. The government’s decision to grant subsidies to non-commercial private organisations, from 1965 onward, was the next step in the evolution of Dutch development assistance policy. In the first year, the state secretary responsible for aid to less developed countries, Izaac Diepenhorst, made 5 million guilders available, about 2 per cent of the budget for development aid. In 2004, more than 450 million EUR was set aside for co-financing private organisations, about 11.8 per cent of the total budget for development cooperation. After forty years, private development organisations have become indispensable in Dutch development policy.
In this contribution, I shall concentrate on the rise and expansion of private development aid in the Netherlands and the long road to recognition, subsidies and being an important player within Dutch development policy.

Lees meer in de [PDF] van dit artikel.

‘Non-governmental organisations in the Netherlands. From private funding to governmental support’ in: H. Pharo and M. Pohle-Fraser (eds.), The Aid Rush. Aid Regimes in Northern Europe during the Cold War, Vol. 1 (Oslo: Unipub, 2008), pp. 315-332.

Bewerkte versie van paper voor conferentie over internationale ontwikkelingssamenwerking te Kopenhagen, 28 en 29 april 2006.

 

“Ik Vertrek”

Some Trends in Recent Emigration from the Netherlands

Across bordersThe Dutch interest in emigration has shown a marked increase in the last ten years. “Ik Vertrek” is a popular Dutch reality show which follows current emigrants through their migration experience. This show examines the intentions and aspirations of their fellow citizens; it follows them through their adventures and misfortunes, shows them assimilating into their new habitat, and then displays the final outcome of their decision to emigrate.
The show opens on the eve of the emigration; it is a familiar scenario. The emigrants explain why they want to leave the Netherlands and which goals they want to realize in their new country. We see their goodbyes to their colleagues and family and the actual start of their migration. We next observe them arriving in their new environment. Most of the emigrants aspire to establish a tourism-related business: a campground, a hotel, or a bed-and-breakfast. They have sold their home, and now it is necessary to reinvest all of that capital in their new business. In many cases they have to renovate old buildings before they can actually welcome their first guests and start earning money. They suffer many hardships during the first year in their new home, some of which may not have occurred if they had been more thoroughly prepared for their migration. Most emigrants say that they don’t regret their decision to move, btit some of them are obliged to return to the Netherlands because of financial or personal setbacks.
“Ik Vertrek” is an expression of a remarkable trend in Dutch migration figures. Between 2003 and 2007, for the first time since the 1950s, the Netherlands had a rise in emigration. Although most of these emigrants are former immigrants to the Netherlands who return to their country of origin, there are also a substantial number of native citizens who are leaving. According to recent research, the new emigrants have very different motives from those who left the country to emigrate to Canada and Australia in the 1950s. Whereas the traditional emigrants were in search of a better life for themselves and their children, the modern emigrant is predominantly dissatisfied with contemporary society. In “Ik Vertrek,” characters complain about overpopulation, criminality, restrictive regulations, and the bad behavior of the Dutch. People who leave the country are in search of the good life, tranquillity, space, nature, and friendly people. Earning more money is not important; one-third of the emigrants expect that their income will decrease. Qyality of life is in most cases more important than level of income.
Recent Dutch emigrants mainly go to other European countries (69 percent between 1999 and 2006). For many of them, emigration means moving to a place only ten to twenty kilometers outside the Dutch borders, to Belgium or Germany. In most cases they continue their social life and even their jobs in the Netherlands and don’t see themselves as emigrants. About 31 percent decide to move to other European countries, whereas only 15 percent emigrate overseas, to the United States, Canada, Australia, and New Zealand. France and Spain are very popular.

Lees meer in het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits, ‘”Ik vertrek”: Some Trends in Recent Emigration from the Netherlands’ in: J.E. Nyenhuis, S.M. Sinke and R.P. Swierenga (ed.), Across Borders. Dutch Migration to North America and Australia (Holland, Michigan: Van Raalte Press, 2010), pp. 245-251.

”Door machtige organisatie alleen kunnen wij onze stem doen gelden”

Land- en tuinbouworganisaties in de Noordoostpolder, 1945-1995

Machtig arbeidsveldNa de bevrijding gingen er in de Noordoostpolder stemmen op om niet, zoals voor de oorlog, als land- en tuinbouworganisaties afzonderlijk op te trekken, maar – onder het motto ‘eendracht maakt macht’ — één grote en sterke organisatie te vormen. Het kwam er niet van. Op 4 augustus 1945 kwamen drie nieuwe afdelingen tot stand van de Aartsdiocesane R.K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB), de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) en de Overijsselse Landbouwmaatschappij (OLM). Vijftig jaar lang zouden de drie organisaties hun eigen weg kiezen in de behartiging van land- en tuinbouwbelangen in de Noordoostpolder. Het dilemma van eenheid of verdeeldheid vormde de rode lijn in de geschiedenis van de organisaties. In deze bijdrage zullen we nagaan waarom de boeren en tuinders in de polder ervoor kozen gescheiden op te treld(en en waarom het, ondanks de latente roep om eenheid, vijftig jaar duurde voor het zover was.

Lees meer in het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits en Rolf van der Woude, ‘”Door machtige organisatie alleen kunnen wij onze stem doen gelden”. Land- en tuinbouworganisaties in de Noordoostpolder, 1945-1995′ in: W. den Boer e.a. (red.), ‘Een machtig arbeidsveld’. De opbouw van het kerkelijk leven in de Noordoostpolder (Gouda: Vereniging van Nederlandse Kerkgeschiedenis, 2008), pp. 185-207.

Postwar Migration from the Netherlands

Dutch Overseas kleinBefore the Second World War, the Netherlands had no real emigration tradition. Between 1840 and 1940, the population of the Netherlands grew from a little over five million to almost nine million, but throughout this period, only around 250,000 Dutch inhabitants emigrated (Broeze 1988). During the same period, eighteen million people emigrated from the British Isles (Ireland included) and ten million from Italy (Hofstede 1964). Pre-war Dutch emigration consisted mainly of the emigration of farmers. Studies were done to find a solution to the structural unemployment in agriculture and agricultural emigration seemed to be the bestoption (Hartland 1959). However, due to the global economie depression in the 1930s, the emigration of farmers was not very successful. It was only after the Second World War that the emigration situation in the Netherlands changed for the brief period of a decade. This large scale desire to emigrate, which reached its peak in 1948 when over 30% of the Dutch population was found favourably disposed to emigration, was in many ways unique, and emigration then became a policy issue in the Netherlands (Hofstede 1964; Duiker 1987). After the Second World War, the pre-war problems were still evident in the agrarian sector. But not only farmers wanted to emigrate in the post-war years. Thousands of Dutch citizens expressed a desire to go to such countries as Australia, New Zealand, Canada, and Brazil, and in 1952, more than 48,000 emigrants left the Netherlands.

Lees meer in de [PDF] van dit artikel.

J.W. Elferink & Mari Smits, `Post-War Migration from the Netherlands’ in: J. Klatter-Folmer, Dutch Overseas. Studies in maintenance and loss of Dutch as an immigrant language (Tilburg: Tilburg University Press, 1997), pp. 21-31.

 

 

Anthonie Colijn (1870-1932)

Boer, boerenvoorman, burgemeester

WieInPolitiek

Op oudejaarsavond 1918 besloten de boeren in de omgeving van Amsterdam, verenigd in de regionale Bond van Melkveehouders geen melk meer aan de stad te leveren. Het was het begin van een hoog oplopend conflict dat als ‘de melkoorlog’ de geschiedenis in zou gaan. In deze strijd speelde het antirevolutionaire Tweede-Kamerlid- tevens burgemeester van Nieuwer-Amstel- Arie Colijn een cruciale rol, want het was Colijn die de boeren had aangezet de melklevering te stoppen. Deze melkoorlog illustreert hoe politici voor het dilemma kunnen komen te staan aan wie zij hun steun verlenen: hun directe achterban, de politieke partij die zij vertegenwoordigen of het landsbelang. In deze biografische schets van Arie Colijn staan dergelijke dilemma’s centraal.

 

Lees het [PDF] van dit artikel

Mari Smits, ‘Anthonie Colijn (1870-1932). Boer, boerenvoorman, burgemeester’ in: P.E. Werkman en R.E. van der Woude (red.), Wie in de politiek gaat, is weg? Protestantse politici en de christelijk-sociale beweging (Hilversum: Verloren 2009), pp. 151-176.

“Geef ons nu maar subsidie en bemoei je er verder niet mee”

Overheidssubsidie voor ontwikkelingsactiviteiten van de missie.

Moeizame moderniteitIn 1949 maakte Nederland een bescheiden begin met wat nu ontwikkelingssamenwerking heet. De regering stelde geld beschikbaar voor hulpprogramma’s van de Verenigde Naties en ging later ook zelf deskundigen uitzenden naar ontwikkelingslanden. Het besluit om met ingang van 1965 activiteiten van niet-commerciële particuliere organisaties te subsidiëren was een volgende stap in de evolutie van het Nederlandse beleid inzake ontwikkelingssamenwerking. Voor het eerste jaar stelde de verantwoordelijke staatssecretaris I.N.Th. Diepenhorst 5 miljoen gulden beschikbaar, hetgeen neerkwam op 2% van het overheidsbudget voor ontwikkelingshulp. Heden ten dage is er voor hulpverlening via niet-gouvernementele organisaties een veelvoud aan middelen beschikbaar. Op de begroting van 2004 is ruim 450 miljoen euro gereserveerd voor medefinanciering, circa 11,8 % van het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking. Particuliere ontwikkelingsorganisaties, waaronder het katholieke Cordaid, zijn in bijna veertig jaar tijd uitgegroeid tot een onmisbare schakel in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.
Het is wel eens anders geweest.Lange tijd –  zowel vóór als na 1965 – werden de initiatieven van particuliere zijde van overheidswege met de nodige reserve bejegend. Dat betrof niet alleen het werk van de missie en zending, maar ook dat van de in 1956 opgerichte Nederlandse Organisatie Voor Internationale Bijstand (NOVIB). Particuliere organisaties moesten hun plaats in het Nederlandse hulpbeleid bevechten bij politici maar vooral tegen de met de voorbereiding en uitvoering van dit beleid belaste ambtenaren. In dit artikel sta ik stil bij de rol die de missie heeft gespeeld bij de totstandkoming en uitbouw van het medefinancieringsprogramma en bij de wijze waarop vanuit het overheidsapparaat werd aangekeken tegen de pogingen van missieorganisaties om de subsidiecriteria te verruimen.
Trajecta 2004In de nog schaarse literatuur over de bijdrage van de missie aan de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is vooral aandacht besteed aan de intenties en motieven van Nederlandse missieorganisaties. De rol van beleidsmakers – politici, maar vooral ambtenaren – kwam nauwelijks aan bod. Recent onderzoek in de archieven van de Nederlandse ministerraad en vooral het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken stelde mij in staat in dit artikel hun rol in kaart te brengen.

Lees het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits, ‘“Geef ons nu maar subsidie en bemoei je er verder niet mee”. Overheidssubsidie voor ontwikkelingsactiviteiten van de missie’ in: Trajecta 13 (2004), pp. 147-162.
Tevens verschenen in: Th. Clemens, P. Klep en L. Winkeler (red.) Moeizame moderniteit. Katholieke cultuur in transitie. Opstellen voor Jan Roes (1939-2003) (Nijmegen: Valkhof Pers, 2003), pp. 147-162.