Home » Posts tagged 'Gerard Vissering'

Tag Archives: Gerard Vissering

Categorieën

Archief

Van Zuiderzee tot Flevoland (6): de Zuiderzeewet

Op 14 juni 1918, na 70 jaar plannen maken en ijveren voor de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee, was het dan eindelijk zover. De Zuiderzeewet, die de uitvoering van het plan-Lely behelsde, verscheen in het Staatsblad en daarmee kon een begin worden gemaakt met de uitvoering van het grootste waterstaatswerk dat Nederland ooit heeft ondernomen. Voordat het zover was, moest er nog veel worden gedaan om voldoende politiek draagvlak te verwerven voor dit plan.

Het wetsontwerp-Kraus

Jacob Kraus
Jacob Kraus

In een vorige bijdrage zagen we dat in 1901 de nieuwe minister van Waterstaat Johannes Christiaan de Marez Oyens niet overtuigd was van de technische uitvoerbaarheid van het plan-Lely en daarom het eerste wetsontwerp van Lely introk. Toen in 1905 een nieuw liberaal kabinet aantrad, werd Cornelis Lely niet gevraagd om opnieuw minister te worden. De belangrijkste reden was waarschijnlijk dat de nieuwe minister van Financiën (en minister-president) Theodoor de Meester een zuinig financieel beleid wilde voeren en daarvoor Lely met zijn “dure voortvarendheid” niet kon gebruiken. Ook het feit dat één van de tegenstanders uit de Staatscommissie van 1892 – Jacob Dirk Veegens – minister werd, gaf voedsel aan de vrees dat ook het nieuwe kabinet de Zuiderzeezaak geen warm hart toedroeg.
Minister van Waterstaat werd Jacob Kraus, een man met internationale ervaring. Hij had in Chili leiding gegeven aan diverse waterstaatsprojecten en gedoceerd aan de universiteit van Santiago. Hij aanvaardde zijn ministerspost op voorwaarde dat hij nog een afgesproken reis naar Chili kon maken. Wat Kraus met de Zuiderzee voor had, bleef vooralsnog in het ongewisse. Tijdens zijn reis (die duurde van maart tot juli 1906) kwam hij tot de overtuiging dat de droogmaking van de Zuiderzee moest worden aangepakt. Terug in Nederland deelde hij zijn collega-ministers mee dat zijn voorkeur uitging naar het volledige plan in plaats van het beperkte plan dat Lely in 1901 had neergelegd in zijn eerste wetsontwerp.

Kraus kreeg echter het kabinet niet mee. Zijn collega-ministers waren bevreesd dat een dergelijk ontwerp wegens de grote financiële offers die het de schatkist zou vergen, in de volksvertegenwoordiging geen genade zou vinden. Noodgedwongen moest Kraus zich met minder tevreden stellen. In de Troonrede van 15 september 1906 werd daarom slechts gesproken over de aanleg van één polder zonder voorafgaande afsluiting. In de Tweede Kamer benadrukte hij dat het geenszins de bedoeling was om ‘het weldoordachte plan van den ingenieur Lely en van de Zuiderzeevereeniging ter zijde te schuiven.’ Door allereerst een dam tussen Noord-Holland en Wieringen aan te leggen wilde de regering meer inzicht verwerven in de technische en financiële aspecten van de aanleg van een afsluitdijk van Wieringen naar Piaam. Met de aanleg van de Wieringermeer wilde men de economische voordelen en eventuele bezwaren verbonden aan landaanwinning in de praktijk leren kennen. Het wetsontwerp werd – ondanks een negatief advies van de Raad van State – op 4 november 1907 ingediend bij de Tweede Kamer.
Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging was weinig enthousiast over het wetsvoorstel. Het bestuur steunde het plan, maar benadrukte ook dat het bleef streven naar uitvoering van het gehele plan-Lely. Individuele bestuursleden, zoals het liberale Kamerlid Harm Smeenge, vreesden dat hiermee het gehele plan in de waagschaal werd gesteld. Ook de Amsterdamse ingenieur L.A. Sanders gaf uiting aan zijn ergernis over dewankelmoedige houding van de Zuiderzeevereeniging. Eind 1907 publiceerde hij een eigen ontwerp voor de afsluitdijk. Door bij de aanleg gewapend beton toe te passen zou voor de aanleg 15 miljoen gulden kunnen worden bespaard. Door eerst de afsluitdijk aan te leggen zou het bovendien overbodig zijn om de Wieringermeerpolder te voorzien van zware zeedijken. De Staten-Generaal kon het wetsvoorstel daarom maar beter verwerpen. Door het wetsontwerp dreigde het grote werk van Lely van het toneel te verdwijnen. Sanders: ‘Dat de Zuiderzeevereeniging haar standpunt prijs geeft ter wille van het feit, dat het krenterigste voorstel in het dommelende Holland het meest kans van slagen heeft, komt ons onbegrijpelijk voor. Poover figuur!’

Eind 1907 kwam het kabinet-De Meester te val. Het nieuwe confessionele kabinet-Heemskerk handhaafde het wetsontwerp. In de Tweede Kamer werd bij voortduring de vraag gesteld wanneer er een voorstel zou worden gedaan voor de gehele afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Tijdens de behandeling van de Rijksbegroting van 1911 stelde de regering dat zo’n voorstel met het oog op de toestand van de overheidsfinanciën niet in de lijn der verwachting lag en dat daarom het voorstel van Kraus de voorkeur had. Deze opmerking was voor Cornelis Lely aanleiding om zich als Eerste Kamerlid te mengen in de aloude discussie over de kosten en baten van de Zuiderzeeplannen. Hij stelde dat hij geen tegenstander was van droogmaking van de Wieringermeer. Ook kon hij zich voorstellen dat men uit financiële overwegingen vooralsnog afzag van uitvoering van het grote plan, maar hij voegde er wel aan toe dat zijn voorkeur bleef uitgaan naar het aanvatten van de zaak als één groot geheel, te beginnen met de afsluiting. Minister van Waterstaat Louis Regout antwoordde hierop dat voor de indiening van een wetsontwerp dat tot het maken van een volledige afsluiting met vier inpolderingen ontzaglijk veel moed nodig was. Deze moed had hij niet. Vanwege de stand van de overheidsfinanciën gaf de regering er de voorkeur aan om te beginnen met een meer bescheiden plan, zoals de indijking van de Wieringermeer.

Veranderende militaire inzichten

Cornelis Lely
Cornelis Lely

Na de verkiezingen van juni 1913 verloren de confessionelen hun meerderheid in de Tweede Kamer. Er trad nu een liberale regering aan onder leiding van Pieter Cort van der Linden. Cornelis Lely werd nu opnieuw minister. Voor zijn ministerschap stelde hij uitdrukkelijk als voorwaarde dat de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee onderdeel zou zijn van het regeringsprogramma. Eén van Lely’s eerste beleidsdaden was het intrekken van het wetsontwerp-Kraus. Wat hem voor ogen stond, maakte hij duidelijk door op 16 september 1913 de koningin in de Troonrede te laten uitspreken: ‘Ik acht den tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van den waterstaatkundigen toestand der omliggende provinciën, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn.’

Reeds in mei 1914 was het nieuwe wetsontwerp in concept gereed. Lely stelde ook nu voor om alleen te besluiten tot de aanleg van de afsluitdijk en de beide westelijke polders. Gezien de toegenomen vraag naar land verwachtte hij dat direct na de voltooiing van de afsluitdijk met de voorbereiding van de beide oostelijke polders kon worden begonnen. Lely ging er van uit dat het wetsontwerp bij de aanvang van het nieuwe zittingsjaar aan de Tweede Kamer kon worden aangeboden. Deze verwachting werd niet bewaarheid. De belangrijkste hinderpalen lagen dit keer op militair gebied. Minister van Oorlog Nicolaas Bosboom legde het wetsontwerp in juli 1914 voor advies voor aan de Raad van Defensie. Lely maakte zich daar niet ongerust over. Hij ging er van uit dat dit hooguit zou leiden tot een oponthoud van enkele maanden. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Het kabinet-Cort van der Linden kreeg het zo druk met het bewaren van de Nederlandse neutraliteit, het treffen van maatregelen om het economische leven in stand te houden, de bevolking voor honger te behoeden en buitenlandse vluchtelingen op te vangen, dat verschillende beleidsvoornemens tijdelijk minder prioriteit hadden.

Nederland verklaart den oorlog

In november 1914 werd de voorbereiding van het wetsontwerp hervat. In een brief aan Bosboom verklaarde Lely dat – hoewel nog niet kon worden beoordeeld wat de economische gevolgen van de oorlog waren – het niet uitgesloten was dat na afloop van die oorlog het wenselijk zou zijn ‘spoedig de uitvoering ter hand te nemen van openbare werken, die de welvaart des Lands en daarmede de draagkracht der bevolking zullen kunnen bevorderen.’ Eén van die werken die voor lange tijd werkverschaffing zou kunnen opleveren was de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee.

De Eerste Wereldoorlog haalde alle inzichten over oorlogvoering overhoop. Het verloop van de oorlog en de introductie van nieuw oorlogstuig maakte duidelijk dat Amsterdam niet meer op de oude manier verdedigbaar zou zijn. De reikwijdte van het geschut was zo groot geworden dat Amsterdam zelfs niet meer veilig was voor beschietingen van achter de rond de stad gelegen stelling. Dit maakte het voor militairen bezwaarlijk om zich op korte termijn uit te spreken over de noodzakelijk geachte defensiewerken. Om verder uitstel te voorkomen stelde Lely aan Bosboom voor de voorbereiding van het wetsontwerp los te koppelen van een eventuele studie naar de voorziening in de militaire belangen. Het had geen zin om de droogmaking van de Zuiderzee afhankelijk te stellen van een verouderd verdedigingsstelsel. Men kon er beter van uitgaan dat de Zuiderzee werd drooggemaakt en zich vervolgens afvragen hoe Nederland zich dan kon verdedigen. Als oplossing van de militaire kwestie besloot de regering in oktober 1915 om aan de Zuiderzeewet een artikel toe te voegen dat stelde dat pas met de uitvoering van de Zuiderzeewerken zou worden begonnen nadat bij wet was bepaald welke defensiewerken nodig zouden zijn. Lely ging hiermee akkoord.

 

Net als in 1901 en 1907 oordeelde de Raad van State negatief over het wetsvoorstel. De Raad wees nu op de onzekere financieel-economische situatie die het gevolg was van de oorlog. Voor het kabinet-Cort van der Linden vormde de financiële toestand van het land echter geen beletsel. De regering voorzag reeds in 1914 dat er na de oorlog behoefte zou zijn aan openbare werken die de welvaart van het land en de draagkracht van de bevolking zouden kunnen bevorderen. De mogelijkheid om voor lange tijd praktische werkverschaffing te kunnen bieden, woog daarbij zwaarder dan de lasten voor de schatkist. Het advies van de Raad van State werd dan ook terzijde geschoven. Op 9 september 1916 werd het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend.

Geen financieel bezwaar
Naarmate de oorlog langer duurde, legden bezwaren van financieel-economische aard steeds minder gewicht in de schaal. De voedselschaarste maakte duidelijk hoe afhankelijk Nederland was van invoer vanuit het buitenland. Ter bestrijding van die schaarste voerde de regering een beleid gericht op het vergroten van de eigen landbouwproductie. Met groots opgezette campagnes werden boeren opgeroepen om zoveel mogelijk graan aan de overheid te leveren. In deze moeilijke omstandigheden keken velen reikhalzend uit naar een toekomst waarin Nederland minder afhankelijk zou zijn van de invoer van buitenlands graan. In de Eerste Kamer bekende een lid om deze reden van tegenstander voorstander te zijn geworden. Zijn bezwaren van financiële aard moesten het in deze tijdsomstandigheden afleggen tegen de gebleken noodzaak om in de eigen levensbehoeften te kunnen voorzien. Bij de uitgifte van de droog te leggen gronden zou de verplichting kunnen worden opgelegd om tarwe en rogge te verbouwen.

Werkvrouw Lely

Tijdens de parlementaire behandeling van de Zuiderzeewet klonken de stemmen van tegenstanders met financiële bezwaren nog maar zwak. Een meerderheid van de Tweede Kamer vond het vraagstuk van de droogmaking van de Zuiderzee rijp voor een beslissing. Langer uitstellen was doelloos. Slechts enkele leden gaven aan dat zij het wetsontwerp niet konden steunen vanwege de onzekere financiële vooruitzichten. Voorstanders wezen er op dat, hoewel de buitengewone omstandigheden de lasten van de staatshuishouding aanzienlijk hadden verzwaard, die omstandigheden tevens duidelijk hadden gemaakt dat de financiële draagkracht van Nederland veel groter was dan vroeger werd aangenomen. Door de grote oorlogsuitgaven konden de bedragen die met de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee waren gemoeid, niet meer imponeren. Van groter belang was de mate waarin de economische toestand van het land er mee zou zijn gebaat. Daarom hoefde volgens voorstanders ‘aan finantieele bedenkingen niet een beslissende beteekenis te worden toegekend.’

Tijdens het debat in de Tweede Kamer over de Zuiderzeewet op 14 maart 1918 sprak Lely over het miljoenenbegrip waaraan men tijdens de oorlog gewend was geraakt. Voorheen moest hij als minister binnen de regering en met de Kamer een harde strijd leveren voor iedere miljoen gulden die hij voor een groot openbaar werk nodig had. Nu was dat anders. Men keek er niet meer van op of een werk ‘desnoods eenige millioenen meer kost, mits het maar nuttig is en ter bevordering van de welvaart van het land strekt.’ Ook oud-minister en senator Jacob Kraus schaarde zich achter Lely. Refererend aan zijn wetsontwerp verklaarde hij dat hij destijds zich om financiële redenen zich met minder tevreden moest stellen. Nu lag de zaak totaal anders. De oorlog had het grote financiële struikelblok voor velen weggenomen: ‘Als de bijzondere omstandigheden, die voor ons land uit den oorlog geboren zijn, er toe zullen hebben medegewerkt om ons gemakkelijker te doen heenstappen over de financiële bezwaren van het Zuiderzeevraagstuk, dan zal in onze geschiedenis althans ééne lichtzijde van dien gruwel kunnen worden gewezen.’
Bij de parlementaire behandeling van de Zuiderzeewet werd ook gesproken over de bepaling dat niet eerder met de uitvoering kon worden begonnen dan nadat bij wet was vastgelegd welke defensiewerken er nodig zouden zijn. Een meerderheid van de Tweede Kamer gaf te kennen het een slechte zaak te vinden dat deze uitvoering hiervan afhankelijk werd gemaakt. De Kamer dwong minister van Oorlog Bonifacius de Jonge om het militaire voorbehoud te laten vallen.

Een harde les

Gerard Vissering
Gerard Vissering

Naast de Eerste Wereldoorlog heeft ook de stormramp van 13 op 14 januari 1916 een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de Zuiderzeewet. Gerard Vissering, voorzitter van de Zuiderzeevereeniging en inmiddels president van de Nederlandsche Bank, begreep direct de propagandistische waarde hiervan. Onder de titel ‘Een harde les’ publiceerde hij in het Algemeen Handelsblad vier artikelen waarin hij een parallel trok met de droogmaking van de Haarlemmermeer in de 19e eeuw. Er werd reeds twee eeuwen over droogmaking gesproken en men had pas daartoe kunnen besluiten nadat een grote storm schade had aangericht aan steden en dorpen en Leiden werd bedreigd. Nu zag men geschiedenis zich herhalen met betrekking tot de Zuiderzee. Het was hoog tijd om voorgoed een einde te maken aan het grote gevaar van een open Zuiderzee!

Stormramp 1916 2

Zou de Zuiderzeewet van Lely in 1918 ook zijn aangenomen als de watersnoodramp van 1916 niet had plaatsgevonden en als er buiten Nederland geen oorlog was uitgebroken? Deze “what-if-vraag” is uiteraard hoogst speculatief en onhistorisch, maar een “nee” was zeker mogelijk, temeer als we in de overwegingen de financiële en economische bezwaren in beschouwing nemen die na 1918 de uitvoering van de Zuiderzeewet hebben vertraagd en uiteindelijk ertoe hebben geleid dat de uitvoering van het plan-Lely onvoltooid is gebleven.

Van Zuiderzee tot Flevoland (4): het oordeel der natie

Nadat de Zuiderzeevereeniging had aangetoond dat de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee technisch haalbaar was en een door minister Lely ingestelde staatscommissie deze conclusie had bevestigd, leek het moment aangebroken om te beginnen met de uitvoering. Zover kwam het niet. In 1894 bleek de nieuwe minister van Waterstaat Philip van der Sleyden niet overtuigd te zijn van de noodzaak. Eerst moest maar eens worden aangetoond of het landsbelang ermee gediend was. Ook vroeg hij zich af of de Zuiderzeeplannen werden gedragen door het Nederlandse volk. De Zuiderzeevereeniging ging daarop op zoek naar het ‘oordeel der natie’. Bij de propaganda vóór het plan-Lely kreeg de vereniging gezelschap van een concurrent: de Nationale Zuiderzeebond.

Anton Beekman
Anton Beekman

De Zuiderzeevereeniging besefte dat haar taak nog lang niet volbracht was. Volgens Abraham Wertheim, die de in 1893 overleden oprichter Age Buma was opgevolgd als voorzitter, had de vereniging nu een nieuwe taak, namelijk het voeren van propaganda en het bestrijden van de waan dat de vereniging beter kon worden opgeheven. In haar activiteiten kwam de nadruk dan ook meer te liggen bij het beïnvloeden van de publieke opinie. Het dagelijks bestuur besloot sprekers uit te nodigen om in verschillende delen van het land voordrachten te houden, “opdat duistere punten opgehelderd en eventuele bezwaren getoetst en zoo mogelijk wederlegd kunnen worden.” In vier jaar tijd werden door of met medewerking van de Zuiderzeevereeniging 140 voordrachten in 115 gemeenten gehouden. Het merendeel van deze voordrachten werden verzorgd door de geograaf Anton Beekman, het liberale Tweede Kamerlid Harm Smeenge en W.J.G. van der Veur, kapitein der artillerie.

De Nationale Zuiderzeebond
Eind 1894 kwam op initiatief van de aannemer van waterstaatswerken Pieter Adriaan Bos uit Gorinchem een comité tot stand dat ten gunste van het plan-Lely propaganda wilde voeren. Tot de initiatiefnemers behoorden diverse industriëlen die in de uitvoering van het plan een middel zagen om de economie te stimuleren. Op 1 juni 1895 kwam hieruit voort de Vereeniging ter Bevordering van de Volkswelvaart door drooglegging der Zuiderzee, gewoonlijk aangeduid als de Nationale Zuiderzeebond. Het doel van de bond was het bevorderen van de uitvoering van de Zuiderzeeplannen door het houden van besprekingen en het uitgeven van populaire geschriften. Bij de oprichting telde de bond reeds 205 leden, waarvan er 89 afkomstig waren uit de omgeving van Rotterdam. Reeds een maand na de oprichting van de landelijke bond werd op het eiland Wieringen na een lezing van Van der Veur de eerste afdeling opgericht. Later volgden afdelingen in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, maar ook in ver van de Zuiderzee gelegen plaatsen als Nijmegen, Deventer, Groenlo en Vlissingen. Meestal werd een afdeling opgericht na een lezing van propagandisten als Beekman en Van der Veur.

Overveluwsch Weekblad, 11 december 1897
Overveluwsch Weekblad, 11 december 1897

De Nationale Zuiderzeebond publiceerde tussen 1896 en 1898 enkele brochures met pleidooien voor de uitvoering van het plan-Lely. Met de eerste, Een kort woord aan het Nederlandsche volk, trachtte de bond het volk te bewegen tot een publieke demonstratie ten gunste van uitvoering van het plan. Net als de Zuiderzeevereeniging wees de bond op de financiële voordelen die dit voor Nederland zou meebrengen. Volgens de voorzitter van de afdeling Den

Herman Schaepman
Herman Schaepman

Haag, oud-minister Willem Frederik Rochussen ging de uitvoering in het ongunstigste geval 315 miljoen gulden kosten, maar dan nog zou Nederland het nieuwe grondgebied ver onder de werkelijke waarde verkrijgen.

Een groot pleitbezorger voor het plan-Lely was ook de katholieke voorman Herman Schaepman. Op 31 maart 1897 hield hij in Amsterdam voor 800 à 1000 toehoorders een gloedvol betoog. Hij noemde de drooglegging nuttig en noodzakelijk omdat een volk van tijd tot tijd een groot werk ter hand moest nemen, ongeacht de kosten: “Een groote arbeid verheft een volk, geeft het een krachtig bewustzijn, maakt dat het groote vraagstukken op zedelijk gebied zal durven oplossen, zich zal durven bezielen met groote geestdrift voor een nationale zaak.” Het Nederlandse volk, “dat op het water zijn groote admiralen, op het land zijn groote ingenieurs had,” zou nog eens “toonen door groote daden dat het zijn vaderen waard is,” aldus Schaepman.

Nierop
Frederik Salomon van Nierop

Financiële bezwaren
De belangrijkste bezwaren die in de aanloop naar de totstandkoming van de Zuiderzeewet vam 1918 werden aangevoerd waren van financieel-economische aard. De hoge uitvoeringskosten waren voor de bankiers Frederik Salomon van Nierop en Marten Mees de reden om in de staatscommissie van 1892 niet in te stemmen met de conclusies. In De Economist van februari 1897 zette Van Nierop uiteen dat, alhoewel hij de aanwinst van een twaalfde provincie, “die in vruchtbaarheid van den bodem voor geen der oude gewesten zou onderdoen,” in hoge mate aantrekkelijk achtte, bezwaren van financiële aard de realisering in de weg stonden. Het grootste probleem was dat de uitgaven zeker waren, terwijl er over de mogelijke opbrengsten nog niets met stelligheid te zeggen viel. De uitgaven voor de droogmaking zouden onmogelijk uit de gewone middelen kunnen worden gefinancierd. Daarom diende de overheid bij de becijfering van de kosten rekening te houden met rentelasten. Deze lasten zouden de regering en volksvertegenwoordiging “in elk geval lang doen aarzelen de onderneming te aanvaarden,” aldus Van Nierop. Anderhalf jaar later wees ook Mees op de zekere kosten en de onzekere uitgaven. Hoewel hij grote waardering had voor de technische verdiensten van de Zuiderzeeplannen en de ijver waarmee de voorstanders deze plannen propageerden, kon deze propaganda zijn financiële bezwaren niet wegnemen.

De Zuiderzeevereeniging en de Nationale Zuiderzeebond gingen na de publicatie van Van Nierop in de tegenaanval. In september 1897 organiseerde de Zuiderzeebond een enquête in de provincies rond de Zuiderzee om na te gaan welke financiële voordelen de afsluiting van de Zuiderzee zou opleveren. Aan de hand van de binnengekomen antwoorden berekende de bond dat dit jaarlijks een besparing van ruim één miljoen gulden zou opleveren. Bij een rente van vier procent per jaar zouden de aanlegkosten van de afsluitdijk uiteindelijk 25 miljoen gulden lager uit kunnen komen. Deze besparingen zouden het resultaat zijn van een vermindering van de onderhoudskosten aan de havens en zeeweringen, meer veiligheid door het niet meer voorkomen van stormvloeden, verbeterde uitwatering en het genot van een zoetwaterboezem met mogelijkheid voor waterverversing ten behoeve van landbouw en veeteelt.

Herman Christiaan van Houven van Oordt
Herman Christiaan van Houven van Oordt

Al vanaf 1894 was de Zuiderzeevereeniging bezig met de voorbereiding van een “eenvoudig en bevattelijk geschrift” waarin het plan-Lely van financieel-economische zijde zou worden belicht. De voorbereiding van deze publicatie lag in handen van secretaris Hendrik Christiaan van Houven van Oordt en Gerard Vissering, net als Van Nierop werkzaam als directeur van de Amsterdamsche Bank. Samen publiceerden zij in maart 1898 De economische beteekenis van de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat vooral bedoeld was om de tegenstanders uit de financiële wereld van repliek te dienen. Het boek werd ruim verspreid onder gemeentebesturen, krantenredacties en leden van de Staten-Generaal en de Raad van State. Was de Zuiderzeevereeniging doorgaans gewend kritiek van tegenstanders te negeren of met geringschatting te bejegenen, in De economische beteekenis werd Van Nierop gekwalificeerd als de enige die de Zuiderzeeplannen aan een grondige beoordeling had onderworpen. Impliciet gaf de Zuiderzeevereeniging daarmee toe dat Van Nierops denkbeelden een belangrijke rol zouden spelen bij de besluitvorming over het plan-Lely en dat het financiële bezwaar de belangrijkste hindernis was die de uitvoering in de weg stond.

Het eerste wetsontwerp
In augustus 1897 trad het kabinet-Pierson aan. In dit kabinet, dat de geschiedenis zou ingaan als initiator van wetgeving op het gebied van volkshuisvesting en sociale zorg, werd Lely opnieuw minister van Waterstaat. De voorstanders van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee hoopten dat hij er nu in zou slagen zijn plan vast te leggen in wetgeving. Een jaar na zijn aantreden legde hij een eerste ontwerp voor aan zijn collega-ministers. Een bespreking in de ministerraad bleef echter uit. Minister van Financiën Nicolaas Pierson had problemen met de financiering. Hij achtte een project dat 190 miljoen gulden zou kosten een te grote schok voor de Nederlandse natie. Minder problemen had hij met een project van bescheidener omvang, zoals de bouw van enkel de afsluitdijk, zo stelde hij tegenover een delegatie van de Zuiderzeevereeniging.

Het wetsontwerp van 1901
Het wetsontwerp van 1901

Lely kreeg daarop de opdracht een plan van een bescheidener omvang in overweging te nemen. Hij besloot zich daarop te richten op het maximaal haalbare. Uiteindelijk wist hij Pierson mee te krijgen voor een wetsontwerp dat de aanleg van een afsluitdijk en de twee kleinste polders, te weten de Wieringermeer en een zuidwestelijke polder. Het wetsontwerp werd ingediend op 7 mei 1901, kort voor de Tweede Kamerverkiezingen van juni 1901. Na de liberale verkiezingsnederlaag trad enkele maanden later een confessioneel kabinet aan onder leiding van Abrham Kuyper. Zijn minister van Waterstaat, Johannes Christiaan de Marez Oyens was niet overtuigd van de technische uitvoerbaarheid van het plan-Lely. Hij trok het wetsontwerp in en legde het plan voor advies voor aan twee kritische waterstaatsinspecteurs. Tijdens een onderhoud dat het bestuur van de Zuiderzeevereeniging in februari 1902 met hem had, stelde De Marez Oyens dat hij het plan-Lely weliswaar aantrekkelijk vond, maar dat de eventueel aan de Zuiderzeevissers uit te keren schadeloosstelling nog onvoldoende was onderzocht. De voormannen van de Zuiderzeevereeniging trokken hieruit de conclusie dat er van deze minister niets te verwachten viel. Tijdens een debat in de Eerste Kamer liet De Marez Oyens zich bovendien geringschattend uit over de voorstanders. Volgens hem slaagden zij er niet in om nieuwe aanhangers voor zich te winnen.

Uit het contact met De Marez Oyens werd duidelijk dat voor het realiseren van het plan-Lely er ook rekening moest worden gehouden met de positie van de vissers, die voor hun broodwinning afhankelijk waren van de Zuiderzee. Hierover meer in de volgende aflevering.

Gepubliceerd op 29 januari 2016 op Historiek.