Home » Posts tagged 'emigratie'

Tag Archives: emigratie

Categorieën

Archief

Documentaire over vergeten Zeeuwse emigranten in Brazilië

Foto-Braziliaanse-Koorts
Foto: Braziliaanse Koorts

Onlangs ging in Vlissingen de documentaire ‘Braziliaanse Koorts’ in première. De film van Arjan van Westen en Monique Schoutsen is mogelijk gemaakt door crowdfunding en vertelt het verhaal van Zeeuwse emigranten in Brazilië.

Het plan om de film over de Zeeuwse nazaten in Brazilië te maken is ontsproten aan het boek Op een dag zullen ze ons vinden van Ton Roos en Margje Eshuis.

Roos en Eshuis waren in de jaren zeventig en tachtig in de deelstaat Espírito Santo werkzaam als zendingsmedewerkers. Zij kwamen in die tijd in contact met de inwoners van het dorpje Holanda, die bij nader inzien afstamden van landarbeiders uit Zeeuws-Vlaanderen, die rond 1860 waren geronseld voor een nieuwe toekomst in Brazilië. De Braziliaanse werkelijkheid bleek echter totaal anders te zijn dan ze werd voorgespiegeld. De omgeving van Holanda, maar ook andere locaties in Espírito Santo waar zich Zeeuwen hadden gevestigd, was moeilijk toegankelijk en amper geschikt voor landbouw. Bovendien ontbeerden de emigranten de vaardigheden om een bloeiend landbouwbedrijf op te zetten. Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw was er nog contact met Nederland, waarna dit contact werd verbroken.

Foto-Braziliaanse-Koorts1
Foto: Braziliaanse Koorts

‘Braziliaanse Koorts’ volgt nauwgezet het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse gemeenschappen in Espírito Santo en het aangrenzende deel van de deelstaat Minas Gerais. De film bevat interviews met archivarissen, historici en journalisten in Zeeland en Brazilië, die de emigratie van de Zeeuwen nader verklaren. Vervolgens wordt ingezoomd op oudere nazaten, die nog steeds een Zeeuws-Vlaams dialect spreken, een erfenis van een langdurig isolement. De laatste decennia gaat het langzaamaan beter waardoor de invloed van de omliggende Braziliaanse samenleving groter is geworden en het dialect werd vervangen door het Portugees.

Discutabele hulp

In het tweede deel van de film wordt ingezoomd op de herontdekking van de Zeeuwen. De filmmakers konden dankbaar gebruikmaken van super-8 films van Roos en Eshuis, om iets van de Zeeuwse gemeenschap in de jaren zeventig te laten zien. De herontdekking leidde direct ook vanuit Zeeland tot hulpacties, waarvan de resultaten op zijn minst discutabel waren. Alleen Zeeuwse nazaten hadden recht op hulp, terwijl hun niet-Zeeuwse buren niet mochten meeprofiteren. De hulpacties waren misschien wel goed bedoeld, maar weinig effectief. De Zeeuwse nazaten profiteerden meer van de economische voorspoed van Brazilië van de laatste decennia.

In de film komt vrijwel elke historische episode in de geschiedenis van de Zeeuwen van Espírito Santo aan de orde. Zo ook, zoals gezegd, de aanwezigheid van Roos en Eshuis, de hulpacties van de stichting Zeebra (Zeeland-Brazilië) en het onderzoek van de Zeeuws-Vlaamse antropoloog Frans Buysse. Dat eind jaren tachtig al een documentaire over Holanda werd gemaakt, blijft echter onvermeld. In deze documentaire uit de reeks ‘Hollander voor de eeuwigheid’ werd vooral ingezoomd op Holanda als gemeenschap en de wijze waarop de inwoners na 130 jaar hun ‘Hollandse’ identiteit beleefden. Vanwege de juridische problemen rond de filmmaker konden Van Westen en Schoutsen geen gebruik maken van deze oude documentaire.

Cirkel rond

‘Braziliaanse Koorts’ is daarentegen het werk van historici en vertelt op het filmdoek een geschiedenis. Aan het einde laten de filmmakers zien hoe de cirkel weer rond is. Zij portretteren een nazaat van de Zeeuwse landarbeiders die in 2003 in Brazilië werd geronseld met het verhaal dat in Nederland het geld voor het oprapen ligt. In Amstelveen ervaart zij op haar beurt wat het is om onder valse voorwendselen een nieuw bestaan te moeten opbouwen in een nieuw land, waar zij niet gewenst is en ook geen werk kan vinden en veroordeeld is tot een marginaal bestaan als illegaal.

‘Braziliaanse Koorts’ is een fascinerende documentaire geworden als eerbetoon aan de Zeeuwse emigranten die onder de belofte van een gouden toekomst terecht kwamen in bittere armoede. De filmmakers kwamen net op tijd. Over tien à vijftien jaar is er in Brazilië waarschijnlijk niemand meer te vinden die een Zeeuws-Vlaams dialect spreekt.

De documentaire is te bestellen door 15 euro over te maken op NL06 RABO 0137776128 op naam van Kadekoorts, met vermelding van naam en adresgegevens. Meer informatie: www.braziliaansekoorts.nl. Door 17,50 euro bij te dragen aan de crowdfunding is daar ook het boek Op een dag zullen ze ons vinden te bestellen. Inmiddels is er ook een Braziliaanse versie, getiteld Febre Brasileira beschikbaar.

Gepubliceerd op 13 februari 2015 op Historiek.

Trailer van de documentaire:

Holambra. De moeizame beginjaren van een stukje Nederland in Brazilië

In 1948 werd 140 kilometer ten noorden van São Paulo een groot stuk land (fazenda) aangekocht voor de vestiging van Nederlandse emigranten. Er was niks, alleen enkele schamele hutjes, en alle grond moest nog worden ontgonnen. Op deze Fazenda Ribeirão is nu een bloeiende gemeenschap gevestigd met onmiskenbare Nederlandse elementen. Voordat die bloei tot stand kwam moesten de Nederlandse pioniers in de beginjaren een harde strijd leveren om het dagelijks bestaan. Veel pioniers zijn vertrokken naar bestemmingen elders in Brazilië of naar Nederland teruggekeerd.

Bushalte KleinHolambra is ontsproten aan de geest van Geert Heijmeijer, voormalig secretaris van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB), die in Brazilië op zoek ging naar een plek voor de boeren die in Nederland geen toekomstmogelijkheden meer zagen. In zijn ogen moest de nederzetting een modelkolonie worden, samengesteld uit “prachtmensen”, die samen de basis moesten vormen voor een op de christelijke beginselen gestoelde “nieuwe gemeenschap”. De idylle van Heijmeijer werd echter al snel verstoord door financiële moeilijkheden en interne spanningen. Met een nieuwe lening uit Nederland en de harde hand van oud-indischman Charles Hogenboom werd een reorganisatie doorgevoerd die Holambra uiteindelijk op de been hielp. Ondertussen waren veel boeren tegen zijn “schrikbewind” in opstand gekomen en naar elders vertrokken.

In dit boek wordt uit de doeken gedaan waarom Nederlandse emigranten naar Brazilië zijn vertrokken en wat zij in die beginjaren hebben meegemaakt. Hoewel Holambra werd opgezet als een particulier initiatief raakte de Nederlandse staat al snel betrokken bij deze Nederlandse gemeenschap in Brazilië. Deze betrokkenheid raakte direct het dagelijkse bestaan van de bewoners van de gemeenschap. Behalve de moeizame opbouwfase van de kolonie, met daarbij de vele interne conflicten, wordt in het boek ook aandacht besteed aan de vestigingen die zijn voortgekomen uit deze moeilijkheden. Het boek eindigt met de stichting van Holambra II in 1961, toen Holambra na 12 jaar de pioniersfase eindelijk achter zich kon laten.

Het boek van Mari Smits, De moeizame beginjaren van een stukje Nederland in Brazilië zal in de loop van 2015 verschijnen. Meer informatie via www.holambra.nl

Boeren tussen markt en maatschappij

Boeren tussen markt en maatschappijErwin H. Karel, Boeren tussen markt en maatschappij. Essays over de effecten van de modernisering van het boerenbestaan in Nederland (1945-2012) (Historia Agriculturae 44; Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2013, 216 pp., ISBN 978 90 367 6165 9).

Na 1945 is de Nederlandse landbouw en daarmee ook het Nederlandse platteland ingrijpend veranderd. Kleinere boeren zonder toekomstmogelijkheden beëindigden hun bedrijf, terwijl boeren met groeimogelijkheden hun bedrijfsvoering ingrijpend hebben gemoderniseerd en daarmee agrarisch ondernemer zijn geworden. De ingezette modernisering resulteerde in een industrialisatie van de landbouwsector, die een grote impact had op het hele boerenbestaan, zowel bezien vanuit een economisch, sociaal als ecologisch perspectief. In zijn boek behandelt Erwin Karel aan de hand van zeven thematische essays de doorwerking van deze modernisering op het boerenbestaan. Het boek is geen contemporaine geschiedenis van de Nederlandse landbouw, maar het poogt aan de hand van landbouwkundige literatuur uit de laatste 65 jaar een aantal lijnen te trekken die de naoorlogse veranderingen blootleggen. Het gaat hem daarbij niet enkel om het waarom van de modernisering maar vooral ook om de effecten daarvan.

Als eerste thema behandelt Karel de veranderingen op het Nederlandse platteland. Volgens OESO-normen kent Nederland eigenlijk geen platteland meer; daarvoor is de groene ruimte te zeer verstedelijkt. Bovendien is in sociaal-cultureel opzicht de kloof met de stad steeds kleiner geworden. Hij hanteert daarbij de termen deruralisatie (boeren trokken zich terug op hun bedrijf waardoor hun relatie met hun directe omgeving verminderde) en reruralisatie (het om toeristische redenen herstellen van de oude plattelandsidylle). Onderdeel van de rerulalisatie was het herstellen van de schade die de grootschalige ruilverkaveling had aangericht. Nauw hiermee verbonden is het containerbegrip plattelandsvernieuwing, waarvoor in de loop van de laatste 25 jaar steeds nieuwe definities werden geformuleerd.

Vervolgens richt Karel zich op de opkomst en teloorgang van het Groene Front, het systeem waarin landbouworganisaties, het ministerie van Landbouw en agrarische volksvertegenwoordigers in gezamenlijk overleg het landbouwbeleid bepaalden. Dit samenspannen binnen het Groene Front leidde ook tot een disciplinering van de achterban, waardoor het mogelijk werd een succesvol structuurbeleid, gericht op productieverhoging en kostenverlaging, door te voeren. Uiteindelijk keerde het succes zich in het tegendeel en verbrokkelde het Groene Front. Aangezet door overproductie en milieuschade zag de Nederlandse overheid zich gedwongen om groei in te dammen en onder de boeren impopulaire wetgeving in te voeren. Anderzijds had de modernisering, waaraan de landbouworganisaties mede vorm hadden gegeven, geleid tot het ontstaan van gespecialiseerde, hoog gemechaniseerde bedrijven, waardoor voor boeren en tuinders het voorheen gevoelde gezamenlijke agrarisch belang uit het zicht verdween.

In het hoofdstuk ‘Boer en markt’ laat Karel zien dat na het terugtreden van de overheid bij het stimuleren van de modernisering de landbouwbedrijven uiteenlopende ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Enerzijds zijn boeren gevangen geraakt in een agro-industrieel complex waarin zij slechts een schakel zijn geworden in een productieproces, anderzijds besteedt hij aandacht aan boeren die inhoud hebben gegeven aan de plattelandsvernieuwing. In plaats van groter en moderner zijn boeren vorm gaan geven aan de multifunctionele landbouw, waarin zorg, natuurbeheer, toerisme en verkoop van producten in boerderijwinkels zich ontwikkelden tot nevenactiviteiten, waarvan echter de economische betekenis vooralsnog tegenvalt. Hoofdstuk 5 behandelt het imago van agrarisch Nederland, waarbij Karel de conclusie trekt dat het beeld wat de buitenwereld van de boeren had veel positiever was dan veel boeren dachten. Het zesde hoofdstuk bouwt verder voort op de vermindering van de sociale afstand tussen stad en platteland en legt daarbij de nadruk op veranderingen binnen het boerengezin. De door Wageningse onderzoekers aangejaagde modernisering van het boerenbestaan had grote invloed op het gezinsleven van boeren, maar heeft niet geleid tot het verdwijnen van het gezinsbedrijf zoals vaak is voorspeld. Deze bedrijfsvorm bleek de beste garantie te zijn voor het in standhouden van bedrijfskapitaal dat nodig is voor het voortbestaan van het bedrijf. Uiteindelijk is het, aldus Karel, niet meer dan één van de vele varianten van arbeidsorganisatie binnen een kapitalistisch systeem en is het veel minder een anomalie dan vaak wordt verondersteld.

Hoofdstuk 7 behandelt na een terugblik op de naoorlogse emigratie, de recente emigratie van boeren. Vanaf 1990 zijn veel boeren uitgeweken naar andere Europese landen omdat hun bedrijf daar betere groeikansen zou hebben en zij minder belemmerd zouden worden door toegenomen regeldruk. Tegelijkertijd ontwikkelde zich naast de klassieke boerenemigrant een nieuw fenomeen: de semigrant. Dit zijn boeren die nieuwe bedrijven stichten elders in de wereld, maar tegelijkertijd hun bedrijf in Nederland handhaafden, met name voor de afzet van elders geproduceerde land- en tuinbouwproducten. Hoofdstuk 8 behandelt de moeizame relatie van de boer met het milieu. Karel brengt daarmee de keerzijde van het naoorlogse moderniseringsbeleid in kaart en laat zien hoe de overheid na 1975 getracht heeft de negatieve gevolgen van dit beleid (gebruik van bestrijdingsmiddelen en de negatieve gevolgen van de bioindustrie) terug te dringen. Ook laat hij zien dat veel boeren er niets voor voelden om op te treden als ‘parkwachter’.

Aan het einde van het boek worden de hoofdlijnen uit de zeven thematische essays samengebracht in een slotbeschouwing. De modernisering die in de jaren vijftig en zestig werd geïnitieerd door Den Haag en Wageningen, werd vanaf de jaren tachtig een proces dat werd gevoed door de markt en het neoliberale economisch denken. De voorspelling dat het gezinsbedrijf op den duur zou verdwijnen, is niet uitgekomen. Juist het gezin, met meewerkende echtgenote en kinderen, was in staat de steeds kapitaalsintensiever wordende bedrijven overeind te houden en economische tegenvallers op te vangen. Dat technologische vernieuwing van de agrarische sector nodig blijft, staat voor Karel vast. Tegelijk staat de landbouw nog steeds voor de uitdaging de ecologische effecten van het moderniseringsproces in kaart te brengen. Dit is tot dusverre nog onvoldoende gebeurd.

Met Boeren tussen markt en maatschappij heeft Erwin Karel de lezer door middel van zeven essays meegenomen in een aantal ingrijpende veranderingen die de agrarische sector en het Nederlandse platteland sinds 1945 heeft ondergaan. Een duidelijke conclusie heeft het boek niet, maar na 194 bladzijden heeft de lezer kennis genomen van een aantal opvallende trends. Jammer is dat het boek snel veroudert. De meeste hoofdstukken zijn in 2010 en 2011 geschreven en vervolgens vrijwel ongewijzigd in 2013 gepubliceerd. Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld dat op pagina 170 wordt stilgestaan bij het aantreden van Henk Bleker als staatssecretaris van Landbouw, die een streep zette door het tot dan toe gevoerde natuurbeleid. Karel vermeldt echter niet dat eind 2012 er weer een nieuw kabinet is aangetreden. Verder bevat het boek overal storende tikfouten, waardoor het de indruk wekt zonder grondige eindredactie te zijn gepubliceerd. Een actualisering en eindredactie kort voor publicatie had de waarde van het boek aanzienlijk kunnen verhogen. Jammer.

Verschenen als webrecensie in BMGN – Low Countries Historical Review | Volume 129-4 (2014) | review 94

Met kompas emigreren

Katholieken en het vraagstuk van de emigratie in Nederland, 1946-1972

Uitgave: Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen, 1989. Lees het [PDF] van het boek. Hieronder volgt een enigszins bewerkte versie van de inleiding.

Met kompas emigrerenDe literatuur over de geschiedenis van de Nederlandse emigratie wordt tot op heden [1989] vooral beheerst door werken die handelen over de Nederlandse emigratie naar Noord-Amerika in het midden van de vorige eeuw. En als er één aspect is dat bij de negentiende eeuwse emigratiegolf veel aandacht krijgt is het wel de (veronderstelde) protestantse oorsprong van deze emigratiegolf. Algemeen bekend is de trek van de Afgescheidenen onder leiding van dominee A.C. van Raalte naar Michigan en van dominee H.P. Scholte naar Iowa, die daar nederzettingen en hun (Afgescheiden) kerk hebben gesticht. Of zoals Henk van Stekelenburg het in 1983 uitdrukte: “The calvinists have been able to preserve their identity in a church and social context. This has been of a great assistance to historiography .” 1
Daarentegen bleef het aandeel van katholieken in deze trek onderbelicht. Katholieke emigranten trokken er niet op uit, zoals van protestantse zijde gebeurde, om in een ander werelddeel een eigen kerkgenootschap te stichten; de kerken die zij stichtten gingen deel uitmaken van de Rooms-Katholieke Kerk in het land van bestemming. Katholieke Nederlanders emigreerden vaak individueel of in klein gezinsverband en verloren gewoonlijk vroeg of laat het besef van hun Nederlandse herkomst. In een artikel uit 1987 haalt de Amerikaanse historicus van Nederlandse origine Robert P. Swierenga zijn collega H.S. Lucas – een Amerikaanse katholiek van Nederlandse afkomst – aan, die hierover zegt: “De gemeenschappelijke banden van het geloof maakten het hun mogelijk om zich gelukkig te voelen bij mensen die geen Nederlander waren(…). De Nederlandse katholieken hadden niet zo’n uitgesproken neiging om zich in Nederlandse gemeenschappen te vestigen. Ze verspreidden zich, werden al snel geassimileerd en lieten dus weinig karakteristieke sporen na.”2 Van Stekelenburg brengt daarnaast nog een aantal andere redenen naar voren waarom het katholieke aandeel in de Nederlandse emigratie onderbelicht is gebleven. Dit zijn de geringere omvang van de documentatie hierover, het ontbreken van leidende personen onder de emigranten van katholieken huize en het feit dat de meeste historici die de Nederlandse emigratiegeschiedenis bestudeerden een protestantse achtergrond hadden.3
Ondanks deze onderbelichting moeten we het katholieke aandeel in de emigratie niet onderschatten. Terwijl de Afgescheidenen in de periode 1831-1847 maar liefst 28% van het totale aantal emigranten uitmaakten, lag dit percentage voor de rooms-katholieken nog altijd op 19%. In 1849 was 38,15% van de Nederlandse bevolking rooms-katholiek.4
Naast deze onderbelichting van de emigratie van katholieken moeten wij er rekening mee houden dat katholiek Nederland pas in een laat stadium serieus aandacht ging besteden aan het emigratievraagstuk. Van de zijde van de kerk werd pas in 1912 in een pauselijk document een officiële politiek aangaande emigratie geformuleerd. Weliswaar werd in 1925 in Nederland de Roomsch-Katholieke Emigratievereeniging opgericht, maar haar belangrijkste activiteit bestond uit het organiseren van het RK Emigratie-congres op 15 november 1927. Van de zijde van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) en de RK Landarbeidersbond St. Deusdedit bestond slechts interesse voor emigratie naar het (katholieke) Frankrijk. Tenslotte moeten we rekening houden met het feit dat van de zijde van de clerus de trek naar Amerika vaak werd afgeraden. Deze landen werden gezien als landen waarin de protestanten de boventoon voerden. Bovendien was men van katholieke zijde beducht voor de grote morele gevaren die aan een landverhuizing verbonden waren.

Tot in de jaren twintig van deze eeuw bestond er van overheidswege geen interesse voor emigratie. Voordien was emigratie vooral een zaak van individuele emigranten, ondernemingen (met name rederijen en ‘landagents’) en kerkgenootschappen. Om met name de invloed van malafide “steamship and landagents”5 tegen te gaan, werd in 1913 de particuliere Nederlandsche Vereeniging Landverhuizing opgericht om potentiële emigranten te voorzien van goede en betrouwbare informatie. In 1923 volgde de oprichting van de Emigratie Centrale Holland op initiatief van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel. De ECH regelde het transport van emigranten, alsmede de bescherming van hun belangen. Beide instanties fuseerden in 1931 tot de Stichting Landverhuizing Nederland (SLN), waarin ook de overheid betrokken werd. Na de Tweede Wereldoorlog zou de SLN – totdat in 1952 de Wet op de organen voor de emigratie in werking trad –fungeren als het overheidsorgaan dat emigratieaangelegenheden coördineerde en afhandelde.
In de jaren twintig werd de verzuiling ook op het gebied van de emigratie actief. In 1925 werd de RK Emigratievereeniging opgericht om “voorlichting te geven aan RK emigranten en dezen behulpzaam te zijn onder godsdienstig en economisch opzicht”.6 In 1927 volgde de oprichting van de Gereformeerde Emigratie Vereeniging, die in 1938 haar naam wijzigde in Christelijke Emigratie Centrale. Van echt georganiseerde emigratie was echter pas sprake na 1945 toen de overheid en de maatschappelijke organisaties gezamenlijk de emigratie ter hand gingen nemen zowel op het gebied van de voorlichting en voorbereiding, als het vervoer en de ontvangst in het land van bestemming.

Na de tweede wereldoorlog kwam een emigratiebeweging op gang die ook voor katholiek Nederland van grote betekenis was. Aanhoudend tekort aan voedsel, woningnood, een nieuwe oorlogsdreiging en vooral het besef dat Nederland overbevolkt raakte, droegen er toe bij dat bij velen het verlangen leefde om elders in de wereld een nieuw bestaan op te bouwen. Bijna een derde van de Nederlandse bevolking wilde wel vertrekken,7 maar slechts één op de tien emigratiegezinden zou de daad bij het woord voegen.8
Aanvankelijk had de emigratiedrang vooral betrekking op boeren die geconfronteerd werden met het probleem van onvoldoende vestigingsmogelijkheden in eigen land om een gezond boerenbedrijf op te zetten. Dit zogenaamde ‘kleine’ of ‘jonge boeren-probleem’ was vooral actueel op de zandgronden in het zuiden en oosten van het land. De KNBTB, waarvan de meeste leden juist uit die gebieden afkomstig waren, ging zich onmiddellijk na de oorlog over dit probleem beraden en zag in emigratie één van de oplossingen. Om emigratiezaken binnen de bond beter te coördineren en de emigratie te organiseren werd in 1947 de Emigratie-Stichting van de KNBTB opgericht. Door de KNBTB werden daarnaast deskundigen naar Frankrijk en Brazilië gezonden om de emigratiemogelijkheden ter plekke te bestuderen. In beide landen wilde men een vorm van groepsmigratie realiseren om daarmee de sociale en religieuze gevolgen van de emigratie zoveel mogelijk op te vangen. In Frankrijk resulteerde dit in de aankoop van een opleidingscentrum in het Garonnegebied van waaruit boeren geplaatst werden in de omgeving, terwijl in Brazilië een circa vijfduizend hectaren grote ‘fazenda’ werd aangekocht voor de vestiging van een landbouwkolonie. Ondanks deze inspanningen bleek de na-oorlogse emigratiegolf zich echter in een andere richting te bewegen. Canada, Australië en NieuwZeeland werden de voornaamste emigratielanden, waarbij de aantallen emigranten voor Brazilië en Frankrijk door gebrek aan opnamecapaciteit (Brazilië) en gebrek aan belangstelling (Frankrijk) in het niet vielen.
Hoewel de agrarische emigratie het startpunt vormde voor de na-oorlogse emigratie zou het daarbij niet blijven. Ook vele niet-agrariërs gingen emigreren. Vanaf 1950 vormden zij de overgrote meerderheid van het totaal aantal emigranten.9 In navolging van de KNBTB gingen ook de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) en de Katholieke Middenstandsbond (NRKM) ten behoeve van hun leden eigen, diocesaan georganiseerde, emigratiediensten opzetten. Om ook de belangen van katholieke emigranten van niet-agrarische huize te kunnen behartigen, kwam in 1949 op initiatief van de KNBTB de Katholieke Centrale Emigratie-Stichting (KCES) tot stand. In het kader van de in 1952 tot stand gekomen Wet op de organen voor de emigratie werd de KCES erkend als aanmeldingsorgaan, wat betekende dat zij gesubsidieerd werd voor haar voorlichtings- en voorbereidingsactiviteiten en belast met het samenstellen van emigrantendossiers. De KCES voerde dit werk uit tezamen met de (inter-)diocesane emigratiestichtingen, die later opgericht werden ter vervanging of coördinatie van de diocesane emigratiediensten van de standsorganisaties. In de emigratielanden zelf was de KCES betrokken bij de (geestelijke) nazorg van de katholieke emigranten.
Emigreer op een goed kompas2De KCES probeerde te bereiken dat alle katholieke emigranten zouden emigreren onder de hoede van de katholieke organisatie. De titel van deze studie Met kompas emigreren is ontleend aan een affiche van de KCES, getiteld ‘Emigreer op een goed kompas’, waarmee propaganda werd gemaakt voor het katholieke emigratiewerk. Het woord ‘kompas’ in deze leuze heeft betrekking op het feit dat men – zoals we nog zullen zien – de katholieke emigrant niet alleen de kerk wilde meegeven, maar ook de weg wilde wijzen in het land van bestemming.
De emigratiegolf die op gang kwam na de tweede wereldoorlog had een ongekende omvang. In de jaren vijftig was jaarlijks sprake van het vertrekken van enige tienduizenden emigranten naar de toen populaire emigratielanden Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. Een absoluut topjaar was 1952, toen er in lotaa148.690 emigranten naar elders vertrokken door bemiddeling van de erkende emigratie-organen. Vóór 1940 was er hoogstens sprake van het vertrek van enige duizenden emigranten per jaar met als topjaar 1889, toen in totaal 9100 emigranten de oceaan overstaken.10 In de eerste veertig jaren van deze eeuw was 1920 een topjaar met circa zesduizend emigranten. Na een snelle stijging tot 1952 trad er in de jaren die volgden een gestage daling op, die haar dieptepunt vond in 1963 toen er slechts circa 6800 personen emigreerden. Na een lichte stijging in de tweede helft van de jaren zestig bleef het emigratiecijfer in de jaren zeventig schommelen tussen drie- en vijfduizend emigranten per jaar.
De emigratiehausse die zich voordeed in de tweede helft van de jaren veertig en in de jaren vijftig was te zeer een gevolg van de omstandigheden van de eerste jaren na de bevrijding om van blijvende aard te zijn. Daarnaast moeten we niet vergeten dat mede door de zich gelijktijdig voltrekkende industrialisatie een economische groei tot stand kwam die de emigratiedrang verminderde, ondanks de emigratiepropaganda van de zijde van de overheid en de emigratieorganen. Deze economische groei leidde er zelfs toe dat wegens een tekort aan arbeidskrachten in eigen land, in de jaren zestig in Zuid-Europese landen arbeidskrachten werden geworven, waardoor Nederland in de paradoxale situatie kwam te verkeren zowel de emigratie als de immigratie te stimuleren.

Wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de na-oorlogse emigratie dateert vooral uit de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig en werd veelal verricht in opdracht van instellingen die nauw betrokken waren bij de emigratie. Naast aandacht voor de verschillen in emigratiecijfers voor de verschillende regio’s in ons land en de samenstelling van de contingenten emigranten (naar leeftijd, godsdienst, beroep etc.) werd er vooral onderzoek gedaan naar de sociaal-psychologische achtergrond van de emigrant: Welke motieven speelden bij de emigrant een rol om tot de emigratiebeslissing te komen, in hoeverre beschikte de emigrant over sociale bindingen met zijn omgeving (vergeleken met niet-emigranten) en over welke karaktereigenschappen beschikte de na-oorlogse emigrant.11
Een totaaloverzicht van de na-oorlogse emigratie is te vinden in de dissertatie van B.P. Hofstede, Thwarted exodus, die weliswaar al uit 1964 dateert maar die nog steeds kan gelden als het wetenschappelijke standaardwerk over de naoorlogse emigratie. Met het wegebben van de emigratiegolf verminderde ook de wetenschappelijke aandacht voor dit verschijnsel. Pas de laatste jaren valt er weer enige wetenschappelijke aandacht voor deze nog betrekkelijk recente emigratiegolf te bespeuren, hetgeen mogelijk te verklaren is uit de lichte opleving van de belangstelling voor emigratie in de eerste helft van de jaren tachtig. De behoefte van Nederlandse emigratie-instellingen aan recente studies vormde mede de aanleiding voor nieuw onderzoek.12
Over de emigratie van katholieken is echter, afgezien van de bijdragen van Van Stekelenburg,13 waarin met name het accent wordt gelegd op de emigratie naar Noord-Amerika, nauwelijks iets gepubliceerd. Wel geeft Van Stekelenburg aan, dat er nog veel te doen valt op het gebied van de studie naar de emigratie van katholieken in de na-oorlogse periode. Hij schrijft dat “only a limited number of sourees have been made accessible, and a large arnount of material, often unarranged, remains to be catalogued and studied, particularly, newspapers and periodicals”,14 en spreekt daarom de hoop uit dat “within the context of a wider field in emigration studies ( … ) the relative neglect of the Dutch catholic element will be adequately adressed by scholars.”15
Het is dan ook binnen dit kader dat ik met deze studie een poging wil doen deze leemte in het onderzoek naar de emigratie enigszins op te vullen. De vragen die ik mij bij dit onderzoek stel, luiden: Hoe werd in en vanuit katholiek Nederland het emigratiewerk georganiseerd, welke ontwikkelingen deden zich daarin voor en waardoor werden deze beïnvloed? Hoe werd er in katholiek Nederland gedacht over emigratie in het algemeen en de daaraan verbonden godsdienstige en morele aspecten in het bijzonder?

In het eerste hoofdstuk zal een beschrijving worden gegeven van de kenmerken van de na-oorlogse emigratie in het algemeen – voor zover dit van belang is in het kader van deze studie – terwijl in het tweede hoofdstuk zal worden ingegaan op algemene gegevens betreffende de emigratie van katholieken.
In het derde hoofdstuk zal vervolgens het organisatorisch aspect aan de orde komen, waarbij aandacht zal worden besteed aan respectievelijk de RK Emigratievereeniging, de Emigratie-Stichting van de KNBTB, de Katholieke Centrale Emigratie-Stichting en de Katholieke Vereniging( en) voor Ouders en Familieleden van Geëmigreerden, verenigingen die rond 1960 werden opgericht ter verbetering van het contact tussen emigrantenouders onderling en met de geëmigreerden. De paragraaf over de KCES zal eindigen rond 1970 als binnen de drie emigratiecentrales – KCES, de Algemene Emigratie Centrale (AEC) en de Christelijke Emigratie Centrale (CEC)- een discussie gevoerd wordt over een verandering in de opzet van het emigratiewerk, die nodig was geworden door de verminderde emigratie.
In hoofdstuk vier zal aandacht worden besteed aan de godsdienstige en morele aspecten van de emigratie. De visie van de kerk op de emigratie van katholieken zal worden behandeld, alsmede de organisatie van de geestelijke verzorging van emigranten. De nazorg in de emigratielanden zelf zal echter pas ter sprake komen in hoofdstuk zes als daar over de afzonderlijke emigratielanden wordt gesproken. De voorlichting aan en voorbereiding van katholieke emigranten zal behandeld worden in hoofdstuk vijf.
Hoofdstuk zes zal gaan over de afzonderlijke emigratielanden zélf, waarbij aandacht zal worden besteed aan de beoordeling van de emigratielanden vanuit katholieke kringen, de nazorg in het desbetreffende land en andere maatregelen die er werden getroffen ten behoeve van Nederlandse katholieke emigranten. Speciale aandacht zal daarbij uitgaan naar de vestiging van de Nederlandse katholieke landbouwkolonie Holambra in Brazilië, die beschouwd mag worden als het prestige-object van de KNBTB en het katholiek emigratiewerk. Na een hoopvolle start in het najaar van 1948 zat dit project na twee jaar financieel aan de grond. Nadat vanuit Nederland weer nieuwe financiële steun was verleend – gepaard gaande met de nodige interne conflicten – werd de zaak opnieuw op poten gezet. Holambra was in het begin van de jaren vijftig het onderwerp van een publieke discussie.16

Noten

1 H.A.V.M. van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch Roman Catholic Emigrants to North America in the Nineteenth and Twentieth Centuries’, in Herman Ganzevoort, Mark Boekelman (ec.), Dutch Immigration to North America (Toronto 1983), p. 57.

2 R.P. Swierenga, ‘Migratie overzee: een spiegel van de Nederlandse cultuur’, in: De Gids 150(1987), no. 2/3, p. 154.

3 Van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch RC Emigrants’, p. 58.

4 Ibidem.

5 B.P. Hofstede, Thwarted Exodus. Postwar Overseas Migration from the Netherlands (‘s-Gravenhage 1964), pp. 33-34.

6 Verslag van het R.K. Emigratiecongres, gehouden te ‘s-Gravenhage op dinsdag 15 november 1927 (’s-Hertogenbosch 1927), p. 6.

7 Hofstede, Thwarted Exodus, p. 17.

8 Ibidem, p. 30.

9 Ibidem, p. 164.

10 Ibidem, p. 13; voor gedetailleerdee emigratiecijfers, zie: J.H. Elich, P.W. Blauw (red.), Emigreren (Utrecht/Antwerpen 1983), p. 22.

11 Voorbeelden van dergelijk social-psychologisch onderzoek zijn: G. Beyer, N.H. Frijda, B.P. Hofstede, R. Wentholt, Characteristics of overseas migrants (’s-Gravenhage 1961), N.H. Frijda, Emigranten/niet-emigranten (’s-Gravenhage 1960), N.H. Frijda, Emigranten overzee (’s-Gravenhage 1962) en R. Wentholt, Kenmerken van de overzeese emigrant (’s-Gravenhage 1961).

12 Zie bijvoorbeeld: Elich, Blauw, Emigreren; pp. 25-31; J.H. Elich, Aan de ene kant, aan de andere kant: de emigratie van Nederlanders naar Australie (Delft 1987) en het artikel van P.R.D. Stokvis, ‘Nederland en de internationale migratie 1815-1960’, in: F.L. van Holthoon (red.), De Nederlandse samenleving sinds 1815. Wording en samenhang (Assen/Maastricht 1985), pp. 71-92. Elich en Blauw poneren zelfs de stelling dat, indien Canada en Australië geen beperkingen op de immigratie hadden opgelegd, zich wellicht een emigratiepiek zoals in 1952 had voorgedaan (p. 29). Voorbeelden van nieuw onderzoek zijn o.m. J.H. Elich, P.W. Blauw, …En toch terug: een onderzoek naar de retourmigratie van Nederlanders uit Australië, Nieuw-Zeeland en Canada (Rotterdam 1981), H. Kruiter, Inpakken en wegwezen? Een onderzoek naar kenmerken en motieven van emigranten naar Australië, Canada en Nieuw-Zeeland (’s-Gravenhage 1981), H. Hillebrand, Boeren en emigratie (’s-Gravenhage 1989).

13 Van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch RC emigrants’ en Van Stekelenburg, ‘Rooms-katholieke landverhuizers naar de Verenigde Staten’, in: Spiegel Historiael 1291977), pp. 681-689.

14 Van Stekelenburg, ‘Tracing the Dutch RC emigrants’, pp. 67-68.

15 Ibidem, p. 75.

16 Vgl. Mari Smits, Holambra. Geschiedenis van een Nederlandse toekomstdroom in de Braziliaanse werkelijkheid, 1948-1988 (Nijmegen 1990).

 

 

 

Een hel voor emigranten

De Zeeuwse emigratie naar Zuid-Amerika vóór 1940

In 1998 hield de Nederlands-Amerikaanse emigratiehistoricus Robert P. Swierenga onder de titel ‘A Paradise that never was’ tijdens een internationaal historisch congres een voordracht over de Nederlandse emigratie naar Argentinië in de jaren 1888-1890. Hij concludeerde dat deze emigratiebeweging een individuele beweging was die werd ingegeven door een zoektocht naar werk en handel en werd aangemoedigd door het ontvangende land. Dit in tegenstelling tot de veel grotere emigratiebeweging naar Noord-Amerika die samenhing met familiebanden en de mogelijkheid om land te verwerven en waarbij religieuze overwegingen vaak een rol speelden bij de beslissing om te emigreren. De conclusies van Swierenga zijn ook van toepassing op de emigratie die zich eerder in de jaren 1858-1962 en later tussen 1908 en 1913 heeft voorgedaan en die zicht richtte op Brazilië. De drie emigratiegolven die zich vóór 1940 hebben gericht op Zuid-Amerika, hadden enkele gemeenschappelijke kenmerken.

  • – Georganiseerde propaganda vanuit het land van bestemming, al dan niet ondersteund door lokale agenten die emigranten ronselden met de belofte van een gratis overtocht en de belofte van land onder gunstige afbetalingsvoorwaarden;
  • – De start van rechtstreekse bootverbindingen naar Zuid-Amerika;
  • – Individuele emigratie, zonder familiebanden en kerkelijke leiders;
  • – Overgeleverd zijn aan de grillen van lokale grondeigenaren en koloniedirecteuren. Veel misstanden;
  • – Slechte voorzieningen ter plaatse (zelf woning moeten bouwen en grond ontginnen).
Uitbetaling
Uitbetaling bij het huis van de directeur

De emigratiegolf van 1858-1862 was vooral manifest in Zeeland. In totaal 774 landverhuizers uit Schouwen-Duiveland, Zuid-Beveland en West-Zeeuws-Vlaanderen trokken in die jaren naar Brazilië. De emigratie werd aangemoedigd door de in 1855 opgerichte Associação Central de Colonização (ACC), die met behulp van het Antwerpse emigratiekantoor Steinmann & Co. Propaganda maakte op het Zeeuwse platteland. In een wervingsfolder werd gesproken over een vrije overtocht, een stuk ontgonnen grond van bijna 10.000 vierkante meter, een comfortabel huis, een kleine koffieplantage, er was maïs, maniok en bonen geplant, kippen en varkens aanwezig om een veehouderij te beginnen, en alle andere producten die nodig waren voor de eerste oogst, te gebruiken voor de afbetaling van de verstrekte voorschotten. De voorgespiegelde vooruitzichten wakkerden in de Zeeuwse dorpen de ‘Braziliaanse koortsen’ aan. Landarbeiders zonder grond zagen een schitterende mogelijkheid voor zich om boer te worden en eigen grond te verwerven.
Op 20 mei 1858 kwam de eerste groep emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland aan in Rio de Janeiro aan. Zij werden overgebracht naar Pau d’Alto in Espírito Santo. Het aan hen toegewezen land was nog oerwoud en de hen voorgespiegelde comfortabele woningen waren niet meer dan hutjes met palmbladeren als dak. De kolonisten werden bovendien geteisterd door malaria en ander tropische ziekten. Van de 176 personen die gezond in Pau d’Alto waren gearriveerd – waaronder 60 Zeeuwen – was in november 1858 al meer dan de helft gestorven. De meeste Zeeuwse landverhuizers verlieten na enkele jaren de kolonie. In 1866 waren er nog slechts 9 zeeuwen overgebleven. Ook de 73 emigranten die zich in de Colônia Militar do Urucú (nu Teofilo Otini) vestigden, verging het niet veel beter. Onder de emigranten bevonden zich ontslagen arbeiders die gewerkt hadden bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland.
De meeste emigranten (504 in totaal) waren afkomstig uit West-Zeeuws-Vlaanderen en vestigden zich tussen 1859 en 1862 in Santa Leopoldina in Espirírito Santo in nederzettingen met de namen Holanda en Holandinha. In verslagen van de provincie Zeeland stonden zij zonder uitzondering te boek als armlastig of minvermogend. De meesten van hen waren landarbeider. Onder hen bevonden zich mogelijk ook mensen die eerder veroordeeld waren wegens bedelen, criminaliteit en banditisme.
Ook de Zeeuws-Vlaamse emigranten kwamen in kommervolle omstandigheden terecht. De Zwitserse diplomaat Johann Jakob von Tschudi omschreef hun situatie in 1860 als armzalig. Na 1862 kwamen er in Holanda geen Zeeuwse families meer bij en begon een lange periode van isolement. De mooie beloften en prachtige contracten bleken leugens en bedrog te zijn. De grond was slecht, zat vol stenen en moest worden afbetaald. Verder waren er geen voorzieningen, zoals een kerk, een school, een dokter en een winkel voorhanden. Verschillende families trokken weg. De achterblijvers waren op elkaar aangewezen en wisten door dit isolement en de saamhorigheid hun Zeeuwse identiteit te handhaven. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd de omvang van de Zeeuwse gemeenschap nog geschat op honderd. In die jaren was er nog contact via de Nederlandse zending, maar die ging daarna verloren om pas in de jaren zeventig weer te worden opgenomen.
Overigens zijn de Zeeuwen niet de enige Nederlanders die tussen 1858 en 1862 naar Brazilië zijn vertrokken. Blijkens een door Swierenga opgemaakte lijst van emigranten die tussen 1835 en 1880 naar Zuid-Amerika zijn vertrokken, emigreerden in dezelfde tijd 204 personen uit Gelderland en 46 uit Overijssel naar Brazilië. Een groot deel hiervan had de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul als bestemming. Overigens kwam ook een belangrijk deel van de Zeeuwse emigranten uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland daar terecht.

ss-Schiedam-W
SS Schiedam van de NASM

Dertig jaar na het begin van de eerste Zuid-Amerikaanse emigratiegolf deed zich een nieuwe voor. Dit keer was Argentinië het land van bestemming. Ook de Argentijnse regering voerde een actief beleid om in Europa immigranten te werven. Reeds in 1871 opende het land een immigratiebureau in Antwerpen. In 1888 begon de regering met het werven van boeren om de pampa’s te bevolken. ‘Gobernar es poblar’ (regeren is bevolken) was in die jaren in Argentinië een populaire leus. De Argentijnse regering subsidiëerde volledig de overtocht van Europes immigranten tot 60 jaar. Tevens werd goedkoop land in het vooruitzicht gesteld en werden in grote steden speciale immigrantenhotels ingericht.
In Nederland was het tij gunstig voor emigratie. Door de goedkope graanimporten uit de Verenigde Staten werd de Nederlandse akkerbouw zwaar getroffen door een landbouwcrisis. Deze crisis was vooral merkbaar in akkerbouwstreken in Groningen, Friesland en Zeeland. De Argentijnse regering deed er daarom ook alles aan om een deel van de potentiële emigranten, die voor het merendeel naar Noord-Amerika vertrokken, te bewegen om voor haar land te kiezen. De overtocht naar Argentinië werd mogelijk gemaakt door de start in december 1888 van de stoombootverbinding op Buenos Aires van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM), voorloper van de Holland-Amerika Lijn (HAL). In totaal emigreerden tussen 1888 en 1890 4470 Nederlanders naar Argentinië, waarvan het merendeel afkomstig was uit Groningen en Friesland. Zuid-Beveland leverde ca. 600 landverhuizers. Het Argentijnse streven om vooral boeren aan te trekken werd echter niet bewaarheid. Circa 40% van de emigranten was geen boer, maar ambachtsman of losse arbeider. De meeste emigranten werden te werk gesteld op het platteland bij grootgrondbezitters. Door de erbarmelijke leef- en werkomstandigheden stierf een derde van de kolonisten door ziekte, honger of armoede.
Kort na de aankomst van de eerste Nederlandse emigranten werd Argentinië getroffen door een zware economische crisis. Landeigenaren moesten noodgedwongen hun kolonisten ontslaan, die op zoek moesten naar nieuwe werkzaamheden. Meer dan 300 wanhopige families uit de landbouwkolonies en de steden klopten aan bij de Nederlandse consul-generaal Leonard van Riet met het verzoek om een retourpassage naar Nederland. Het consulaat hielp alleen weduwes met kleine kinderen. Uiteindelijk is een kwart van de emigranten naar Nederland teruggekeerd. Veel berooide emigranten vestigden in steden als Buenos Aires en Rosario. Alleen in Tres Arroyos kwam een (nog steeds bestaande) Nederlandse gemeenschap tot ontwikkeling. Door de slechte berichten uit Argentinië een het stoppen van de door de Argentijnse staat beschikbaar gestelde gesubsidieerde overtochten, kwam de emigratie al snel tot stilstand. In 1890 staakte de NASM daarop de bootverbinding op Buenos Aires.

In 1908 kwam een nieuwe emigratiegolf richting Zuid-Amerika op gang, die zich dit keer richtte op Brazilië. Een jaar eerder had de Braziliaanse regering besloten een actief beleid te gaan voeren voor het aantrekken van emigranten. Een “Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilie” werd naar Europa gestuurd om emigranten te werven voor het bevolken van “kolonies”. Eén van de afdelingen van de commissie was gevestigd in Antwerpen en maakte van daaruit propaganda in Nederland. Dat de commissie succes had werd bovendien in de hand gewerkt door het feit dat de Koninkijke Hollandsche Lloyd een jaar eerder vanuit Amsterdam een passagiersverbinding had geopend richting Zuid-Amerika. De combinatie van propaganda met een vrije passage en het vooruitzicht op land tegen aantrekkelijke afbetalingsvoorwaarden en de beschikbaarheid van een directe bootverbinding had direct succes. In 1908 en 1909 vertrokken respectievelijk 1037 en 1036 Nederlandse emigranten naar Brazilië. Het aandeel Zeeuwse emigranten was beperkt; het merendeel van de landverhuizers was afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens een staking in 1907 in de Rotterdamse haven. Hoewel zij in de contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Volgens een collega-emigrant waren de havenwerkers zelfs in staat ‘gekookte bonen te planten’. Mislukking lag dan ook op de loer.

Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie
Opening van Gonçalves Júnior in 1908. Groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie

De emigranten kwamen terecht in kolonies in de zuidelijke deelstaten Paraná en Rio Grande do Sul en in de staat Minas Gerais. De meesten van hen zijn maar korte tijd in de kolonies gebleven. Als snel kwamen er bij de Nederlandse gezant in Rio verzoeken binnen om terug te keren naar Nederland. In totaal zou de Nederlandse regering tussen 1910 en 1913 aan 580 Nederlanders retourpassages verlenen. Opmerkelijk is verder dat met name vanuit de zuidelijke deelstaat Rio Grande do Sul al in 1909 327 emigranten naar Argentinië waren vertrokken. De kolonie die gedurende korte tijd de meeste Nederlanders huisvestte was Gonçalves Junior in Paraná. In deze kolonie, die onder emigranten bekend stond als het vrouwenkerkhof, werd de basis gelegd voor de oudste succesvolle groepsvestiging in Brazilië, Carambeí. In 1911 slaagden enkele emigranten van Gonçalves Junior erin bij de spoorwegmaatschappij grond te verwerven. Nadien zouden emigranten uit Nederland deze groepsvestiging versterken en werd er een begin gemaakt met familieleden en voormalige dorpsgenoten.

Waar zijn de emigranten gebleven? Voor het merendeel van de Zeeuwse emigranten naar Brazilië en Argentinië geldt dat ze niet in staat waren om terug te keren vanwege hun kommervolle leefomstandigheden. Behalve in Espírito Santo in Brazilië zijn er waarschijnlijk ook in Argentinië nog nazaten van Zeeuwse emigranten te vinden. Van hen die naar Europa terugkeerden, is waarschijnlijk een deel na enige tijd opnieuw geëmigreerd en ditmaal naar Noord-Amerika. Illustratief zijn in dit geval de lotgevallen van een niet-Zeeuwse familie, nl. de familie Drenth uit Westerlee in Oost-Groningen. Antko Drenth, zijn vrouw Reina Dijk en hun drie kinderen emigreerden in 1889 naar Argentinië. Zij kwamen aanvankelijk op de pampa’s terecht. Toen ze als gevolg van de crisis in Argentinië werden ontslagen begonnen zij een zwerftocht door Argentinië op zoek naar een nieuw bestaan. Toen die ook niets opleverde, kwamen zij in 1891 in op een koffieplantage in Brazilië terecht. Antko Drenth en twee van hun kinderen zijn daar gestorven. Met financiële hulp van familie en bekenden keerden Reina Dijk met twee kinderen in november 1893 terug naar Nederland. In 1905 en 1906 emigreerden zij naar Michigan in de V.S.

Lezing gehouden op 18 juli 2014 in Middelburg tijdens de Viering 200 jaar Provincie Zeeland: Komen, gaan en terugkeren.

“Ik Vertrek”

Some Trends in Recent Emigration from the Netherlands

Across bordersThe Dutch interest in emigration has shown a marked increase in the last ten years. “Ik Vertrek” is a popular Dutch reality show which follows current emigrants through their migration experience. This show examines the intentions and aspirations of their fellow citizens; it follows them through their adventures and misfortunes, shows them assimilating into their new habitat, and then displays the final outcome of their decision to emigrate.
The show opens on the eve of the emigration; it is a familiar scenario. The emigrants explain why they want to leave the Netherlands and which goals they want to realize in their new country. We see their goodbyes to their colleagues and family and the actual start of their migration. We next observe them arriving in their new environment. Most of the emigrants aspire to establish a tourism-related business: a campground, a hotel, or a bed-and-breakfast. They have sold their home, and now it is necessary to reinvest all of that capital in their new business. In many cases they have to renovate old buildings before they can actually welcome their first guests and start earning money. They suffer many hardships during the first year in their new home, some of which may not have occurred if they had been more thoroughly prepared for their migration. Most emigrants say that they don’t regret their decision to move, btit some of them are obliged to return to the Netherlands because of financial or personal setbacks.
“Ik Vertrek” is an expression of a remarkable trend in Dutch migration figures. Between 2003 and 2007, for the first time since the 1950s, the Netherlands had a rise in emigration. Although most of these emigrants are former immigrants to the Netherlands who return to their country of origin, there are also a substantial number of native citizens who are leaving. According to recent research, the new emigrants have very different motives from those who left the country to emigrate to Canada and Australia in the 1950s. Whereas the traditional emigrants were in search of a better life for themselves and their children, the modern emigrant is predominantly dissatisfied with contemporary society. In “Ik Vertrek,” characters complain about overpopulation, criminality, restrictive regulations, and the bad behavior of the Dutch. People who leave the country are in search of the good life, tranquillity, space, nature, and friendly people. Earning more money is not important; one-third of the emigrants expect that their income will decrease. Qyality of life is in most cases more important than level of income.
Recent Dutch emigrants mainly go to other European countries (69 percent between 1999 and 2006). For many of them, emigration means moving to a place only ten to twenty kilometers outside the Dutch borders, to Belgium or Germany. In most cases they continue their social life and even their jobs in the Netherlands and don’t see themselves as emigrants. About 31 percent decide to move to other European countries, whereas only 15 percent emigrate overseas, to the United States, Canada, Australia, and New Zealand. France and Spain are very popular.

Lees meer in het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits, ‘”Ik vertrek”: Some Trends in Recent Emigration from the Netherlands’ in: J.E. Nyenhuis, S.M. Sinke and R.P. Swierenga (ed.), Across Borders. Dutch Migration to North America and Australia (Holland, Michigan: Van Raalte Press, 2010), pp. 245-251.

Postwar Migration from the Netherlands

Dutch Overseas kleinBefore the Second World War, the Netherlands had no real emigration tradition. Between 1840 and 1940, the population of the Netherlands grew from a little over five million to almost nine million, but throughout this period, only around 250,000 Dutch inhabitants emigrated (Broeze 1988). During the same period, eighteen million people emigrated from the British Isles (Ireland included) and ten million from Italy (Hofstede 1964). Pre-war Dutch emigration consisted mainly of the emigration of farmers. Studies were done to find a solution to the structural unemployment in agriculture and agricultural emigration seemed to be the bestoption (Hartland 1959). However, due to the global economie depression in the 1930s, the emigration of farmers was not very successful. It was only after the Second World War that the emigration situation in the Netherlands changed for the brief period of a decade. This large scale desire to emigrate, which reached its peak in 1948 when over 30% of the Dutch population was found favourably disposed to emigration, was in many ways unique, and emigration then became a policy issue in the Netherlands (Hofstede 1964; Duiker 1987). After the Second World War, the pre-war problems were still evident in the agrarian sector. But not only farmers wanted to emigrate in the post-war years. Thousands of Dutch citizens expressed a desire to go to such countries as Australia, New Zealand, Canada, and Brazil, and in 1952, more than 48,000 emigrants left the Netherlands.

Lees meer in de [PDF] van dit artikel.

J.W. Elferink & Mari Smits, `Post-War Migration from the Netherlands’ in: J. Klatter-Folmer, Dutch Overseas. Studies in maintenance and loss of Dutch as an immigrant language (Tilburg: Tilburg University Press, 1997), pp. 21-31.

 

 

Farmers under Pressure

Recent emigration of Dutch Farmers

Bol og ByOp 21 september 2001 hield ik op uitnodiging van de Deense Vereniging voor Landbouwgeschiedenis (Landbohistorisk Selskab) in Tisvildeleje, 60 kilometer ten noorden van Kopenhagen, een lezing over de recente emigratie van Nederlandse boeren. Aanleiding voor de uitnodiging was een recente studie van twee Deense onderzoekers, die studie hadden gedaan over de integratie van de vele Nederlandse boeren die zich in de jaren negentig in Denemarken (met name in het zuidwesten van Jutland) hadden gevestigd en een modern landbouwbedrijf hadden opgebouwd. Mijn bijdrage werd een jaar later gepubliceerd in het Deense landbouwhistorische tijdschrift Bol og By.

Lees het [PDF] van dit artikel.

‘Farmers under pressure. Recent emigration of Dutch farmers’ in: Bol og By. Landbohistorisk Tidsskrift (Denemarken) (2002), nr. 1, p. 65-74.

 

Nederlanders in Brazilië

150 jaar groepsmigratie tussen integratie en identiteit

Over de Nederlandse groepsmigratie is in de afgelopen decennia al veel literatuur verschenen. Zowel historici – waaronder ikzelf -, antropologen, sociologen, landbouwkundigen en geografen hebben dit verschijnsel dat zich nergens anders in die omvang heeft voorgedan, aan een serieuze studie onderworpen. Bovendien hebben ook de emigranten zelf hun geschiedenis te boek gesteld en zijn er ook enkele journalistieke werken over de Nederlandse groepsvestigingen verschenen.

Molen 'Povos Unidos', Holambra I

Molen ‘Povos Unidos’, Holambra I

Opvallend is dat er nauwelijks pogingen ondernomen zijn voor een integrale benadering van de Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië. Het boek Praktijk en patroon van recente Nederlandse groepsmigraties van Willem van der Mast is een uitzondering, maar dateert alweer van 1963. Ook Kees Wijnen’s rapport De Nederlandse agrarische groepsvestigingen in Brazilië uit 2001 is een integrale studie, maar focust zich vrijwel uitsluitend op landbouwkundige ontwikkelingen. Alle andere studies hebben in de regel één of enkele groepsvestigingen tot studieobject. Inmiddels is de omvangrijke reeks boeken verder verrijkt met nieuwe werken over Carambeí, Gonçalves Junior, Holambra I en Campos de Holambra (Holambra II). Hoewel nieuw onderzoek in Nederland en in Brazilië meer licht zal werpen op de afzonderlijke groepsvestigingen en ongetwijfeld ‘untold stories’ aan het licht zal brengen, is er alle aanleiding om een geïntegreerde geschiedschrijving van de Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië te entameren. In het navolgende wil ik daarvoor een korte opzet schetsen aan de hand van reeds verschenen literatuur. Daarna zal ik mijn bijdrage afsluiten met enkele opmerkingen over de integratie van de Nederlandse groepsvestigingen in de Braziliaanse samenleving.

De geschiedenis van de Nederlandse emigratie naar Brazilië sinds de onafhankelijkheid in 1822 omvat drie fasen:

  1. Groepsmigratie als resultaat van het opereren van Braziliaanse propagandacommissies in Nederland (1858-1940).
  2. Georganiseerde groepsmigratie als resultaat van nauwe samenwerking tussen Nederlandse en Braziliaanse overheden (1940-1970).
  3. Spontane vestiging (1970-heden).

1858-1940
De eerste fase begint in 1856 als vanuit de deelstaat Espírito Santo de Associação Central de Colonização (ACC) met behulp van het emigratiekantoor Steinmann & Co uit Antwerpen inschakelde om propaganda te maken voor nieuwe landbouwkolonies. Met beloftes van een vrije Op een dagovertocht en een stuk grond tegen aantrekkelijke voorwaarden werden tussen 1858 en 1862 Zeeuwse landarbeiders naar Brazilië gelokt. Van enkele vestigingen in Espirito Santo zijn 150 jaar na dato amper sporen van Nederlandse aanwezigheid terug te vinden. De betrokken families zijn óf verder getrokken of volkomen geassimileerd en hoogstens herkenbaar aan verbraziliaanste achternamen. Alleen de kolonie Holanda, waar zich nazaten van emigranten van emigranten uit Zeeuws-Vlaanderen bevinden, heeft de tand des tijds weten te doorstaan. De groep wist amper het niveau van zelfvoorziening te ontstijgen en wist wonderwel zijn Nederlandse identiteit te handhaven. Heden ten dage spreken nog enkele nazaten een Zeeuws-Vlaams dialect. Hun lotgevallen zijn in 2008 opgetekend door Ton Roos en Margje Eshuis onder de titel Op een dag zullen ze ons vinden.

In 1908 kwam een nieuwe propagandacommissie – ditmaal opgezet door de Braziliaanse federale overheid ‑ met vergelijkbare verhalen naar Europa en wist in de periode 1908-1910 ruim capa_contracapa_final.inddtweeduizend Nederlandse emigranten naar Brazilië te lokken. De emigratie werd bovendien gestimuleerd door de geregelde bootdienst die de Hollandsche Lloyd net begonnen was met bestemming Zuid-Amerika. De emigranten vestigden zich in de centrale deelstaat Minas Gerais en de twee zuidelijke deelstaten Rio Grande do Sul en Paraná. De bekendste nederzetting waar Nederlandse emigranten zich vestigden was Gonçalves Junior in de deelstaat Paraná. De berichten over misstanden in de kolonies waren voor de Nederlandse regering aanleiding om ongeveer 1000 emigranten te repatriëren. Voor veel emigranten kwam dit te laat. Zij waren al door ziekten en slechte voeding gestorven en van het opzetten van een eigen landbouwbedrijf kwam meestal niets terecht in een nog onontgonnen en geïsoleerd gebied. Gonçalves Junior kreeg bij de Nederlandse emigranten de dubieuze naam ‘het vrouwenkerkhof’. Over deze emigratiegolf publiceerden Ruth en Willem Kiewiet uit Carambeí in 2011 een rijk geïllustreerd boek.

De stichting van Carambeí vloeide voort uit het mislukken van Gonçalves Junoir. Enkele families, aangevuld met nieuwkomers uit het Zuidhollandsche ’s-Gravendeel en de Haarlemmermeer, begonnen in 1911 een nieuwe vestiging op grond die voor hen beschikbaar was gesteld door de ‘Brasil Railway Company’. Carambeí, door Kees Wijnen gerekend tot de projectvestigingen, was van oorsprong een spontane vestiging, die door zijn homogene karakter – de meeste emigranten waren van gereformeerde komaf en hebben een eigen kerk, eigen scholen en later ook een coöperatie gesticht – na 1945 werd gerekend tot de grote Nederlandse landbouwkolonies.

1940-1970
De tweede fase van de Nederlandse emigratie naar Brazilië begint na 1945 als kerkelijke en maatschappelijke groeperingen in Nederland op zoek gaan naar mogelijkheden voor groepsvestigingen. De katholieken waren de eersten die hierin slaagden met de stichting van Holambra I in 1948 in de deelstaat São Paulo. Gereformeerde boeren uit Noord-Nederland, mede geholpen door de Christelijke Emigratie Centrale en de bestaande kolonie Carambeí volgden in 1951 met de stichting van Castrolanda op circa 35 kilometer afstand van Carambeí. In beide projectvestigingen vormde naast de kerk de door hen opgerichte coöperatie het middelpunt van de gemeenschap. In 1960 werd vanuit Carambeí en Castolanda een vervolgnederzetting opgezet nabij Arapotí, waar zich ook nieuwe emigranten uit Nederland vestigden. Dit gebeurde nog hetzelfde jaar ook vanuit Holambra I, wat leidde tot de stichting van Holambra II.

Eén projectvestiging komt amper meer ter sprake en dat ligt vooral aan het feit dat deze in het begin van de jaren zeventig is opgeheven. In 1949 stichtte een groep vrijgemaakt-gereformeerde boeren in de deelstaat Paraná de groepsvestiging Monte Alegre. De emigranten hadden de grond die zij bewerkten niet in eigendom en moesten toen de papierfirma Klabín de pacht opzegde, de kolonie verlaten. Pogingen om een nieuwe vestigingsplaats te vinden liepen op niets uit, waarna de groep zich gedwongen zag terug te keren naar Nederland. Ook de lotgevallen van deze emigranten vragen om serieus historisch onderzoek.

Ook in deze tweede fase was sprake van spontane vestiging. Deze kwamen voort uit de interne moeilijkheden die Holambra I in de eerste tien jaar heeft moeten doorstaan. Een grote groep vestigde zich tussen 1951 en 1953 in Rio Grande do Sul in de nabijheid van Não Me Toque. Een deel van de emigranten keerde later terug, terwijl anderen een grote materiële welvaart wisten te realiseren. Van grote onderlinge samenhang was geen sprake. Met een coöperatie hadden ze slechte ervaring. In 1953 vestigde zich een kleine groep voormalige katholieke Holambra-boeren zich in Tronco, in de nabijheid van Carambeí en Castrolanda terwijl in 1959 een groep zich in het kustgebied van de zuidelijke deelstaat Santa Catarina vestigde.

1970-heden
Na 1970 begon een nieuwe fase van spontane vestiging. Hier ging het om boeren die verspreid in de nabijheid van een stad bedrijven stichten. Ze kenden in de regel weinig of geen gemeenschappelijke verenigingen of instellingen. Vaak zijn het kinderen van emigranten in de oudere groepsvestigingen die hun vleugels uitslaan, soms aangevuld met nieuwe emigranten. De oudste van dit type vestigingen waren Maracajú in de deelstaat Mato Grosso do Sul en Paracatú in Minas Gerais, beide opgericht in 1972. In 1985 volgden Rio Verde in de deelstaat Goias en Brasolândia in de deelstaat Minas Gerais, en in 1995 Balsas in de noordelijke deelstaat Maranhão. De groep boeren van Nederlandse komaf in Maracajú kent een gemengde komaf. Hierbij waren emigrantenkinderen betrokken uit zowel Não Me Toque, de Paraná-kolonies en de Holambra’s. Paracatú werd opgezet vanuit Não Me Toque. In Rio Verde vestigden zich emigrantenkinderen uit de beide Holambra’s terwijl in bij de vestiging Balsas emigranten uit Carambeí, Castrolanda en Arapotí waren betrokken. De vestiging Brasolândia (Unaí) verdient bijzondere aandacht, omdat het hier gaat om een groep vrijgemaakt-gereformeerden, waaronder familieleden en kennissen van de groep emigranten die eerder gevestigd waren in de opgeheven nederzetting Monte Alegre.

Vergelijking
Door in plaats van geschiedenissen te schrijven van afzonderlijke groepsvestigingen of uit te gaan van de religieuze gezindheid van groepsvestigingen – dus alleen een geschiedenis van de protestantse vestigingen in Paraná of de katholieke Holambra’s in de deelstaat São Paulo, ontbreekt de mogelijkheid om vergelijkingen te maken tussen nederzettingen die in dezelfde periode zijn ontstaan en die desalniettemin een andere ontwikkeling hebben doorgemaakt. Zelf heb ik 25 jaar geleden onderzoek gedaan naar de bewogen ontstaansgeschiedenis van Holambra I. Castrolanda werd in dezelfde tijd gesticht maar is interne scheuringen bespaard gebleven. Ligt dit in de verschillen in aanpak van de selectie van emigranten, de homogeniteit van de groep of speelde de factor religie hierin een doorslaggevende rol? Feit is wel dat in beide groepsvestigingen sprake was van aanvangsmoeilijkheden, waarbij Castrolanda kon steunen op kennis, ervaring en financiële ondersteuning van Carambeí. Ook de ontwikkelingen in Arapotí en Holambra II lenen zich voor een vergelijking.

Integratie en identiteit
De wijze waarop een groepsvestiging was georganiseerd, de sociaal-economische status en ook vooral de kerkelijke denominatie van de emigranten waren in belangrijke mate bepalend voor de integratie in de Braziliaanse samenleving. Het sociaal-economische isolement stelde de nazaten van de Zeeuwse emigranten in Holanda, Espirito Santo in staat hun Nederlandse identiteit na zes generaties in stand te houden. De verbetering van de infrastructuur en de stichting van sociale voorzieningen, zoals onderwijs, zorgt ervoor dat heden ten dage die identiteit onder druk komt te staan en het dus onwaarschijnlijk is dat er over enkele decennia in de binnenlanden van Espirito Santo nog een Zeeuws-Vlaams dialect wordt gesproken.

Voor de latere vestigingen geldt dat de Nederlandse identiteit het sterkst wordt beleefd in de coöperatief georganiseerde landbouwvestigingen en in mindere mate op de verspreide vestigingen, zoals Não Me Toque en de meeste spontane vestigingen van na 1970. De emigranten in deze vestigingen maken deel uit van een grotere gemeenschap van mensen met een uiteenlopende herkomst. In enkele vestigingen is sprake van enkele gemeenschappelijke  activiteiten, maar de infrastructuur die de vijf projectvestigingen kennen, ontbreekt.

In de vijf projectvestigingen zijn de emigranten en hun kinderen niet alleen sociaal-cultureel met elkaar verbonden, maar ook zijn zij economisch op elkaar aangewezen. Bovendien wordt het wij-gevoel versterkt door eigen kerken, winkels, sportvoorzieningen, scholen e.d. Tussen de coöperatieve landbouwvestigingen is bovendien een verschil waarneembaar tussen de katholieke Holambra’s en de protestants-christelijke kolonies in Paraná. Heden ten dage beroepen zij nog steeds Nederlandse dominees, terwijl de tijd dat het religieus leven op de Holambra’s bepaald werd door Nederlandse paters en zusters al enkele decennia achter ons ligt. Voor de Holambra’s geldt overigens dat al vanaf de jaren zeventig gemengde huwelijken tussen emigrantenkinderen en Brazilianen gemeengoed zijn geworden; in de protestants-christelijke groepsvestigingen ligt dit gezien het religieuze verschil gevoeliger. Ook de Nederlandse taal weet zich hierdoor beter te handhaven dan op de katholieke Holambra’s.

Voor de meeste Nederlandse groepsvestigingen geldt bovendien dat het sociaal-economisch succes een kloof gecreëerd heeft. De emigranten zijn vaak eigenaar van grote landbouwbedrijven, terwijl de Brazilianen als landarbeider of werknemer bij hen in dienst zijn. Pas met de komst van goedopgeleide Brazilaanse werknemers ontstond er een meer gelijkwaardige positie tussen de Nederlanders en een deel van de Braziliaanse bevolking. Het ligt in de verwachting dat deze kloof langzaam gedicht wordt. Toen ik 25 jaar geleden een jaar op Holambra I verbleef constateerde ik dat de oude generatie nog duidelijk Nederlands was, maar de tweede generatie een mengelmoes was van Nederlandse en Braziliaanse invloeden, een verschijnsel dat we in Nederland ook aantreffen bij de tweede generatie allochtonen.

Campos de Holambra

Campos de Holambra

Terwijl in spontane vestigingen de Nederlandse identiteit langzaamaan minder zichtbaar zal worden, is dit op de vijf projectvestigingen nog niet het geval. Integendeel, uit commerciële overwegingen wordt die identiteit juist opgepoetst. Mede aangespoord door Braziliaanse politici, worden de groepsvestigingen getransformeerd tot toeristische trekpleisters, waarbij ook Brazilianen zich een Nederlandse identiteit aanmeten. Het zou me niets verbazen als zij ook deelnemen aan het klompendansen en allerlei Nederlandse attributen, zoals Delfts blauw, klompen en molentjes verkopen. De Nederlandse identiteit wordt daarmee deel van de culturele diversiteit die de Braziliaanse samenleving kenmerkt.

Kerkelijke ontwikkelingen
Tot slot nog enkele opmerkingen over de Nederlandse protestantse inbreng in Brazilië. Carambeí, Castrolanda en Arapotí stonden aan de wieg van de Braziliaanse zusterkerk van de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Igrejas Evangelica Reformadas do Brasil (IER). Binnen het enorme land is het maar een kleine religieuze entiteit van 2500 lidmaten, die bovendien nauw gelieerd is aan de Nederlandse agrarische groepsvestigingen. Buiten deze vestigingen zijn er inmiddels enkele zendingskerken ontstaan.

Castrolanda

Castrolanda

De Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) kenden in Brazilië een heel bewogen geschiedenis. De in de jaren zeventig opgeheven nederzetting Monte Alegre nam zowel in de Braziliaanse samenleving als ook binnen de Nederlandse groepsvestigingen een geïsoleerde positie in. Aangezien de vrijmaking in Nederland nog vers in het geheugen lag, was aansluiting van hun kerk bij de IER niet aan de orde. De houding binnen de emigrantengroep tegenover integratie was ronduit negatief. Illustratief is waren de woorden van hun dominee Los: ‘Wie naar Brazilië emigreert, blijve Nederlander!’ De groep beschouwde zich als een op zichzelf staande gemeenschap, wier leden op elkaar waren aangewezen. Omgang met de inheemse bevolking werd niet mogelijk geacht. Net als de andere projectvestigingen heeft ook Monte Alegre eind jaren vijftig pogingen ondernomen om een vervolgnederzetting op te zetten. Begin jaren zeventig werd de kolonie zoals gezegd opgeheven. Van der Mast concludeerde in zijn studie over groepsmigraties dat deze groep emigranten het verkeerde land van vestiging heeft gekozen.

Bij de stichting van de Brasolândia in 1985 hebben de vrijgemaakte geloofsgenoten gekozen voor een meer open nederzetting temidden van de Braziliaanse bevolking. Ook de kerk die zij in 1991 gesticht hebben was minder geïsoleerd. Allereerst heeft men een Braziliaanse predikant aangesteld; bovendien heeft de kerk zich in 2002 aangesloten bij de Igreja Reformada do Brasil, een vrijgemaakt-gereformeerd kerkgenootschap, die het resultaat was van de zendingsactiviteiten van Nederlandse en Canadese zusterkerken in het noorden en en zuiden van Brazilië. Toch vormt ook de IRB met ongeveer 500 lidmaten een kleine geloofsgemeenschap die nog veel zendingswerk zal moeten verrichten om dieper te wortelen in de Braziliaanse samenleving.

Besluit
In het voorgaande heb ik willen aantonen dat integratie in de Braziliaanse samenleving afhankelijk is van drie factoren, namelijk de mate van geslotenheid van een groepsvestiging, de religieuze identiteit van de emigrantengroep en de sociaal-economische positie. Van geslotenheid is momenteel nauwelijks meer sprake, wel kan een combinatie van materiële welvaart en een afwijkende religieuze identiteit remmend werken op het integratieproces. Anderzijds biedt Brazilië voldoende ruimte voor uiteenlopende nationale en religieuze tradities. Het land is immers een toonbeeld van culturele diversiteit. Daarin is uit commerciële en toeristische overwegingen volop ruimte voor het oppoetsen van het Nederlandse karakter van de groepsvestigingen.

Deze bijdrage is een geactualiseerde versie van een lezing gehouden tijdens een studiedag van de Christelijke Emigratie Centrale op 24 april 2009 te Utrecht. Zie voor meer verhalen over de Nederlandse emigratie naar Brazilië holambra.nl

Religieuze emigratieculturen

EmigratiecultuurEnne Koops, De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963). Hilversum: Verloren, 2010. Passage Reeks 36. 416 blz., € 39,-. ISBN 978-90-8704-155-7.

De geschiedschrijving over de overzeese emigratie naar Noord-Amerika richtte zich tot dusverre vooral op de periode 1840-1940. Over de naoorlogse emigratie zijn, afgezien van belangrijke deelstudies, nog geen grote overzichtswerken verschenen. Het boek van Enne Koops is het eerste dat in deze leemte wil voorzien. Hoewel Koops zich op de eerste plaats richt op de religieuze factor in de naoorlogse emigratie, biedt hij inzicht in de grote betekenis die deze landverhuizing had in de geschiedenis van Nederland na 1945. Een andere verdienste is het dat hij poging doet om een brug te slaan tussen twee historiografische tradities: de Nederlandse waarin vooral de vertreksituatie centraal staat en de Noord-Amerikaanse waarin vooral de aankomst, opvang en integratie van emigranten wordt beschreven. Koops behandelt beiden en besteedt bovendien aandacht aan schakel tussen beiden: het vervoer overzee en vooral de betekenis van de geestelijke begeleiding aan boord.

De kern van het boek handelt over het religieuze aspect van het emigratieproces, waarbij zijn focus vooral ligt op de gereformeerde gezindten, die in 1947 reeds konden bogen op een emigratietraditie van 100 jaar. Andere gezindten, zoals de katholieken en hervormden, komen in het boek ook voor, maar dienen vooral als controlegroepen. Kernbegrip in zijn boek is het al of niet aanwezig zijn van een ‘emigratiecultuur’, dat hij omschrijft als ‘de aanwezigheid van ervaringen binnen een culturele groep en de omzetting daarvan in positieve of negatieve actie’. Als bouwstenen voor deze emigratiecultuur merkt Koops aan de aanwezigheid van een emigratietraditie, beeldvorming en de organisatie van de landverhuizing. Omdat de gereformeerden uit de Gereformeerde Kerken in Nederland konden bogen op een honderdjarige emigratietraditie, positief stonden over emigratie en konden beschikken over een goed georganiseerd netwerk in Nederland en overzee, is het logisch om te concluderen dat zij een sterke emigratietraditie hadden. Dat neemt echter niet weg dat met name de katholieken, die direct na de oorlog nog niet beschikten over een emigratiecultuur, meer dan de gereformeerden, samen met de socialisten vorm hebben gegeven aan het naoorlogse actieve emigratiebeleid. Hoewel in hun opvattingen over emigratie na 1945 bescherming tegen mogelijk geloofsafval centraal bleef staan en hun netwerk in Canada zwak bleef, slaagden zij er wel in om toch een emigratiecultuur op te bouwen, vooral dankzij de aanwezigheid van diverse Nederlandse religieuzen in Australië en Nieuw-Zeeland. De gereformeerden konden daar daarentegen niet voortbouwen op een reeds bestaand netwerk.

Koops wijt de oververtegenwoordiging van de synodaal gereformeerden in de naoorlogse emigratie naar Noord-Amerika vooral aan de sterke emigratiecultuur binnen hun kerkgemeenschap. Daarmee ligt de vooronderstelling op de loer dat de religieuze factor een bepalende rol zou hebben gespeeld bij de beslissing om te vertrekken. Ik ben ervan overtuigd dat economische, sociale en politieke factoren (de dreiging van het communisme) een veel belangrijkere rol hebben gespeeld. Om vooral de economische en landbouwkundige factoren beter uit te lichten is meer onderzoek nodig naar regionale verschillen. Daarbij moet echter – anders dan Koops doet met zijn vergelijking tussen de synodaal gereformeerden in de Drenthe en de bevindelijk gereformeerden in de Zeeland – meer gelet worden op de situatie in de landbouw. Dit betekent dat er meer moet worden gelet op verschillen in de agrarische bedrijfsstructuur in de onderscheiden delen van het land en er aandacht moet worden besteed aan het probleem van de jonge boeren op de zandgronden. Wil men regio’s vergelijken aan de hand van een verschillende religieuze samenstelling, dan dient de landbouwkundige situatie van die regio’s met elkaar overeen te komen. Omgekeerd kan men ook twee gereformeerde regio’s met verschillen in grondsoort en bedrijfsstructuur met elkaar vergelijken.

Koops toont verder aan de aanwezigheid van een sterke emigratiecultuur en een goed overzees netwerk niet noodzakelijkerwijs een garantie hoeft te zijn dat gereformeerden zich blijvend aansluiten bij de zusterkerken van de Christian Reformed Church. Veel gereformeerden kozen er uiteindelijk voor om ook in kerkelijk opzicht met een schone lei te beginnen en afscheid te nemen van de religieuze spanningen die de vrijmaking binnen hun kerkgemeenschap had veroorzaakt. Kortom, ook de gereformeerden konden hun geloofsgenoten niet behoeden voor kerkverlating, de activiteiten van de fieldmen en home missionaries ten spijt!

Eerder gepubliceerd op www.protestant.nl