Home » Posts tagged 'Landbouworganisaties'

Tag Archives: Landbouworganisaties

Categorieën

Archief

Meer dan boer alleen

Bisschop, Chantal, Meer dan boer alleen. Een geschiedenis van de landelijke gilden, 1950-1990 (Dissertatie KU Leuven 2012; Leuven: Leuven University Press, 2015, 401 blz., ISBN 978 94 6270 026 0).

In 1990 verscheen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Belgische Boerenbond van de hand van Leen van Molle het boek Ieder voor allen. Hierin beschreef Van Molle uitvoerig het de ontwikkelingen binnen de bond tot na de deconfiture van de Middenkredietkas in 1934. De naoorlogse geschiedenis van de Boerenbond kwam er bekaaid vanaf. Als aanvulling hierop verscheen in 2015 in druk het proefschrift van Chantal Bisschop over de Landelijke Gilden. De focus hierin ligt niet zozeer op de Belgische Boerenbond als agrarische belangenbehartiger, maar op de culturele functie van de bond en het ontstaan en de ontwikkeling van een parallelle organisatie, namelijk de Landelijke Beweging en de Landelijke Gilden.

Terwijl landbouworganisaties in andere Europese landen – zoals in Nederland – zich na 1945 in toenemende mate hebben toegelegd op de behartiging van de economische en landbouwtechnische belangen van de boeren, heeft de Belgische Boerenbond gekozen voor een verbreding van zijn achterban door de niet-agrarische plattelandsbevolking organisatorisch aan zich te binden. Bisschop richt daarbij haar aandacht vooral op de invloed van leden, bestuurs- en personeelsleden op deze organisatorische ontwikkelingen en de betekenis die deze personen hieraan gaven.

Voor Bisschop zijn de organisatiestructuren slechts een deel van het verhaal. Haar gaat het om de mensen die hierin functioneerden. Om dit menselijke verhaal naar voren te brengen heeft ze veel interviews gehouden, die zij gelijkstelt aan de door haar gebruikte schriftelijke bronnen. Overal in het boek zijn fragmenten uit deze gesprekken te vinden. Bij het uitwerken gebruikte Bisschop een poëtische transcriptiemethode waardoor de interviewteksten meer lijken op versregels dan op afgeronde zinnen. Ze lijken daarmee meer op spreektaal en maken het daarmee voor een buitenstaander toch lastiger om de boodschap van haar respondenten te onderkennen.

Een andere invalshoek die Bisschop kiest is die van de sociale bewegingen. Daarbij plaatst zij de door de Belgische Boerenbond in 1971 geïnitieerde Landelijke Beweging te midden van de nieuwe rurale bewegingen. Deze keuze is enigszins discutabel omdat deze beweging in zijn oorsprong geen beweging van onderop was, maar van bovenaf werd geïnitieerd. Toch meende zij dat de Boerenbond, als deel van de oude agrarische beweging zich met de Landelijke Beweging deel ging uitmaken van de nieuwere rurale beweging van het laatste kwart van de twintigste eeuw.

Na een korte schets van de geschiedenis van 100 jaar Boerenbond richt Bisschop zich allereerst op de opkomst van de culturele werking binnen de organisatie in de jaren vijftig en zestig. Hoewel de Kultuurdienst van Hein Nackaerts de boeren probeerde te enthousiasmeren voor sociale en culturele thema’s bleef het culturele werk binnen de Boerenbondsgelederen een randverschijnsel.

In het derde deel, getiteld “Meer dan allen maar boeren” staat de herstructurering van de Boerenbond centraal. Deze aanpassing was het antwoord op drie uitdagingen waar de bond zich gesteld zag: de schaalvergroting in de landbouw die leidde tot een daling van het aantal boeren, de specialisatie binnen land- en tuinbouwbedrijven waardoor de eenheid in de agrarische belangenbehartiging onder druk kwam te staan en de sluimerende onvrede onder de Vlaamse boeren, die leidde tot de opkomst van een concurrerende boerenbeweging. Binnen de Boerenbond bestond de vrees dat dit deze ontwikkelingen zouden leiden tot verlies van macht en (politieke) invloed. Anders dan de Nederlandse landbouworganisaties besloot de Belgische Boerenbond niet enkel aan te koersen op verdere professionalisering van de agrarische belangenbehartiging, maar de deuren open te voor niet-agrarische leden door middel van een parallelle organisatiestructuur: de Landelijke Gilden. Deze gilden waren de voortzetting van de lokale afdelingen, de Boerengilden, maar moesten zich gaan toeleggen op niet-agrarische aangelegenheden.

In de twee laatste delen van het boek staat de ontwikkeling van de Landelijke Gilden en de Landelijke Beweging centraal. Na de vaststelling van de Grondkeure van 1971 was het voor de betrokkenen volstrekt niet duidelijk hoe men inhoud moest geven aan de nieuwe structuren. Op lokaal niveau gingen veel Boerengilden nog jaren op de oude voet voort. Wat de werving van nieuwe leden betreft was men kieskeurig. Er werd vooral gezocht niet-agrarische familieleden en dorpsbewoners die zich nauw met de landbouw verbonden voelden. Men wilde voorkomen dat stedelingen die zich vestigden op het platteland het roer over zouden nemen en de ontwikkeling van de landbouw zouden belemmeren. Rijkssubsidieregelingen, zoals voor het Nederlandstalig sociaal-cultureel vormingswerk en acties voor het behoud van de dorpsschool en het door de Boerenbond geïnitieerde Jaar van het Dorp 1978 gaven uiteindelijk inhoud aan het werk van de Landelijke Gilden. In de jaren tachtig evolueerden de gilden tot een ‘milieubewuste’ plattelandsbeweging die zich met het toe-eigenen van de terminologie van de milieubeweging inzette voor het behoud van het platteland waarin de land- en tuinbouw een onmisbare rol bleef spelen. Hoewel de Landelijke Gilden een product waren van het aanpassingsvermogen van een oude agrarische beweging werden zij uiteindelijk een nieuwe rurale beweging. Of zoals Bisschop haar boek afsluit: ‘de Boerenbond slaagde erin zich als deel van de oude agrarische beweging opnieuw uit te vinden en aspecten van een opkomende nieuwe en voor hem potentieel bedreigende beweging’ – gedoeld wordt op nieuwe sociale bewegingen zoals de milieubeweging – ‘te incorporeren en naar zijn hand te zetten.’

Het boek heeft meerdere verhaallijnen. Naast het historische betoog over het ontstaan en de ontwikkeling van de Landelijke Gilden volgt Bisschop de ontwikkelingen op een lokaal niveau. Zij zoomt in op het Boerengilde van Vivenkapelle, een klein dorp ten noordoosten van Brugge. Rond 1970 was deze afdeling van de Boerenbond op sterven na dood, maar deze maakte door de inbreng van niet-agrarische leden als Landelijk Gilde een metamorfose door. Van 39 leden in 1980 groeide het gilde in de daaropvolgende 25 jaar uit tot een levende vereniging met 123 leden. Hieronder bevonden zich slechts 8 actieve en 11 gepensioneerde boeren. Desondanks bleef het gilde nauw verbonden met de landbouw, want aldus een landbouwer in ruste, het ‘blijven echte boeren van thuis uit.’ De landelijke gilden spraken vooral mensen aan die zich verbonden voelden met de landbouw. ‘Een gemeenschappelijke basis’, aldus Bisschop, is een noodzakelijke voorwaarde voor een ‘sterke en goed draaiende community.’

Met Meer dan boer alleen heeft Bisschop een boek geschreven waarin zij laat zien dat organisaties niet noodzakelijkerwijs ten prooi hoeven te vallen aan marginalisering als de natuurlijke achterban krimpt. In Vlaanderen is de Boerenbond er met de vorming van de landelijke gilden in geslaagd een hoofdrol te blijven spelen op het platteland.

Bewaren

God, huisgezin en eigendom. De beginjaren van de Nederlandsche boerenbond

Op 31 januari 2016 was het 120 jaar geleden dat de Nederlandsche Boerenbond werd opgericht. Deze bond was een van de grondleggers van het lange tijd almachtige groene front en stond aan de wieg van grote financiële instellingen als de Rabobank en de verzekeraar Interpolis. In deze bijdrage staan we stil bij de vraag waarom deze bond is opgericht en de ontwikkeling tot de grootste landbouworganisatie van Nederland: de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond. In 1995 fuseerden de verzuilde landbouworganisaties tot Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO).

Boerenleven Achterhoek

De geduldige landman
Vóór 1896 kende Nederland alleen provinciale maatschappijen van landbouw, die zich in 1884 hadden verenigd in Het Nederlandsch Landbouw-Comité. Dit comité, dat door de regering werd beschouwd als officiële landbouwvertegenwoordiging, was amper representatief voor de boerenbevolking. Critici stelden dat de landbouwmaatschappijen te weinig boeren organiseerden. Ook werd deze liberaal georiënteerde organisaties verweten dat zij te weinig aandacht hadden voor de sociale belangen van de boeren. Verschillende publicisten in met name katholieke kranten drongen daarom vanaf 1892 aan op organisatie van de boerenstand. Een van hen was de Sittardse onderwijzer J. Claessen, die in 1893 schreef dat de oplossing van de noden van de kleine boeren niet te verwachten viel van de bestaande organisaties. ‘Wij zijn ingedommeld; reeds te lang hebben wij geslapen. Het is meer dan tijd, dat wij ontwaken, als één man opstaan en de handen aan het werk slaan. (…) De belangen van den stand moeten de belangen van ieder in het bijzonder zijn; de belangen der kleinen en zwakken moeten de belangen der grooten en sterken worden; één voor allen en allen voor één. Met deze leus voor oogen moeten wij het idee van stand weer tot bewustzijn brengen, ons vereenigen, elkander wederkeerig helpen en pal staan voor elkander.’

Pater vd Elsen 2
Gerlacus van den Elsen

Een andere pleitbezorger was de norbertijner pater Gerlacus van den Elsen, die voor zijn werk voor de Brabantse kleine boeren later de bijnaam de “boerenapostel” kreeg toebedeeld. Een jaar vóór Claessen vroeg hij in het Noordbrabantsch Dagblad in een artikel, getiteld “De geduldige landman” om aandacht voor de boeren, wier geluid bij de regering en volksvertegenwoordiging volledig werd overstemd door industriëlen en handelaren enerzijds en de arbeiders anderzijds. De landman moest voor de lasten opdraaien: ‘Hij is geduldig, hij zwijgt, hij laat zich scheren en villen als het stomme schaap, terwijl die andere moord en brand schreeuwen ( … ). Is er niemand die hulp en redding bieden kan?’ Organisatie in de geest van de Pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891) was volgens Van den Elsen het geëigende middel om de boerenstand uit zijn benarde positie te verlossen. Daarbij konden de boeren rekenen op actieve steun van de katholieke geestelijkheid: ‘Zoodra op ieder dorp zulke vereenigingen bestaan, bestuurd door echt katholieke, goed ontwikkelde mannen, die met de hoofden van andere vereenigingen voortdurend in betrekking staan, dan zal ook de geduldige landman eene verbazende kracht kunnen ontwikkelen.’

schuerenHoewel met name vanuit Noord-Brabant en Limburg werd aangedrongen op organisatie, kwam het initiatief uit Gelderland. In december doorbrak Ludovicus Ridder de van der Schueren uit Zevenaar de impasse door in kranten een oproep te plaatsen voor de oprichting van een “landbouwers-vereeniging”. Deze organisatie zou tot doel hebben ‘het solidariteitsgevoel bij de landbouwers op te wekken, de maatschappelijke belangen harer leden te bevorderen, de bijzondere belangen der landbouwers-grondbezitters in het vereenigingsgebied te beschermen en mee te werken tot het weer in ’t leven roepen van een krachtigen landbouwersstand.’ De oproep ondervond veel bijval. Anderhalve maand later, op 31 januari 1896 kwamen in Musis Sacrum in Arnhem veertig sympathisanten bijeen voor de eerste bijeenkomst van de Nederlandsche Boerenbond (NBB). De van der Schueren deelde mee op basis van de adhesiebetuigingen reeds te kunnen rekenen op een duizendtal leden.

Tijdens de volgende vergadering op 4 juli 1896 in Utrecht werden de statuten vastgesteld. De vergadering werd bijgewoond door 250 personen, waaronder de katholieke voorman Herman Schaepman. Op zijn voorstel werd de christelijke grondslag van de bond als volgt geformuleerd: ‘De Nederlandsche Boerenhond, het Christendom ais grondslag der Maatschappij erkennend en huldigend, heeft ten doel de belangen van den boerenstand te behartigen en de uitbreiding der staatsbemoeiing op oeconomisch gebied ook dien stand te doen toekomen.’ Om lid te kunnen worden werd de erkenning van “God, huisgezin en eigendom” als grondslagen der maatschappij vereist. Voorstellen om ook zij die louter belangstelling hadden voor de landbouw, de zogenoemde “landbouwliefhebbers” toe te laten als lid, werden op aandringen van Schaepman resoluut van de hand gewezen. “De boerenbond moet op de eerste, tweede en derde plaats bestaan uit boeren. De kracht van den boerenbond moet voortkomen uit de organisatie van de boerenstand,” aIdus Schaepman.

Provinciale boerenbonden
Bij de oprichting vormde de regionale onderbouw van de bond nog geen punt van discussie. Dit werd anders toen kort daarna provinciale boerenbonden werden opgericht die de eigen organisatie op de voorgrond plaatsten. Toch lag de kiem voor het conflict tussen de NBB en deze regionale bonden reeds bij de vaststelling van de landelijke statuten. Volgens deze statuten waren individuele leden van de afdelingen ook individueel lid van de NBB. Zij waren gerechtigd algemene vergaderingen bij te wonen en ook stemgerechtigd indien zij daartoe waren aangewezen door hun afdeling. Onduidelijk was welke rol de provinciale bonden vervulden binnen de organisatie. Tijdens de tweede algemene vergadering van 20 mei 1897 maakte voorzitter Ridder de van der Schueren bekend dat er inmiddels provinciale boerenbonden waren opgericht in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. De bond had inmiddels 254 lokale afdelingen met in totaal ruim 19.000 leden.

Ook werd een nieuw bestuur gekozen. Vooral de verkiezing van Alphons van Rijckevorsel wekte beroering. Eerder was deze “Bossche heer” er niet in geslaagd een prominente plek te verwerven binnen de op 17 augustus 1896 opgerichte Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (NCB). Samen met zijn bestuur Louis van Rijckevorsel, die werd benoemd tot inspecteur van de op te richten boerenleenbanken, probeerde hij aan de provinciale bonden richtlijnen op te leggen voor de oprichting van deze banken. Hieruit kwam een conflict voort dat leidde tot de oprichten van twee soorten boerenleenbanken (volgens de Wet op de coöperatieve verenigingen uit 1876 en de verenigingswet van 1855) en twee landelijke koepels (de Centrale Raiffeisenbank en de Centrale Boerenleenbank). Pas met de fusie van deze banken tot de Rabobank in 1973 zou dit conflict tot het verleden behoren. Het conflict spitste zich vooral toe tussen de NBB enerzijds die oprichting van banken volgens de wet van 1876 prefereerde en de zich snel ontplooiende NCB, die – onder bezielende leiding van Van den Elsen – stelde dat kon worden volstaan met oprichting volgens de wet van 1855.

In 1899 kwamen de bondsbestuurders tot de slotsom dat een reorganisatie noodzakelijk was om het conflict, dat zich in wezen toespitste rond personen die niet samen door één deur konden, te beslechten. Besloten werd de Nederlandsche Boerenbond om te vormen tot een federatie van zelfstandige boerenbonden. De macht lag voortaan bij de provinciale boerenbonden die elk twee personen afvaardigden naar het landelijk bestuur. Na deze reorganisatie duurde het enkele jaren voordat de provinciale bonden beseften dat zij elkaar nodig hadden om bij de landelijke politiek hun gemeenschappelijke belangen te behartigen. Dit leidde tot de organisatie van drie landelijke congressen in 1904, 1907 en 1911, waarop landelijke politieke thema’s werden besproken. Een heet hangijzer was de vertegenwoordiging bij regering. Voor dat doel hadden de provinciale bonden zich na 1899 aangesloten bij het Nederlandsch Landbouw-Comité. Pogingen om de NBB zelfstandig deze rol te laten vervullen, werden wel besproken maar leidden niet tot organisatorische veranderingen. Pas tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 groeide het besef dat voor een effectieve belangenbehartiging in Den Haag een gezamenlijk kantoor nodig was. Pas met de benoeming in 1918 van Laurentius Nicolaas Deckers tot bezoldigd algemeen secretaris kreeg de NBB een eigen gezicht in Den Haag. Kort daarop besloten de regionale bonden hun lidmaatschap van het Koninklijk Nederlands Landbouw-Comité (KNLC) op te zeggen en de landelijke belangenbehartiging exclusief op te dragen aan de NBB.

boerenleven boekelVan christelijk naar katholiek
Op aanwijzen van Herman Schaepman had de Nederlandsche Boerenbond een algemeen-christelijk karakter gekregen. In Noord-Brabant en Limburg speelde vooral de katholieke geestelijkheid een belangrijke rol bij de oprichting van lokale afdelingen. Boven de grote rivieren waren het vooral plaatselijke notabelen die het initiatief namen. Ondanks de inspanningen van De van der Schueren c.s. lukte amper om ook protestantse leden aan te trekken. Slechts 10 tot maximaal 15% van de leden in het noorden was protestant. De noordelijke provinciale boerenbonden kwamen – mede door het ontberen van steun van de katholieke geestelijkheid – slechts moeizaam tot ontwikkeling. De afdelingen bevonden zich vooral in gemeenten waar katholieken in de meerderheid waren. Hoewel het merendeel van de achterban van de NBB katholiek was, hield De van der Schueren vooralsnog vast aan het algemeen-christelijk karakter: ‘De Nederlandsche Boerenbond is christelijk. Van alle boerenvereenigingen, welke zich bij hem wenschen aan te sluiten, eischt hij dat zij steunen op het christelijk beginsel, overtuigd als hij is, dat alleen dat beginsel krachtig bestand is tegen de stroomingen, welke de Maatschappij trachten te ondermijnen. (…) Christelijk is de Nederlandsche Boerenbond, omdat hij aan het egoïsme, de zelfvoldoening, de eigen ikheid, die alle deelen der Maatschappij uit elkander rukt, tegenover stelt de christelijke naastenliefde, de christelijke rechtvaardigheid met hare opvoedende, opbeurende, versterkende, bezielende en levenwekkende kracht.’

Ondanks deze pogingen om protestanten voor zich te winnen, ontwikkelde de NBB in katholieke richting, daartoe aangezet door de Nederlandse bisschoppen. Na 1900 hanteerden zij als stelregel dat waar de vorming van katholieke organisaties mogelijk was, dit de voorkeur had boven christelijke. De ontwikkeling naar zuiver katholieke boerenbonden werd ingezet na het op 7 juli 1906 door de bisschoppen gepubliceerde communiqué ‘dat het hun ernstig en uitdrukkelijk verlangen is, de hun onderhoorige katholieken te vereenigen en vereenigd te houden in katholieke organisatiën.’ Hoewel deze verklaring een algemene strekking had en betrekking had op alle maatschappelijke standen, werd aan de interconfessionele boerenbonden vooralsnog een uitzondering toegestaan.
Dit was anders bij de vakbeweging. Vanaf 1906 maakte het episcopaat het de katholieke textielarbeiders in Twente moeilijker om lid te blijven van de interconfessionele vakbond Unitas. In 1912 werd dit lidmaatschap verboden. Voorstanders van het interconfessionalisme binnen de vakbeweging verweten de kerkelijke autoriteiten te meten met twee maten. ‘Waarom worden altijd de textielarbeiders aangepakt? Waarom nu niet de Christelijke Boerenbond? Of hebben de boeren andere rechten en vrijheden dan wij textielarbeiders?’

Toen in 1912 bekend werd dat protestanten bezig waren om een eigen boerenbond op te richten – dit leidde uiteindelijk in 1918 tot de oprichting van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) – werd binnen de Nederlandsche Boerenbond en zijn regionale bonden de transformatie tot zuiver katholieke organisaties ingezet. In 1914 werd de Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (NCB) – hoewel de naam ongewijzigd bleef – een katholieke bond. Voortaan werd van alle afdelingen geëist dat zij op katholieke grondslag waren gevestigd en dat deze afdelingen alleen katholieken als leden zouden accepteren. Ook werd de NCB interdiocesaan, hetgeen betekende dat het werkgebied werd uitgebreid met Zeeuws-Vlaanderen en (na 1920) met het Rijk van Nijmegen. In hetzelfde jaar gaf de Haarlemse bisschop Augustinus Callier aan de uit Twente afkomstige vakbondsman Arnold Engels de opdracht om in zijn bisdom een katholieke boerenbond op te richten. In 1915 werd de bestaande Noordhollandsche boerenbond vervangen door de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB), die werkzaam was in Noord- én Zuid-Holland. In 1917 fuseerden de Overijsselsche Boerenbond en de Geldersche Boerenbond tot de Aartsdiocesane R.K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB). Niet alle regionale bonden en afdelingen weigerden gehoor te geven aan de “uitdrukkelijke wens” van de bisschoppen. Her en der gingen afdelingen door als zelfstandige aan- en verkoopverenigingen en ook de Stichtsche Boerenbond weigerde te fuseren. In 1923 verkoos deze bond liquidatie boven opgaan in de ABTB.

KNBTB

Als sluitstuk voor dit katholiseringsproces werd de Nederlandsche Boerenbond in 1920 een katholieke organisatie, die later door het leven zou gaan als Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB). De bond was met ruim 70.000 aangesloten leden de grootste landbouworganisatie van Nederland. Samen met de protestantse CBTB en het algemene KNLC werd de KNBTB onderdeel van het roemruchte “groene front”.

Literatuur: Mari Smits, Boeren met beleid. Honderd jaar Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, 1896-1996 (Nijmegen 1996).

Gepubliceerd op 31 januari 2016 op Historiek.

Boeren tussen markt en maatschappij

Boeren tussen markt en maatschappijErwin H. Karel, Boeren tussen markt en maatschappij. Essays over de effecten van de modernisering van het boerenbestaan in Nederland (1945-2012) (Historia Agriculturae 44; Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2013, 216 pp., ISBN 978 90 367 6165 9).

Na 1945 is de Nederlandse landbouw en daarmee ook het Nederlandse platteland ingrijpend veranderd. Kleinere boeren zonder toekomstmogelijkheden beëindigden hun bedrijf, terwijl boeren met groeimogelijkheden hun bedrijfsvoering ingrijpend hebben gemoderniseerd en daarmee agrarisch ondernemer zijn geworden. De ingezette modernisering resulteerde in een industrialisatie van de landbouwsector, die een grote impact had op het hele boerenbestaan, zowel bezien vanuit een economisch, sociaal als ecologisch perspectief. In zijn boek behandelt Erwin Karel aan de hand van zeven thematische essays de doorwerking van deze modernisering op het boerenbestaan. Het boek is geen contemporaine geschiedenis van de Nederlandse landbouw, maar het poogt aan de hand van landbouwkundige literatuur uit de laatste 65 jaar een aantal lijnen te trekken die de naoorlogse veranderingen blootleggen. Het gaat hem daarbij niet enkel om het waarom van de modernisering maar vooral ook om de effecten daarvan.

Als eerste thema behandelt Karel de veranderingen op het Nederlandse platteland. Volgens OESO-normen kent Nederland eigenlijk geen platteland meer; daarvoor is de groene ruimte te zeer verstedelijkt. Bovendien is in sociaal-cultureel opzicht de kloof met de stad steeds kleiner geworden. Hij hanteert daarbij de termen deruralisatie (boeren trokken zich terug op hun bedrijf waardoor hun relatie met hun directe omgeving verminderde) en reruralisatie (het om toeristische redenen herstellen van de oude plattelandsidylle). Onderdeel van de rerulalisatie was het herstellen van de schade die de grootschalige ruilverkaveling had aangericht. Nauw hiermee verbonden is het containerbegrip plattelandsvernieuwing, waarvoor in de loop van de laatste 25 jaar steeds nieuwe definities werden geformuleerd.

Vervolgens richt Karel zich op de opkomst en teloorgang van het Groene Front, het systeem waarin landbouworganisaties, het ministerie van Landbouw en agrarische volksvertegenwoordigers in gezamenlijk overleg het landbouwbeleid bepaalden. Dit samenspannen binnen het Groene Front leidde ook tot een disciplinering van de achterban, waardoor het mogelijk werd een succesvol structuurbeleid, gericht op productieverhoging en kostenverlaging, door te voeren. Uiteindelijk keerde het succes zich in het tegendeel en verbrokkelde het Groene Front. Aangezet door overproductie en milieuschade zag de Nederlandse overheid zich gedwongen om groei in te dammen en onder de boeren impopulaire wetgeving in te voeren. Anderzijds had de modernisering, waaraan de landbouworganisaties mede vorm hadden gegeven, geleid tot het ontstaan van gespecialiseerde, hoog gemechaniseerde bedrijven, waardoor voor boeren en tuinders het voorheen gevoelde gezamenlijke agrarisch belang uit het zicht verdween.

In het hoofdstuk ‘Boer en markt’ laat Karel zien dat na het terugtreden van de overheid bij het stimuleren van de modernisering de landbouwbedrijven uiteenlopende ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Enerzijds zijn boeren gevangen geraakt in een agro-industrieel complex waarin zij slechts een schakel zijn geworden in een productieproces, anderzijds besteedt hij aandacht aan boeren die inhoud hebben gegeven aan de plattelandsvernieuwing. In plaats van groter en moderner zijn boeren vorm gaan geven aan de multifunctionele landbouw, waarin zorg, natuurbeheer, toerisme en verkoop van producten in boerderijwinkels zich ontwikkelden tot nevenactiviteiten, waarvan echter de economische betekenis vooralsnog tegenvalt. Hoofdstuk 5 behandelt het imago van agrarisch Nederland, waarbij Karel de conclusie trekt dat het beeld wat de buitenwereld van de boeren had veel positiever was dan veel boeren dachten. Het zesde hoofdstuk bouwt verder voort op de vermindering van de sociale afstand tussen stad en platteland en legt daarbij de nadruk op veranderingen binnen het boerengezin. De door Wageningse onderzoekers aangejaagde modernisering van het boerenbestaan had grote invloed op het gezinsleven van boeren, maar heeft niet geleid tot het verdwijnen van het gezinsbedrijf zoals vaak is voorspeld. Deze bedrijfsvorm bleek de beste garantie te zijn voor het in standhouden van bedrijfskapitaal dat nodig is voor het voortbestaan van het bedrijf. Uiteindelijk is het, aldus Karel, niet meer dan één van de vele varianten van arbeidsorganisatie binnen een kapitalistisch systeem en is het veel minder een anomalie dan vaak wordt verondersteld.

Hoofdstuk 7 behandelt na een terugblik op de naoorlogse emigratie, de recente emigratie van boeren. Vanaf 1990 zijn veel boeren uitgeweken naar andere Europese landen omdat hun bedrijf daar betere groeikansen zou hebben en zij minder belemmerd zouden worden door toegenomen regeldruk. Tegelijkertijd ontwikkelde zich naast de klassieke boerenemigrant een nieuw fenomeen: de semigrant. Dit zijn boeren die nieuwe bedrijven stichten elders in de wereld, maar tegelijkertijd hun bedrijf in Nederland handhaafden, met name voor de afzet van elders geproduceerde land- en tuinbouwproducten. Hoofdstuk 8 behandelt de moeizame relatie van de boer met het milieu. Karel brengt daarmee de keerzijde van het naoorlogse moderniseringsbeleid in kaart en laat zien hoe de overheid na 1975 getracht heeft de negatieve gevolgen van dit beleid (gebruik van bestrijdingsmiddelen en de negatieve gevolgen van de bioindustrie) terug te dringen. Ook laat hij zien dat veel boeren er niets voor voelden om op te treden als ‘parkwachter’.

Aan het einde van het boek worden de hoofdlijnen uit de zeven thematische essays samengebracht in een slotbeschouwing. De modernisering die in de jaren vijftig en zestig werd geïnitieerd door Den Haag en Wageningen, werd vanaf de jaren tachtig een proces dat werd gevoed door de markt en het neoliberale economisch denken. De voorspelling dat het gezinsbedrijf op den duur zou verdwijnen, is niet uitgekomen. Juist het gezin, met meewerkende echtgenote en kinderen, was in staat de steeds kapitaalsintensiever wordende bedrijven overeind te houden en economische tegenvallers op te vangen. Dat technologische vernieuwing van de agrarische sector nodig blijft, staat voor Karel vast. Tegelijk staat de landbouw nog steeds voor de uitdaging de ecologische effecten van het moderniseringsproces in kaart te brengen. Dit is tot dusverre nog onvoldoende gebeurd.

Met Boeren tussen markt en maatschappij heeft Erwin Karel de lezer door middel van zeven essays meegenomen in een aantal ingrijpende veranderingen die de agrarische sector en het Nederlandse platteland sinds 1945 heeft ondergaan. Een duidelijke conclusie heeft het boek niet, maar na 194 bladzijden heeft de lezer kennis genomen van een aantal opvallende trends. Jammer is dat het boek snel veroudert. De meeste hoofdstukken zijn in 2010 en 2011 geschreven en vervolgens vrijwel ongewijzigd in 2013 gepubliceerd. Illustratief hiervoor is bijvoorbeeld dat op pagina 170 wordt stilgestaan bij het aantreden van Henk Bleker als staatssecretaris van Landbouw, die een streep zette door het tot dan toe gevoerde natuurbeleid. Karel vermeldt echter niet dat eind 2012 er weer een nieuw kabinet is aangetreden. Verder bevat het boek overal storende tikfouten, waardoor het de indruk wekt zonder grondige eindredactie te zijn gepubliceerd. Een actualisering en eindredactie kort voor publicatie had de waarde van het boek aanzienlijk kunnen verhogen. Jammer.

Verschenen als webrecensie in BMGN – Low Countries Historical Review | Volume 129-4 (2014) | review 94

”Door machtige organisatie alleen kunnen wij onze stem doen gelden”

Land- en tuinbouworganisaties in de Noordoostpolder, 1945-1995

Machtig arbeidsveldNa de bevrijding gingen er in de Noordoostpolder stemmen op om niet, zoals voor de oorlog, als land- en tuinbouworganisaties afzonderlijk op te trekken, maar – onder het motto ‘eendracht maakt macht’ — één grote en sterke organisatie te vormen. Het kwam er niet van. Op 4 augustus 1945 kwamen drie nieuwe afdelingen tot stand van de Aartsdiocesane R.K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB), de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) en de Overijsselse Landbouwmaatschappij (OLM). Vijftig jaar lang zouden de drie organisaties hun eigen weg kiezen in de behartiging van land- en tuinbouwbelangen in de Noordoostpolder. Het dilemma van eenheid of verdeeldheid vormde de rode lijn in de geschiedenis van de organisaties. In deze bijdrage zullen we nagaan waarom de boeren en tuinders in de polder ervoor kozen gescheiden op te treld(en en waarom het, ondanks de latente roep om eenheid, vijftig jaar duurde voor het zover was.

Lees meer in het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits en Rolf van der Woude, ‘”Door machtige organisatie alleen kunnen wij onze stem doen gelden”. Land- en tuinbouworganisaties in de Noordoostpolder, 1945-1995′ in: W. den Boer e.a. (red.), ‘Een machtig arbeidsveld’. De opbouw van het kerkelijk leven in de Noordoostpolder (Gouda: Vereniging van Nederlandse Kerkgeschiedenis, 2008), pp. 185-207.

‘Te veel brandweerman en te weinig architect’

Pierre Lardinois, lid van de Europese Commissie (1973-1977)

EurocommissarissenOp 1 januari 1973 begon Pierre Lardinois, daarvoor minister van Landbouw en Visserij in de kabinetten-De Jong en -Biesheuvel, aan de welhaast onmogelijke taak om Sicco Mansholt als eurocommissaris op te volgen. Zijn taak was het om de neveneffecten van het succes van diens beleid, zoals de zuiveloverschotten, terug te dringen. Ook moest hij bij voortduring het gevecht aangaan met deministers van Landbouw van de lidstaten,waaronder de latere president van Frankrijk Jacques Chirac, die met steunmaatregelen de nationale boerenbelangen verdedigde. Bij zijn afscheid eind 1976 beklaagde hij zich erover dat hij snakte naar een functie waarin hij de tijd zou krijgen om goed geïnformeerd beslissingen te nemen. ‘In de politiek kon ik het lang niet allemaal bijhouden.’ In zijn functie van landbouwcommissaris voelde hij zich te veel brandweerman en te weinig architect. Zijn
aankondiging dat hij zijn Europese topfunctie per 1 januari 1977 zou inruilen voor die van directievoorzitter van de Rabobank, riep nogal wat reacties op, omdat hij werd gezien als een van de weinigen die de enorme problemen in de Europese landbouw zouden kunnen aanpakken. Wat echter niet velen wisten was dat zijn overstap naar de bank al in het voorjaar van 1974 was beklonken.

Lees het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits, ‘”Te veel brandweerman en te weinig architect”. Pierre Lardinois, lid van de Europese Commissie (1973-1977)’ in: G. Voerman, B. van den Braak en C. van Baalen (red.), De Nederlandse eurocommissarissen (Amsterdam: Boom 2010), pp. 145-174.

“Op nieuw land een nieuwe maatschappij”

Verzuiling en ontzuiling bij de landbouworganisaties in Flevoland 1942-1995

Mari Smits en Rolf van der Woude

Cahier CSB 7Toen pioniers de in 1942 langzaam maar zeker droogvallende Noordoostpolder ontgonnen, waren zij zich er van bewust niet alleen ie werken voor een nieuw bestaan, maar ook aan een nieuwe samenleving. En men had idealen. Het ‘Nieuwe Land’ zou anders en beter worden dan het ‘Oude Land’.
De bevolking is hier anders opgegroeid dan op het oude land. in de jaren van samenwerking hebben we elkaar leren waarderen en begrijpen. De wil voor samenwerking is aanwezig. Alles wordt hier opnieuw opgebouwd. Men kan het vormen van groepen en seheidingen voorkomen’, meende landbouwvoorman W.G. de Feijter in 1946.
De nieuwe polderbewoners waren nuchter genoeg om in te zien dat zij veel van de structuren, organisatievormen en instanties van het oude land zouden moeten overnemen en aan een aantal waren zij ook zeer gehecht. Maar ‘zich bewust, dat in de Noordoostpolder een jonge levens- en werkgemeenschap zich geleidelijk en liefst harmonisch moet vormen’, was men van oordeel dat ‘de eendracht en samenwerking van alle richtingen voorop ZOI.l moeten stalln’.’ Was dit ideaalvan eendracht, harmonie en samenwerking haalbaar? Het antwoord ligt voor een niet gering deel besloten in de manier waarop polderbewoners omgingen met modernisering en de daarin besloten processen van verzuiling en ontzuiling. Dit artikel wil dat perspectief op drie belangrijke momenten schetsen in de geschiedenis van Flevoland, waarbij de nadruk ligt op de land- en tuinbouworganisaties.

Lees het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits en Rolf van der Woude, ‘”Op nieuw land een nieuwe maatschappij”. Verzuiling bij de landbouworganisaties in Flevoland 1942-1995’ in: Geïnspireerde organisaties. Cahier over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging, no. 7 (2007), pp. 45-69.

 

Welbegrepen eigenbelang of beginsel?

Katholieke boerenbonden en hun coöperaties

Cahier CSB 6De naam van de eerste Nederlandse landbouwcooperatie, de aankoopcooperatie ‘Welbegrepen eigenbelang’, opgericht in het Zeeuws-Vlaamse Aardenburg in 1817, geeft aan wat de initiatiefnemers vooral voor ogen stond. Door samen te werken trachtte men bij leveranciers een prijsvoordeel te bedingen die men als individuele klant bij de aankoop van kleine hoeveelheden nooit had gekregen. Dit streven naar gezamenlijk voordeel werd de basis van het succes van de cooperatieve beweging in de Nederlandse landbouw tot op de dag van vandaag. Toch heeft niet overal een direct economisch belang aan de wieg gestaan van cooperaties.

vanaf 1896 werden door de katholieke bocrenbonden eigen cooperaties opgericht. Deze cooperaties maakten deel uit van een katholiek boerenbondsnetwerk, waarbij katholieke opvattingen over de plaats van economische instellingen binnen de agrarische belangenbehartiging een centrale rol speelden. In deze bijdrage wil ik niet zozeer stilstaan bij de ontwikkeling van de katholieke landbouwcooperaties, maar vooral nagaan welke rol zij gespeeld hebben in de geschiedenis van de katholieke boerenbonden – waarmee ik doel op de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond en zijn gewestelijke organisaties ABTB, LLTB, LTB en NCB en hun voorgangers en omgekeerd. Vooral de verschuivingen in opvattingen over de plaats van cooperaties in het katholiek organisatiemodel krijgt ruime aandacht.

Lees het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits, ‘Welbegrepen eigenbelang of beginsel? Katholieke boerenbonden en hun coöperaties’ in: Niet voor het gewin. Cahier over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging, no. 6 (2005), pp. 53-67.

‘God, huisgezin en eigendom’

De transformatie van de Nederlandsche Boerenbond van een
christelijke naar een katholieke organisatie (1896-1920)

‘Eén christelijke Boerenbond van katholieken en protestanten! Wie het heeft uitgedacht, weet ik niet. Het doet ook niets
ter zake. Maar het is een mislukking gebleken. Het Christendom boven geloofsverdeeldheid is ook in den Boerenbond uitgeloopen op wegdoezeling van alle geloof.’ Met deze woorden trachtte geestelijk adviseur H.A.P.C. van der Waarden de katholieke boeren en tuinders, die voorheen lid waren van de christelijke provinciale boerenbonden in het aartsbisdom (de Geldersche, de Overijsselsche en de Stichtsche Boerenbond), over te halen zich aan te sluiten bij de op 23 augustus 1917 opgerichte Aartsdiocesane R. K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB). Het samengaan van katholieken en protestanten in één bond zou volgens Van der Waarden tot gevolg hebben gehad dat de katholieke boeren niet geleerd was het geloof toe te passen op het maatschappelijke leven, “en zijn heilzamen invloed ook daarin tot zijn recht te laten komen.” Voortaan zouden de katholieke boeren georganiseerd worden in parochiële afdelingen, waarbij de pastoor of kapelaan als geestelijk adviseur een prominente rol zou spelen.

Lees meer in het [PDF]

Mari Smits,  ‘”God, huisgezin en eigendom”. De transformatie van de Nederlandsche Boerenbond van een
christelijke naar een katholieke organisatie (1896-1920)’, in: Trajecta 3(1994), no. 3, pp. 233-251.

‘Door federatieve aaneensluiting’

Ontstaan en ontwikkeling van de Nederlandsche Boerenbond
gedurende de eerste vijfentwintig jaren, 1896-1921

Jaarboek KDCIn 1996 vierde de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) zijn honderdste verjaardag. Met het oog op het naderende eeuwfeest startte Katholiek Documentatie Centrum (KDC) in 1991 met een onderzoeksproject met als doel de geschiedenis van de KNBTB vast te leggen in een jubileumboek vast te leggen. Als eerste uitvloeisel van dit project, dat door mij werd uitgevoerd, verscheen in het Jaarboek van het KDC van 1992 een artikel over de vroegste geschiedenis van de bond, toen nog Nederlandsche Boerenbond geheten.

Lees het [PDF] van dit artikel.

Mari Smits, ‘”Door federatieve aaneensluiting”. Ontstaan en ontwikkeling van de Nederlandsche Boerenbond gedurende de eerste vijfentwintig jaren, 1896-1921’, in: Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 22(1992), pp. 7-29.

Het Groene Front voorbij

Groene FrontDaniël Broersma, Het groene front voorbij. De agrarische belangenbehartiging door LTO Nederland 1995-2005 (Historia Agriculturae 43; Groningen, Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2010, 184 pp., ISBN 978 90 367 4644 1).

In 1995 ging Land- en Tuinbouworganisatie Nederland van start als de nieuwe landelijke koepel voor de behartiging van de belangen van agrarisch Nederland. Zij was het resultaat van een fusieproces, waarbij de oude verzuilde landbouworganisaties plaats maakten voor nieuwe landelijke en regionale organisaties. In Het groene front voorbij beschrijft Broersma wat er tijdens en na de fusie gebeurde met de agrarische belangenbehartiging. Bij de start van LTO Nederland was al duidelijk dat de fusie nog vele open einden had. Dat dit zou resulteren in tien jaar onderlinge machtsstrijd en een bijna-ondergang van LTO Nederland was natuurlijk niet te voorzien. Het gevolg was wel dat Broersma een boek kon schrijven over een organisatie die maar niet goed van de grond kwam en die moest functioneren in een werkterrein dat van alle kanten (de kritische achterban, de samenleving, veranderend beleid vanuit Den Haag en Brussel) onder druk stond.

Het boek is ingedeeld in vier hoofdstukken, waarbij in twee (het eerste en het laatste) de interne ontwikkelingen binnen LTO Nederland centraal staan en twee hoofdstukken ingaan op de agrarische belangenbehartiging. De keuze om de crisis binnen LTO Nederland als slothoofdstuk te beschrijven lijkt vanuit de optiek van de opdrachtgever wellicht logisch, maar voor de lezer zou het prettiger zijn geweest om eerst de organisatiegeschiedenis van het begin tot het eind te volgen om daarna de aandacht te richten op de belangenbehartiging.

Hoe dan ook, het hoofdstuk ‘Fusie of federatie?’ begint met het fusieproces waaruit op 1 januari 1995 LTO Nederland voortkwam. Als aanjagers voor dit proces noemt Broersma de schaalvergroting in de landbouw – wat resulteerde in dalende ledentallen en daarmee ook minder inkomsten –, toenemende specialisatie in de agrarische sector en afnemende politieke invloed. Hoewel het laatste pas echt manifest werd toen in het voorjaar van 1994 de eerste fusiestappen werden gezet, maakte het dramatische verlies van het CDA en de vorming van het eerste paarse kabinet duidelijk zichtbaar dat de invloed van de landbouworganisaties op de politiek niet meer vanzelfsprekend was. Op dat moment konden de drie verzuilde centrale landbouworganisaties – Nederlands-Christelijke Boeren- en Tuindersbond (NCBTB), Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) en Koninklijk Nederlands Landbouw-Comité (KNLC) – er niet langer meer om heen dat op regionaal niveau het proces van schaalvergroting al in volle gang was en dat de organisatie op levensbeschouwelijke grondslag zijn langste tijd had gehad. Nadat in maart 1994 het NCBTB-hoofdbestuur te kennen gaf dat het een samengaan niet langer zou blokkeren, ging het snel. Binnen negen maanden werd zowel landelijk, regionaal als plaatselijk een nieuwe organisatiestructuur opgezet. Naar later bleek (zoals beschreven in het slothoofstuk ‘Een reus op lemen voeten’) bleef bij de start in 1995 een aantal organisatorische vraagstukken onbeantwoord. Ten eerste de vraag welke rol de sectoren (tuinbouw, akkerbouw, melkveehouderij, varkenshouderij etc.) en hun organisaties binnen de nieuwe koepel LTO Nederland zouden spelen en hoe de sectoren zich zouden verhouden tegenover de regionale organisaties die traditioneel de basis vormden van de landelijke organisaties. Pogingen om de koepel via ‘kanteling’ een sterker sectoraal profiel te geven liepen uiteindelijk op niets uit. Nauw daarmee verbonden was het centralisatiestreven van de LTO-top om een financieel gezonde organisatie op touw te zetten die daadkrachtig zou kunnen opereren. Dat dit niet gelukt is, wijt Broersma aan het feit dat de top onvoldoende rekening hield met de rijke Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) die als rechtsopvolger van de Noord-Brabants Christelijke Boerenbond (NCB) nauw verweven was met de agro-industrie, en met het autonomiestreven van de glastuinbouw. Het is jammer dat het boek eindigt in 2005, kort na het uiteenvallen van het ‘oude’ LTO Nederland. Naar mijn optiek was het beter geweest als ook de herstart van het op regionale basis gestoelde ‘nieuwe’ LTO Nederland aan bod had kunnen komen.

In de tussenliggende hoofdstukken 3 en 4 staat de rol van LTO Nederland als belangenbehartiger centraal. Het derde hoofdstuk behandelt de afhandeling van de schade na de wateroverlast langs de grote rivieren in januari 1995. De kersverse organisatie bevond zich in een lastig parket tussen enerzijds het ministerie van Landbouw dat niet verder wilde gaan dan 65% en het door Wien van Brink geleide Actiecomité 100% dat met protestacties de toon zette. Door zich te presenteren als de beschaafde gesprekspartner slaagde LTO erin voor de getroffen boeren een vergoeding van bijna 100% in de wacht te slepen. Het vierde hoofdstuk maakt duidelijk hoe lastig het voor LTO was om uiteenlopende belangen uit te dragen in Den Haag en Brussel. De veranderingen in het Europese landbouwbeleid waren voor de ene sector bedreigend maar boden voor een andere bedrijfstak juist kansen. LTO koos daarom voor een gedifferentieerde lobbyvoering. In het hoofdstuk komen ook aan bod de externe druk om een dier- en milieuvriendelijke productie te realiseren, het streven naar samenwerking met niet-agrarische maatschappelijke organisaties en de verbetering van het imago van de landbouwsector. Inzake de mestproblematiek voerde LTO Nederland een achterhoedegevecht. Pogingen om aanscherping van de nationale richtlijnen te voorkomen, liepen op niets uit, maar werden op hun beurt vervangen door nog scherpere Brusselse normen.

Het groene front voorbij is het ontluisterende verhaal over de eerste tien jaar van een nieuwe organisatie die in meerdere opzichten geboren werd onder een ongunstig gesternte. Gebrek aan eenheid onder de achterban, onopgeloste organisatorische kwesties en het ontbreken van een eenduidige boodschap richting de achterban en de politiek brachten de jonge organisatie in 2005 aan de rand van de afgrond. Omdat het boek eindigt kort na de crisis in dat jaar en de bij LTO betrokken (ex-)bestuurders nog niet in staat waren tot reflectie, is het zeker niet het definitieve boek over LTO Nederland. Mocht zich in de toekomst een nieuwe gelegenheid voordoen, dan lijkt het me zinvol om de eerste tien bewogen jaren van de organisatie in een breder perspectief te plaatsen.

Eerder verschenen als webrecensie in BMGN – The Low Countries Historical Review 127 no. 4 (2012), review 88.