Home » Posts tagged 'P Opperdoes Alewijn'

Tag Archives: P Opperdoes Alewijn

Categorieën

Archief

Van Zuiderzee tot Flevoland (1): Van hersenschim tot serieus plan

In 2018 is het honderd jaar geleden dat de Zuiderzeewet tot stand kwam. Deze wet schiep het kader voor de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de oude Zuiderzee. Waar ooit in het midden van Nederland zout water vloeide en werd gevist op haring en ansjovis, zijn steden verrezen en groeien gewassen op de beste landbouwgrond van Nederland. De reeks ‘Van Zuiderzee tot Flevoland’ blikt terug op minder bekende episoden uit de geschiedenis van de Zuiderzeewerken en daarmee van de jongste provincie van Nederland. In dit eerste deel staan we stil bij de voorstellen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee die werden gepubliceerd voorafgaand aan het plan-Lely van 1891.

De Zuiderzee van Hermanus Koekkoek
De Zuiderzee van Hermanus Koekkoek

Gehele of gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee

‘Drie-en-veertig jaren, van 1848 tot 1891 zijn noodig geweest om bij het algemeen den indruk te vestigen, dat de aanwinning van de Zuiderzee geen hersenschim is maar ernstig onderzoek verdient.’ Zo betitelde Adrien Huët, lereaar aan de Polytechnische School te Delft, in 1894 de tijd die was verstreken tussen de publicatie van het eerste plan tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee tot het moment dat er een op serieus onderzoek gebaseerd plan (het plan-Lely) op tafel lag. Wat Huët niet wist was dat reeds in 1667 het eerste voorstel tot droogmaking was verschenen. In zijn Wisconstich Filosofisch Bedrijf pleitte Hendric Stevin, zoon van de wiskundige Simon Stevin, voor het afsluiten van de Zuiderzee door het aanleggen van dammen met sluizen tussen de Waddeneilanden en van Ameland naar de Friese kust. Door bij eb de sluizen in de zeegaten open te laten zou geleidelijk aan het zoute zeewater vervangen worden door zoet rivierwater en kwam er goede grond voor inpoldering beschikbaar. De ideeën van Stevin waren een logisch vervolg op de dertig jaar eerder voltooide droogmakerijen in Noord-Holland. Ze waren echter met de toenmalige stand van de techniek niet realiseerbaar. Stevins plan verdween in de vergetelheid om daar pas in 1920, dus na de totstandkoming van de Zuiderzeewet, aan te worden ontrukt.

Faddegon 2
Pieter Faddegon

Het duurde bijna twee eeuwen voordat de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee opnieuw in de belangstelling kwam te staan. Ook nu vormden andere droogmakerijen de inspiratiebron. Terwijl in 1848 en 1849 de werkzaamheden ten behoeve van de drooglegging van de Haarlemmermeer in volle gang waren, verschenen kort na elkaar twee droogmakingsplannen. Het doel van beide plannen was het inpolderen van de Zuiderzee, inclusief het deel dat sinds 1932 wordt aangeduid als de Waddenzee. Het eerste voorstel uit 1848 was geschreven door twee particulieren: de zeepfabrikant Jakob Kloppenburg en de werktuigkundige Pieter Faddegon. Hun plan behelsde het droogleggen van de Zuiderzee ten zuiden van de lijn Enkhuizen-Stavoren en het aanleggen van dijken tussen de Waddeneilanden. De drooglegging van het noordelijk deel van de Zuiderzee zou pas aan de orde komen zodra er voldoende ervaring was opgedaan met de inpoldering van het zuidelijk deel. Kloppenburg en Faddegon wezen vooral op de economische voordelen van droogmaking. Technische en waterstaatkundige aspecten kwamen in hun publicatie nauwelijks aan bod.

BPG van Diggelen 2
Benjamin van Diggelen

De vraag hoe de afsluiting en droogmaking in technische zin moest worden gerealiseerd, werd daarentegen wel uitvoerig behandeld in het in 1849 door Benjamin van Diggelen gepubliceerde werk De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droogmaking. Deze ingenieur van Rijkswaterstaat presenteerde een totaalplan dat voorzag in de aanleg van een afsluitdijk van Den Helder naar Terschelling, de afdamming van het zeegat tussen Terschelling en Ameland en tussen Ameland en de Friese kust. Daarnaast wilde hij ook Texel en Vlieland met elkaar verbinden, zodat ook de achter deze eilanden gelegen Waardgronden konden worden drooggelegd. Van Diggelen gaf er blijk van serieus te hebben nagedacht over de technische uitvoering van zijn plan. Voor verschillende knelpunten, waarvan de afvoer van het water uit de IJssel één van de belangrijkste was, droeg hij concrete oplossingen aan. Door vooral in te gaan op de techniek nam Van Diggelen afstand van tijdgenoten die in de voorgaande jaren de wenselijkheid van drooglegging van de Zuiderzee hadden bepleit, maar zich niet om de uitvoering hadden bekommerd. De regering liet zich door de inspecteurs van Waterstaat Jean Henri Ferrand en Leopold van der Kun nader adviseren over het plan-Van Diggelen, maar gaf er geen vervolg aan.

Het zou weer vijftien jaar duren voordat de afsluiting en droogmaking van de gehele Zuiderzee opnieuw geagendeerd werd. Nu waren het waterschapsbesturen uit Overijssel, Friesland en Noord-Holland die het voortouw namen en bij de regering een verzoek tot drooglegging indienden. Zij wilden daarmee een aanzienlijke besparing van de dijklasten realiseren. Zij vroegen de minister Johan Rudolph Torbecke hoe het gesteld was met het onderzoek naar het plan-Van Diggelen. Deze moest in de Eerste Kamer bekennen dat hij sterk twijfelde aan de uitvoerbaarheid van het plan. Ook deelde hij mee dat het plan weinig bijval had ondervonden binnen Rijkswaterstaat. Wel gaf hij te kennen dat landaanwinning het beste door de overheid kon worden uitgevoerd.

Particuliere initiatieven

Terwijl waterschappen uit de omliggende provincies bij de regering aandrongen op drooglegging van de gehele Zuiderzee, ondernamen particulieren pogingen om concessies voor de inpoldering van delen te verwerven. Nog in 1864 dienden de notarissen Gerrit Schimmel en Christiaan Diemont bij de regering een aanvraag in tot indijking van het Hoornse Hop. Deze aanvraag was gebaseerd op een uit 1846 daterend plan van Cornelis Kater, aannemer en landmeter te Monnickendam. Kater wilde een zeedijk aanleggen van het ten oosten van Hoorn gelegen De Nek naar Edam. Deze drooglegging zou ongeveer 8.500 hectares grond opleveren. Kort na de indiening van de concessie-aanvraag bood ingenieur Hendrik Linse zich aan. Op verzoek van de concessie-aanvragers maakte Linse een ontwerp dat ook de Gouwzee omvatte, waardoor de in te dijken oppervlakte zou uitkomen op 12.500 hectares.

Beijerinck
Jan Anne Beijerinck

Een jaar later nam echter een andere groep particulieren het voortouw voor de drooglegging van een veel groter deel van de Zuiderzee. Deze groep had zich op initiatief van oud-minister van Koloniën Jan Jacob Rochussen verenigd in de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. Deze maatschappij, waarvan zijn zoon Hendrik Rochussen één van de directeuren was, legde aan de waterstaatsingenieurs Jan Anne Beijerinck en Thomas Johannes Stieltjes de vraag voor wat hun oordeel was over de drooglegging van de Zuiderzee. Beiden rapporteerden dat indijking van de gehele Zuiderzee, zoals voorgesteld door Van Diggelen, technisch en financieel onuitvoerbaar zou zijn. Alleen indijking van het zuidelijk deel van de Zuiderzee, zodat de vrije uitloop van de IJssel behouden zou blijven, leverde volgens hen geen onoverkomelijke bezwaren op en zou zelfs financieel gunstig zijn.
Daarop gaf de maatschappij aan Beijerinck opdracht een ontwerp te maken voor de drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee. Het plan-Beijerinck uit 1866 voorzag in de aanleg van een 40 kilometer lange afsluitdijk van Enkhuizen via Urk naar Kampen. Ten zuiden van die dijk zou een droogmakerij van circa 195.000 hectares kunnen worden gerealiseerd. Daarop liet de maatschappij bodemkundig onderzoek verrichten. Vervolgens vroeg ze bij de regering een concessie aan voor uitvoering van het plan. De regering nam de zaak in overweging en legde het plan voor aan de Raad van de Waterstaat. Hoewel deze raad financiële bezwaren opperde, was daarmee het concessieverzoek nog niet van tafel. In 1870 stelde minister van Binnenlandse Zaken Cornelis Fock een staatscommissie in die zich moest buigen over een door Stieltjes aangepaste versie van het plan-Beijerinck. Hoewel een meerderheid van de commissie in 1873 positief oordeelde over het verlenen van een concessie, sloot de liberale minister Johan Herman Geertsema zich aan bij de minderheid, die oordeelde dat mocht de drooglegging noodzakelijk zijn, alleen het Rijk bevoegd was om die uit te voeren.

Het plan-Leemans, de basis voor het wetsvoorstel van 1877
Het plan-Leemans, de basis voor het wetsvoorstel van 1877

Geertsema’s opvolger, de conservatief Jan Heemskerk, wilde daadwerkelijk tot uitvoering van de plannen overgaan. In de troonrede van 21 september 1874 deelde koning Willem III mee, dat het hem persoonlijk zou verheugen ‘indien voor het einde dezer zitting beslissende stappen gedaan zouden zijn tot de aanwinst van grondgebied ten koste van een deel der Zuiderze.’. Alvorens een wetsontwerp in te dienen gaf Heemskerk aan Wilhelmus Leemans, ingenieur van Rijkswaterstaat te Kampen en eerder secretaris van de Staatscommissie van 1870, opdracht een nieuw onderzoek in te stellen. Op grond van zijn bevindingen, waarbij ook de in 1866 en 1875 verrichtte grondboringen werden betrokken, maakte Leemans een nieuw ontwerp. Binnen de afsluitdijk, die een veel zuidelijker tracé volgde, zouden polders worden aangelegd die tezamen 137.000 hectare grond zouden opleveren. Dit plan-Leemans vormde de basis voor het wetsontwerp dat Heemskerk in april 1877 naar de Tweede Kamer stuurde. Dit voorzag in een uitvoering door de Staat en niet in het verlenen van een concessie aan particulieren. De Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee, die in 1870 de concessieaanvraag had overgenomen van de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet, werd hiermee buitenspel gezet. Tot uitvoering kwam het niet. Heemskerks opvolger, de liberaal Johannes Tak van Poortvliet trok direct na zijn aantreden in november 1877 het wetsontwerp in. De drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee was hiermee van de baan.

Los van de concessie-aanvraag voor de drooglegging van het zuidelijk deel, ijverde nog een groep particulieren voor de drooglegging van een deel van de Zuiderzee. In 1869 riepen enkele Noordhollandse waterschappen een commissie in het leven, met de bedoeling een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden tot indijking van het Wieringermeer. De Wieringermeercommissie stelde allereerst een onderzoek in naar de kwaliteit van de droog te leggen gronden. Nadat vaststond dat die kwaliteit uitstekend was, werkte de commissie verder aan een inpolderingsplan. Op basis van dit plan diende de commissie in 1877 bij de regering een concessieaanvraag in. Een nog op te richten maatschappij zou met steun van de provinciale en landelijke overheid de uitvoering van de inpoldering ter hand nemen. Terwijl de provincie Noord-Holland reeds in 1875 een subsidie van  750.000 in het vooruitzicht stelde, bleef de regering in gebreke. In 1885 werd de Wieringermeercommissie ontbonden.

Bouwstenen voor het plan-Lely

Hoewel de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee met het intrekken van het wetsontwerp-Heemskerk van de politieke agenda was afgevoerd, was al het werk dat de plannenmakers tot 1877 hadden verricht niet voor niets geweest. Verschillende onderdelen van hun ontwerpen heeft Cornelis Lely in 1891 verwerkt in zijn plan. Zo heeft het plan-Leemans in zekere zin model gestaan voor de door hem geprojecteerde zuidoostelijke en zuidwestelijke polder. Daarbij baseerde hij zich op het reeds in 1866 en 1875 verrichtte bodemonderzoek. Ook voor de Wieringermeer, waar in 1880 de Leidse chemicus Jacob van Bemmelen nog in opdracht van de Wieringermeercommissie bodemonderzoek had verricht, baseerde Lely zich op een bestaand inpolderingsplan.

Ook de andere onderdelen van het plan-Lely waren niet nieuw. Het denkbeeld om Noord-Holland en Friesland door middel van een afsluitdijk met elkaar te verbinden, ten einde daarmee de zuidelijke Zuiderzeekusten te kunnen beschermen tegen stormvloeden, dateerde van vóór 1849. Volgens Benjamin van Diggelen werd daarbij in de regel gedacht aan een dam tussen Enkhuizen of Medemblik en Stavoren. Zelf vond hij een verbinding tussen Wieringen en Stavoren meer op zijn plaats. Uitgebreid ging hij in op de gevolgen van zo’n dam voor de veiligheid, de afwatering en de scheepvaart. Daarbij waarschuwde hij reeds voor de hogere vloedgolven in het noordelijk deel van de Zuiderzee. Mocht ooit tot de aanleg van een afsluitdijk besloten worden, dan diende volgens Van Diggelen tevens zorg te worden gedragen voor de versterking van de zeeweringen ten noorden van die dijk.

De aanleg van een afsluitdijk van Noord-Holland naar Friesland ten einde een binnenmeer te scheppen, was vooral populair bij polderbesturen en dijkbeheerders in de provincies rond de Zuiderzee. De aanleg van zo’n dam zou een besparing opleveren op het onderhoud van de dijken, terwijl het bovendien zou leiden tot een betere afwatering en inlaat van zoet water. Ook de veiligheid zou aanmerkelijk toenemen. In 1864, het jaar waarin een stormvloed schade aanrichtte aan de dijken, wezen twee dijkbesturen uit Overijssel de minister van Binnenlandse Zaken op een plan van de Hasseltse notaris Gerrit Freislich tot aanleg van een dam met schutsluis. Freislich had daarbij geen specifiek tracé op het oog. Ten zuiden van die dijk zouden particulieren vervolgens inpolderingen kunnen realiseren. Op initiatief van Johan Carel de Leeuw, dijkgraaf van de Anna Paulownapolder, werd een commissie gevormd voor het uitwerken van dit plan. Dit initiatief verdween naar de achtergrond na de publicatie van het plan-Beijerinck en de concessie-aanvraag van de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet.

Pieter Opperdoes Alewijn
Pieter Opperdoes Alewijn

Daarmee was het plan voor een afsluitdijk nog niet de wereld uit. Nog in 1866 schreef IJ. van der Meulen, vice-president van de Kamer van Koophandel te Leeuwarden in de Provinciale Friesche Courant ingezonden stukken waarin hij voorstelde een dijk te leggen tussen Wieringen en Makkum en ten zuiden van deze dijk zoveel mogelijk land in te polderen. In hetzelfde jaar mengde Pieter Opperdoes Alewijn, bestuurder van verschillende waterschappen in Noord-Holland, zich in de discussie. In een open brief aan Thomas Stieltjes vroeg hij zich af of het niet veel beter was, om in plaats van de door Beijerinck ontworpen dijk Enkhuizen-Urk-Kampen een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Hindeloopen. Dit voorstel vormde de basis van een ontwerp dat hij in 1873 publiceerde. In 1870 publiceerde de Friese landmeter en waterschapsbestuurder Klaas Kornelis Kooy een eigen variant. Hij stelde voor om een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Zurich met uitwateringssluizen nabij de Friese kust. Met die afsluiting wilde hij op de eerste plaats de veiligheid van de omliggende provincies verbeteren. Uitvoering van het plan-Beijerinck zou volgens hem leiden tot hogere stormvloeden langs de Zuiderzeekusten van de noordelijke provincies. Daarop waren de dijken niet berekend. De ontwerpen van Kooy en Opperdoes Alewijn werden in het wetsontwerp van 1877 volledig genegeerd. Opmerkelijk is wel dat de Afsluitdijk die in de jaren 1927-1932 werd aangelegd het reeds door Kooy voorgestelde tracé volgt. Ook de locatie van het noordelijke sluizencomplex bij Kornwerderzand kwam al voor in het voorstel van Kooy.

Een plan tot indijking van het gebied waar nu de Noordoostpolder ligt, is vóór Lely door niemand op schrift gesteld. Wel maakte P. de Waal, voormalig opzichter van Rijkswaterstaat in het noordoostelijk deel van de Zuiderzee, in 1888 melding van het feit dat Beijerinck en Stieltjes in 1865 hadden overwogen hiervoor een ontwerp te maken. Aan dit voornemen, dat een polder van circa 40.000 hectare goede kleigrond had kunnen opleveren, hadden zij echter geen gevolg gegeven.

Besluit

In navolging van de drooglegging van de Haarlemmermeer werden vanaf 1848 verschillende plannen gepubliceerd die afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee beoogden. Plannen die de nadruk legden op drooglegging concentreerden zich vooral op het zuidelijk deel van de Zuiderzee, terwijl waterschapsbestuurders op de eerste plaats pleitten voor de realisering van een afsluitdijk. Een aantal plannen, maar ook het bodemonderzoek dat werd verricht in verschillende delen van de Zuiderzee, vormden later bouwstenen voor het plan-Lely dat in 1891 verscheen.

Bronnen
G.L. Cleintuar, Wisselend getij. Geschiedenis van de Zuiderzeevereeniging 1886-1949. Zutphen: De Walburg Pers, 1982.
W.H.J. van der Most, ‘De Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. Met vlijt en ondernemingsgeest op weg naar de twaalfde provincie?’, in: Schokland Revisited. Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland [2], 1992, pp. 67-81.
D.J. Wolffram, 70 jaar ingenieurskunst. Dienst der Zuiderzeewerken. Lelystad: De Twaalfde Provincie, 1997.

Website: Aan de wieg van Flevoland

Gepubliceerd op 13 november op Historiek.