Home » Posts tagged 'A. Buma'

Tag Archives: A. Buma

Categorieën

Archief

Van Zuiderzee tot Flevoland (3): het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging

Op 4 januari 1886 werd in Amsterdam de Zuiderzeevereeniging opgericht met als doel de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee te onderzoeken. Om de scepsis rond het vraagstuk weg te nemen was de nieuwe vereniging er alles aan gelegen om zo snel mogelijk te beginnen met het technisch onderzoek. Op voorstel van voorzitter Age Buma werd Jacob van der Toorn, een vooraanstaand waterstaatsingenieur die te boek stond als kenner van de grote rivieren, aangezocht om de leiding van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging op zich te nemen. Van der Toorn’s financiële eisen – een jaarsalaris van 7000 gulden – vormden geen bezwaar. Op voorspraak van Van der Toorn werd Cornelis Lely aangesteld als diens assistent. Op 1 november 1886 ging het onderzoek officieel van start.

Jacob van der Toorn
Jacob van der Toorn

Pogingen van de Zuiderzeevereeniging om het onderzoek, waarvoor Van der Toorn in totaal ruim 100.000 gulden nodig achtte, gefinancierd te krijgen, verliepen moeizaam. Op een waarborgfonds van 30.000 gulden werd slechts voor 13.850 gulden ingetekend. Subsidieverzoeken bij gemeenten en provincies leverden onvoldoende op. Slechts dankzij een geldlening van 30.000 gulden, voorschotten uit een tweede waarborgfonds en de lagere kosten kon het onderzoek van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging in 1891 worden voltooid. Een van de financiële meevallers was het vroegtijdig vertrek van Van der Toorn per 1 november 1887. Lely nam daarop de leiding van het technisch onderzoek op zich.

Het plan-Lely
Van der Toorn en Lely gingen er aanvankelijk van uit dat een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzeekust beschermd diende te worden tegen overstromingen en dat zoveel mogelijk vruchtbare gronden binnen de afsluiting dienden te vallen. In hun eerste nota van februari 1887 namen zij het plan-Van Diggelen als uitgangspunt. Net als Benjamin van Diggelen zagen zij op voorhand af van de afdamming van het Marsdiep tussen Den Helder en Texel en de Vliestroom tussen Vlieland en Terschelling. Het afdammen van deze diepe zeegaten was volgens beiden vrijwel onmogelijk. Wilde men desondanks vasthouden aan een ontwerp van een zo groot mogelijke omvang, dan diende er een dijk te worden aangelegd van Noord-Holland via Wieringen naar Terschelling en via Ameland, Schiermonnikoog en Rottum naar de Groningse kust. Achter Texel en Vlieland was een kleine inpoldering mogelijk. Van der Toorn en Lely stelden bovendien voor om een afsluitdijk aan te leggen tussen Wieringen en de Friese kust. Hierdoor zou het mogelijk zijn om de inpolderingen ten zuiden van die dijk onafhankelijk van de landaanwinning op de Wadden uit te voeren. De IJssel zou uitwateren op een groot binnenmeer. Via sluizen in de afsluitdijk kon overtollig water worden afgevoerd. Op basis van bodemonderzoek kwam Lely uiteindelijk tot de slotsom dat de Wadden voor het grootste deel uit zand bestond. In zijn zesde nota uit februari 1891 hield hij nog de mogelijkheid open dat de vruchtbare delen, gelegen langs de Friese kust en in de Lauwerszee, konden worden ingedijkt. Later in dat jaar wees hij ook deze optie van de hand.

De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden
De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden

Uitgangspunt van het definitieve plan-Lely was dat binnen de afsluitdijk tussen Noord-Holland, Wieringen en Friesland zo min mogelijk zand zou worden ingepolderd. Welke treurige resultaten de indijking van een zandpolder opleverde, kon men volgens Lely aanschouwen in de in 1875 drooggelegde polder Het Noorden op Texel. Na vijftien jaar waren de meeste woningen nog onbewoond en een groot gedeelte van het land ongebruikt. ‘Naar mijne meening kan er dan ook geen sprake zijn van indijking van die gedeelten der Zuiderzee, die alleen uit zand bestaan.’ De contouren van het plan-Lely kwamen voor het eerst voor in de derde nota uit 1888. Op basis van reeds door voorgangers gedane grondboringen in het zuidelijk deel van de Zuiderzee en in het Wieringermeer, alsmede op basis van de resultaten van een in 1887 ondernomen verkenningstocht ten noordoosten van Urk, stelde hij voor achtereenvolgens droog te leggen: 1. het zuidoostelijk deel (nu Oostelijk en Zuidelijk Flevoland), 2. het zuidwestelijk deel (de niet gealiseerde Markerwaard), 3. het Wieringermeer, en 4. de hoek tussen Lemmer, Urk en de Overijsselse kust (nu de Noordoostpolder). Tezamen zouden deze droogmakerijen maximaal 240.000 hectares land opleveren.

Het plan-Lely
Het plan-Lely

In zijn laatste nota, die in maart 1892 in druk verscheen, presenteerde Lely drie mogelijkheden voor de afsluiting en droogmaking: twee zonder een afsluitdijk tussen Wieringen en Friesland en één met. De eerste oplossing zonder afsluitdijk combineerde oudere ontwerpen, te weten het plan-Leemans uit 1877 en het ontwerp-Wieringermeer met een eigen plan voor een noordoostelijke polder. De droogmakerijen zouden worden omringd door zware zeedijken. Deze oplossing had als voordeel dat ineens een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzee kon worden drooggelegd. Het grote nadeel was echter dat de aanleg vele jaren zou duren, wat de scheepvaart langdurig zou belemmeren. Bovendien had de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen (KNAW) reeds in 1877 gerapporteerd dat een onvoltooide polder het gevaar van een malaria-epidemie met zich meebracht. Dit gevaar kon worden verkleind door de aanleg van kleinere polders die sneller in cultuur konden worden gebracht. De tweede oplossing behelsde de aanleg van vier polders zonder afsluitdijk. Het eigenlijke plan-Lely, de derde oplossing, had ten opzichte de eerste schets uit 1888 een kleine wijziging ondergaan. De twee zuidelijke polders werden nu ten behoeve van de landsverdediging gescheiden door een breed kanaal.

Met de publicatie van de acht technische nota’s was het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging naar de uitvoerbaarheid van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee voltooid. Waar het nu op aankwam was om aan te tonen dat de uitvoering van het plan-Lely ook wenselijk en haalbaar was. Reeds in 1890 onderkende het bestuur van de vereniging dat voor het dichterbij brengen van de uitvoering het nodig was om zich ook uit te spreken over de financiële haalbaarheid en de economische gevolgen. Op 17 oktober van dat jaar riep het bestuur daartoe een economische commissie in het leven. Deze commissie, waarvan de secretaris Hendrik Christiaan van der Houven van Oordt de drijvende kracht was, publiceerde in 1892 haar rapport.

Lely wordt minister

Cornelis Lely
Cornelis Lely

Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging was zeer verrast toen zij op 19 augustus 1891 een ontslagbrief van Lely ontving vanwege zijn benoeming tot minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Gezien de samenstelling van het nieuwe kabinet-Van Tienhoven, waarvan vijf van de acht leden lid waren van de vereniging, had het bestuur dan ook goede hoop dat dit kabinet de realisering van de Zuiderzeeplannen dichterbij zou brengen. Die verwachting werd inderdaad ingelost. Op 8 september 1892 riep Lely een staatscommissie in het leven met als opdracht te onderzoeken of een afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals door de Zuiderzeevereeniging was voorgesteld, in ’s lands belang diende te worden ondernomen en zo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moest worden gebracht. Met dit besluit werd de fase van plannenmakerij definitief afgesloten. Nu werd één plan, namelijk dat van Lely, onderwerp van een politiek debat.

De staatscommissie vertegenwoordigde de uiteenlopende belangen die bij een eventuele uitvoering van het plan-Lely in het geding waren. Naast deskundigen uit agrarische en militaire kringen, maakten experts op het gebied van handel, zeevisserij en scheepvaart deel uit van de commissie. Ook ingenieurs van Rijkswaterstaat, statenleden uit verschillende provincies en leden van de Eerste en Tweede Kamer hadden hierin zitting. Lely kreeg in de Tweede Kamer voor de voeten geworpen dat de meeste leden zich reeds vooraf gunstig hadden uitgelaten over het plan van de Zuiderzeevereeniging. Hij ontkende dit door erop te wijzen dat dit slechts voor enkele leden het geval was, terwijl anderen zich eerder in tegengestelde zin hadden uitgelaten. Toch zat er in de kritiek een kern van waarheid. Zes van de 28 commissieleden waren lid van de Zuiderzeevereeniging, terwijl enkele anderen zich anderszins voor de vereniging verdienstelijk hadden gemaakt. Na het verschijnen van het rapport in 1894 werden nog eens acht leden van de staatscommissie lid van de Zuiderzeevereeniging.

De commissie deed aanbevelingen ten aanzien van de locatie van de afsluitdijk, de uitwateringssluizen en de situering van de aan te leggen polders, de gevolgen voor Zuiderzeevisserij en de vraag of de uitvoering moest worden opgedragen aan een particuliere onderneming of dat de Staat de uitvoering zelf ter hand moest nemen. Geconcludeerd werd dat de aanleg van een afsluitdijk een dermate grote verantwoordelijkheid met zich meebracht, dat deze niet door een particuliere onderneming kon worden gedragen. Ook bij de droogmaking en exploitatie van de Zuiderzeegronden was te zeer een staatsbelang in het geding om het aan een concessionaris over te kunnen laten. De Staat moest niet opdraaien voor de verliezen, terwijl een particulier de winsten opstreek. Aan het einde van haar rapport benadrukte de staatscommissie dat bij de beantwoording van de vraag of men een groot werk wilde ondernemen tot nog toe alleen het algemeen belang en nooit het commercieel voordeel de doorslag had gegeven. ‘Steeds zijn het de indirecte voordeelen geweest, die de Staat bij de onderneming van het werk op den voorgrond heeft gesteld.’

Kaart Staatscommissie
De aangepaste versie van het plan-Lely, zoals gepubliceerd in het rapport van de Staatscommissie

De totale afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee zou volgens de Staatscommissie in totaal 315 miljoen gulden gaan kosten. Per hectare gewonnen grond zou dit neerkomen op 1620 gulden. De commissie, die op 14 april 1894 verslag uitbracht, was verdeeld over de financiële aspecten. Zes leden beantwoordden de vraag of de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee volgens het ontwerp van de Zuiderzeevereeniging in ’s lands belang behoorde te worden ondernomen in ontkennende zin. Zij wezen op de grote financiële verplichtingen die uitvoering van de hele onderneming met zich mee zou brengen en op de onzekerheid ten aanzien van de economische uitkomsten.

Het oordeel der natie
Hoewel alle leden van de staatscommissie overtuigd waren van de technische uitvoerbaarheid van de Zuiderzeeplannen, was het allerminst zeker of daadwerkelijk tot uitvoering zou worden overgegaan. Daarvoor was een regering nodig die de aanbevelingen van de commissie vertaalde in een wetsvoorstel en dit voorstel met succes zou verdedigen in de Tweede Kamer. Aan deze voorwaarde werd in 1894 niet voldaan. Kort na de publicatie van het rapport viel het liberale kabinet-Van Tienhoven over de uitbreiding van het kiesrecht. Voor Lely’s opvolger als minister van Waterstaat, Philip van der Sleyden, hadden de Zuiderzeeplannen geen prioriteit. Tegenover het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging stelde Van der Sleyden dat voordat met de uitvoering kon worden begonnen de vraag moest worden beantwoord of het landsbelang wel gediend was met het ter beschikking komen van grote hoeveelheden grond en of de schatkist het wel toeliet aan een werk te beginnen, dat tientallen jaren op de Rijksbegroting zou drukken. Voorts was de nieuwe minister er niet van overtuigd dat de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee werkelijk door het Nederlandse volk werd verlangd. De natie diende zich naar zijn mening eerst nog duidelijk hierover uit te spreken.

Voor de Zuiderzeevereeniging was duidelijk dat nu het technische onderzoek voltooid was het er nu om ging de politiek te overtuigen van de noodzaak om de afsluiting en drooglegging ter hand te nemen. Daartoe aangespoord door de nieuwe minister van Waterstaat ging de vereniging op zoek naar het “oordeel der natie”. Met propaganda, lezingen en publicaties over de economische voordelen probeerde de vereniging in de jaren na 1894 dit oordeel in positieve zin te beïnvloeden. In de volgende bijdrage staan we stil bij de propaganda ten faveure van de uitvoerig van het plan-Lely.

Gepubliceerd op 17 december 2015 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (2): “A national cry”

In het eerste deel van deze reeks over de geschiedenis van de Zuiderzeewerken stonden we stil bij plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee die werden gepubliceerd voorafgaand aan de publicatie van het plan-Lely in 1891. In dit tweede deel staan we stil bij de motieven achter deze voorstellen: economisch gewin, veiligheid, maar ook nationalistische motieven.

Na 1886 zou het nog 100 jaar duren voordat Flevoland een provincie werd
Na 1886 zou het nog 100 jaar duren voordat Flevoland een provincie werd

Bij de plannen voor het droogleggen van zoveel mogelijk vruchtbaar land stonden vooral economische motieven voorop. Zo prezen Jakob Kloppenburg en Pieter Faddegon hun ontwerp uit 1848 aan als een middel tot verheffing van handel, scheepvaart en landbouw. De waterstaatkundige Jan Anne Beijerinck wees in zijn ontwerp uit 1866 op de aanleg van vier grote kanalen ter bevordering van de binnenlandse scheepvaart. De Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee, die in 1870 op basis van het ontwerp van Beijerinck bij de Nederlandse regering een concessieaanvraag indiende, wees op de groei van de nationale rijkdom en welvaart als gevolg van de aanwinst van een nieuwe provincie. De scheepvaart zou de beschikking krijgen over een aantal grote kanalen ter vervanging van de bij storm gevaarlijke en in de winter soms weken lang onbruikbare vaart over de Zuiderzee. De uitvoering van de concessie bood bovendien werkverschaffing aan de arbeidende klasse.

Deze plannenmakers brachten ook demografische motieven naar voren. Zo maakten Kloppenburg en Faddegon gewag van een overbevolking, die nu een last, maar na de drooglegging een zegen zou zijn. “Onze kinderen zullen het vaderland niet verlaten, om te vergeten, dat zij Nederlanders waren”. Dit gold ook voor de Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee. Op de vruchtbare gronden, die na de drooglegging beschikbaar zouden komen, konden boerenzoons gezinnen stichten. Daarvoor hoefden ze het land niet meer te verlaten, aldus het Maatschap.

Age Buma
Age Buma

Age Buma uit Hindeloopen, de latere oprichter van de Zuiderzeevereeniging, had meerdere motieven om te pleiten voor afsluiting en drooglegging, maar stelde de veiligheid van de aan de Zuiderzee grenzende provincies voorop. Hij was dan ook een fel tegenstander van de drooglegging van alleen het zuidelijk deel, zoals werd beoogd met het wetsvoorstel uit 1877. Als lid van de Provinciale Staten van Friesland stelde hij al een jaar eerder voor om de regering te vragen een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor een algehele afsluiting van de Zuiderzee en de Wadden, door afdamming van de zeegaten tussen de Waddeneilanden. Dit voorstel werd verworpen. In 1882 ondernam Buma als lid van de Tweede Kamer een nieuwe poging. Hij diende een initiatiefwet in met als doel een onderzoek in te stellen naar de uitvoerbaarheid van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee en Lauwerszee. Vanwege de vernietigende kritiek die hem ten deel viel, zag hij zich gedwongen om zijn voorstel weer in te trekken. Ook Buma had economisch-demografische motieven. Landaanwinning zou een middel om een dam kunnen opwerpen tegen de kapitaal en arbeidskracht dervende, en het land verarmende zucht tot landverhuizing.

Vrijwel alle voorstanders van inpoldering van de Zuiderzee appelleerden aan het nationale zelfbewustzijn. Vooral de gedachte dat de drooglegging niets anders was dan het op vreedzame wijze veroveren van grondgebied was populair. Voor Benjamin van Diggelen, die in 1849 zijn ontwerp publiceerde, ging het om een bevestiging van vaderlandse bodem die ‘geen bloed en tranen kost maar melk en zuivel geeft’. Jan Anne Beijerinck wees erop dat door drooglegging een aanwinst van grond kon worden gerealiseerd zonder dat de naburige staten een bunder hoefden te missen of in hun rechten werden aangetast. Age Buma noemde het vreedzame annexatie. Ook Pieter Faddegon sloot zich hierbij aan. ‘Was er vroeger roem te behalen, op het oorlogsveld of ter zee, de tijd voor roemvollen ondernemingen is er nog, is het geen roemwaardigen daad (…) een geheel Provintie aan Nederland toe te voegen, vrij van schulden,’ schreef hij in 1885 samen met zijn zoon vanuit zijn nieuwe woonplaats Kaapstad in Zuid-Afrika.

Samen met Kloppenburg appelleerde Faddegon in 1848 aan de door de Belgische opstand gekrenkte nationale trots. Door het verlies van grondgebied en inwoners was het Nederlandse volk naar een lagere positie in de rij van volkeren afgezakt. Ook had de afscheiding het land met een hoge schuldenlast opgezadeld. De middelen aan te wijzen om die last te kunnen torsen en te boven te komen, was de volgens beiden de plicht van zowel de regering als haar burgers. ‘Noodzakelijk voor het welzijn van het geheele Natie is dus de aanwinst eener provincie, welke ons door geene politiek kan worden betwist.’

Pieter van Diggelen
Pieter van Diggelen

In 1877 publiceerde Pieter van Diggelen, rechter en gemeenteraadslid te Zwolle en zoon van Benjamin van Diggelen, een brochure met kritiek op het kort daarvoor ingediende wetsontwerp. Hij vroeg zich af of de regering hiermee de droogmaking van de hele Zuiderzee voorgoed had laten varen. Hij beriep zich daarbij op zijn vader, die in 1866 nog had verklaard dat zolang niet onomstotelijk was komen vast te staan dat indijking van de hele Zuiderzee onuitvoerbaar was, er niet aan partiële bedijking moest worden gedacht. Van Diggelen jr. pleitte voor een degelijk onderzoek. ‘Naar onze wijze van zien, moet de onderneming eene zaak des Volks zijn. De droogmaking der Zuiderzee moet a national cry worden.’

De Zuiderzeevereeniging
Met de intrekking van Buma’s initiatiefwet was in april 1884 een tweede poging om de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee op de politieke agenda te krijgen, gestrand. Er was zelfs geen ruimte voor onderzoek. Buma liet zich er niet door uit het veld slaan. Hij zocht nu naar andere middelen om zijn doel te bereiken. Dat het via het uitoefenen van politieke pressie ook mogelijk was om resultaten te boeken had Buma reeds ondervonden als lid van het Comité-Bloem. Dit comité had zich in de jaren 1863-1864 sterk gemaakt voor de aanleg van een spoor- en stoombootverbinding tussen Noord-Holland en Friesland. Ruim twintig jaar later werden deze inspanningen beloond.
In de zomer van 1884 nam Buma het initiatief voor de vorming van een comité dat het onderzoek naar de mogelijkheden van afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee ter hand zou nemen. Daartoe nam hij contact op met Pieter van Diggelen, aan wie hij in een brief uiteenzette dat naar zijn inschatting het verwerpen van zijn wetsvoorstel zou leiden tot een lange periode van stilstand. Was het voorstel daarentegen wèl aangenomen, dan zou het slechts hebben geleid tot een beperkt onderzoek of de terugkeer naar het door hen beiden bestreden wetsontwerp uit 1877. Buma liet de zaak niet los. Hij wilde de zaak op een andere wijze aanpakken en vroeg nu Van Diggelen om medewerking bij de oprichting van een comité dat het technisch en financieel onderzoek zelf ter hand moest nemen. Van Diggelen reageerde enthousiast. Na hun eerste ontmoeting op 25 augustus 1884 in Zwolle gingen beiden op zoek naar geestverwanten voor de vorming van een comité. De leden die toetraden tot dit comité waren allemaal liberale politici en bestuurders.

Plan-Buma
Ook Buma publiceerde een eigen droogmakingsplan

Tot Buma’s medestanders behoorde ook de voormalig minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid Johannes Tak van Poortvliet. In mei 1885 zette deze prominente liberaal in een notitie uiteen waar het comité zich op diende te richten. Volgens Tak had door de intrekking van de eerdere wetsontwerpen het denkbeeld van droogmaking zijn frisheid verloren en viel derhalve niet meer te verwachten dat het publiek er door zou worden getroffen en meegesleept. Een nieuwe poging om de Zuiderzeezaak een vaste plaats op de politieke agenda te geven had alleen kans van slagen wanneer kon worden aangetoond dat welke belangen er mee waren gediend. Volgens Tak had het dan ook geen zin had om de tegenstanders te verslaan met algemene bewoordingen, door bijvoorbeeld te wijzen op de nationale rijkdom die uit het bezit van een nieuwe provincie zou kunnen voortvloeien of op toekomstige opbrengsten voor de schatkist: ‘De geschiedenis leerde eerst, dat deze onzekere en eerst later te behalen winsten de meerderheid der Volksvertegenwoordiging even koud laten als het publiek.’ Bovendien was het tij ongunstig voor landaanwinning. De toevoeging van een grote oppervlakte vruchtbare grond zou volgens Tak ongetwijfeld leiden tot een verdere daling van de koopprijzen en huurwaarden van de landerijen. De geschiedenis van de Zuiderzeezaak had reeds geleerd dat het belang bij afsluiting en drooglegging gelegen was bij de waterschapsbesturen, aan wie de zorg voor het onderhoud van de zeeweringen langs de Zuiderzee was toevertrouwd en bij de provincies die daarop toezicht hielden. Daarom moest vooral steun worden gezocht bij de waterschappen, de provincies en de gemeenten rond de Zuiderzee. Pas nadat men zich verzekerd had van deze steun kon het comité in de openbaarheid treden.
Buma en Van Diggelen deelden in grote lijnen de zienswijze van Tak van Poortvliet. In hun circulaire van augustus 1885 benadrukten zij dat het zwaartepunt niet zozeer in de droogmaking als wel in de afsluiting gelegen moest zijn. De afsluiting van de gehele Zuiderzee noemden zij nu “een gebiedende noodzakelijkheid”, waarna de drooglegging later geleidelijk aan zou kunnen volgen. Het advies van Tak om eerst een onderzoek te verrichten naar de voor- en nadelen van afsluiting en drooglegging alvorens bij belanghebbenden aan te kloppen om steun, werd door Buma en Van Diggelen niet overgenomen. Hun doel was om zo snel mogelijk medestanders uit waterstaatskringen te werven, om aldus geld bijeen te brengen voor de financiering van het onderzoek. Daartoe was de oprichting van een vereniging noodzakelijk. Tijdens de oprichtingsvergadering op 4 januari 1886 te Amsterdam waren vertegenwoordigers van zes provincies, 53 gemeenten en 44 waterschappen, alsmede enkele particulieren aanwezig. Het doel van de Zuiderzeevereeniging was het instellen van een technisch en financieel onderzoek naar de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van een afsluiting ‘mede ter voorbereiding eener latere geleidelijke drooglegging’ van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerszee. De nieuwe vereniging moest aantonen dat het bij de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee niet ging om een hersenschim, maar om een uitvoerbaar denkbeeld.

Besluit
De ontwerpers van plannen voor afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee voerden uiteenlopende argumenten aan om de wenselijkheid te onderbouwen. Aanvankelijk werd vooral gewezen op de groei van de welvaart en de noodzaak om de landverhuizing terug te dringen. Ook nationalistische motieven werden naar voren gebracht. Later kwam de veiligheid van de omringende provincies naar voren als argument om de Zuiderzee te gaan afsluiten. Dit veiligheidsmotief vormde ook de basis waarop de Zuiderzeevereeniging vanaf 1886 steun wilde verwerven om de afsluiting en drooglegging ook daadwerkelijk te realiseren.

Gepubliceerd op 26 november 2015 op Historiek.