Home » Posts tagged 'Noord-Amerika'

Tag Archives: Noord-Amerika

Categorieën

Archief

Anthonie Colijn (1870-1932)

Boer, boerenvoorman, burgemeester

WieInPolitiek

Op oudejaarsavond 1918 besloten de boeren in de omgeving van Amsterdam, verenigd in de regionale Bond van Melkveehouders geen melk meer aan de stad te leveren. Het was het begin van een hoog oplopend conflict dat als ‘de melkoorlog’ de geschiedenis in zou gaan. In deze strijd speelde het antirevolutionaire Tweede-Kamerlid- tevens burgemeester van Nieuwer-Amstel- Arie Colijn een cruciale rol, want het was Colijn die de boeren had aangezet de melklevering te stoppen. Deze melkoorlog illustreert hoe politici voor het dilemma kunnen komen te staan aan wie zij hun steun verlenen: hun directe achterban, de politieke partij die zij vertegenwoordigen of het landsbelang. In deze biografische schets van Arie Colijn staan dergelijke dilemma’s centraal.

 

Lees het [PDF] van dit artikel

Mari Smits, ‘Anthonie Colijn (1870-1932). Boer, boerenvoorman, burgemeester’ in: P.E. Werkman en R.E. van der Woude (red.), Wie in de politiek gaat, is weg? Protestantse politici en de christelijk-sociale beweging (Hilversum: Verloren 2009), pp. 151-176.

Religieuze emigratieculturen

EmigratiecultuurEnne Koops, De dynamiek van een emigratiecultuur. De emigratie van gereformeerden, hervormden en katholieken naar Noord-Amerika in vergelijkend perspectief (1947-1963). Hilversum: Verloren, 2010. Passage Reeks 36. 416 blz., € 39,-. ISBN 978-90-8704-155-7.

De geschiedschrijving over de overzeese emigratie naar Noord-Amerika richtte zich tot dusverre vooral op de periode 1840-1940. Over de naoorlogse emigratie zijn, afgezien van belangrijke deelstudies, nog geen grote overzichtswerken verschenen. Het boek van Enne Koops is het eerste dat in deze leemte wil voorzien. Hoewel Koops zich op de eerste plaats richt op de religieuze factor in de naoorlogse emigratie, biedt hij inzicht in de grote betekenis die deze landverhuizing had in de geschiedenis van Nederland na 1945. Een andere verdienste is het dat hij poging doet om een brug te slaan tussen twee historiografische tradities: de Nederlandse waarin vooral de vertreksituatie centraal staat en de Noord-Amerikaanse waarin vooral de aankomst, opvang en integratie van emigranten wordt beschreven. Koops behandelt beiden en besteedt bovendien aandacht aan schakel tussen beiden: het vervoer overzee en vooral de betekenis van de geestelijke begeleiding aan boord.

De kern van het boek handelt over het religieuze aspect van het emigratieproces, waarbij zijn focus vooral ligt op de gereformeerde gezindten, die in 1947 reeds konden bogen op een emigratietraditie van 100 jaar. Andere gezindten, zoals de katholieken en hervormden, komen in het boek ook voor, maar dienen vooral als controlegroepen. Kernbegrip in zijn boek is het al of niet aanwezig zijn van een ‘emigratiecultuur’, dat hij omschrijft als ‘de aanwezigheid van ervaringen binnen een culturele groep en de omzetting daarvan in positieve of negatieve actie’. Als bouwstenen voor deze emigratiecultuur merkt Koops aan de aanwezigheid van een emigratietraditie, beeldvorming en de organisatie van de landverhuizing. Omdat de gereformeerden uit de Gereformeerde Kerken in Nederland konden bogen op een honderdjarige emigratietraditie, positief stonden over emigratie en konden beschikken over een goed georganiseerd netwerk in Nederland en overzee, is het logisch om te concluderen dat zij een sterke emigratietraditie hadden. Dat neemt echter niet weg dat met name de katholieken, die direct na de oorlog nog niet beschikten over een emigratiecultuur, meer dan de gereformeerden, samen met de socialisten vorm hebben gegeven aan het naoorlogse actieve emigratiebeleid. Hoewel in hun opvattingen over emigratie na 1945 bescherming tegen mogelijk geloofsafval centraal bleef staan en hun netwerk in Canada zwak bleef, slaagden zij er wel in om toch een emigratiecultuur op te bouwen, vooral dankzij de aanwezigheid van diverse Nederlandse religieuzen in Australië en Nieuw-Zeeland. De gereformeerden konden daar daarentegen niet voortbouwen op een reeds bestaand netwerk.

Koops wijt de oververtegenwoordiging van de synodaal gereformeerden in de naoorlogse emigratie naar Noord-Amerika vooral aan de sterke emigratiecultuur binnen hun kerkgemeenschap. Daarmee ligt de vooronderstelling op de loer dat de religieuze factor een bepalende rol zou hebben gespeeld bij de beslissing om te vertrekken. Ik ben ervan overtuigd dat economische, sociale en politieke factoren (de dreiging van het communisme) een veel belangrijkere rol hebben gespeeld. Om vooral de economische en landbouwkundige factoren beter uit te lichten is meer onderzoek nodig naar regionale verschillen. Daarbij moet echter – anders dan Koops doet met zijn vergelijking tussen de synodaal gereformeerden in de Drenthe en de bevindelijk gereformeerden in de Zeeland – meer gelet worden op de situatie in de landbouw. Dit betekent dat er meer moet worden gelet op verschillen in de agrarische bedrijfsstructuur in de onderscheiden delen van het land en er aandacht moet worden besteed aan het probleem van de jonge boeren op de zandgronden. Wil men regio’s vergelijken aan de hand van een verschillende religieuze samenstelling, dan dient de landbouwkundige situatie van die regio’s met elkaar overeen te komen. Omgekeerd kan men ook twee gereformeerde regio’s met verschillen in grondsoort en bedrijfsstructuur met elkaar vergelijken.

Koops toont verder aan de aanwezigheid van een sterke emigratiecultuur en een goed overzees netwerk niet noodzakelijkerwijs een garantie hoeft te zijn dat gereformeerden zich blijvend aansluiten bij de zusterkerken van de Christian Reformed Church. Veel gereformeerden kozen er uiteindelijk voor om ook in kerkelijk opzicht met een schone lei te beginnen en afscheid te nemen van de religieuze spanningen die de vrijmaking binnen hun kerkgemeenschap had veroorzaakt. Kortom, ook de gereformeerden konden hun geloofsgenoten niet behoeden voor kerkverlating, de activiteiten van de fieldmen en home missionaries ten spijt!

Eerder gepubliceerd op www.protestant.nl