Home » Posts tagged 'Zuiderzeevissers'

Tag Archives: Zuiderzeevissers

Categorieën

Archief

Van Zuiderzee tot Flevoland (slot): Eibert den Herder

De Don Quichot van de Zuiderzeewerken

Ook na de totstandkoming van de Zuiderzeewet in 1918 stonden er weinig echte tegenstanders van de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee op. De invloedrijkste tegenstanders kwamen ook nu uit de financiële wereld, waaronder Anton van Gijn, die als minister van Financiën in 1916 het wetsontwerp van Lely mede had ondertekend. De natuurlijke tegenstanders, de Zuiderzeevissers, waren vooral geïnteresseerd in het in de wacht slepen van een ruime schadeloosstelling. Pas met het optreden van de Eibert den Herder lieten de vissers hun afwachtende houding varen en ondernamen zij een vergeefse poging om het naderende onheil te keren.

Haven van Harderwijk in 1925
Haven van Harderwijk in 1925

IJveren voor schadevergoeding
In 1919 werd het Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat reeds in 1902 had gerapporteerd over de gewenste hoogte van de schadeloosstelling, opnieuw tot leven gewekt. Tijdens een druk bezochte vergadering in Hotel Spaander in Volendam wees voorzitter Berend Demmer de aanwezigen erop dat nu in het landsbelang was besloten de Zuiderzee af te sluiten, de vissers zich er maar beter bij konden neerleggen. Het Comité besloot opnieuw onderzoek te doen naar de schade die de drooglegging zou toebrengen aan het visserijbedrijf rond de Zuiderzee. Ook nu werd de waarde van de bedrijfstak (visserij én nevenbedrijven) geschat op bijna 10 miljoen gulden. De door de regering in het vooruitzicht gestelde bedrag van 6 miljoen gulden was ontoereikend. Het Comité verwachtte dat er uiteindelijk een ruimere schadevergoeding zou komen.

Door het lange wachten op de indiening van de Zuiderzeesteunwet bij de Tweede Kamer groeide de onrust in de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Er bestond vooral onzekerheid over de toekomst. Het vooruitzicht dat de vissers niet meer in staat zouden zijn hun schulden af te betalen, maakte leveranciers van schepen, netten en zeilen huiverig om nieuwe kredieten te verstrekken. Ook het gerucht dat de Zuiderzeesteunwet maar een karige schadeloosstelling in het vooruitzicht stelde, maakte onrust nog groter. Tijdens een vergadering van het Centraal Comité op 29 december 1923 gaven vissers te kennen dat zij niet zonder protest zouden toelaten dat zij en hun gezinnen de dupe zouden worden van een werk, waarom zij allerminst hadden gevraagd. Toen het wetsvoorstel in januari 1925 bij de Tweede Kamer werd ingediend, leidde dit direct tot protesten. Het belangrijkste grief van de vissers was dat de regering geen enkele schadeloosstelling voor de waardevermindering van schepen en netten in het vooruitzicht stelde, terwijl dit voor veel vissers het enige bezit was dat ze hadden. Zowel de vissersorganisaties als verschillende gemeenten rond de Zuiderzee maakten hun ongenoegen kenbaar bij de Tweede Kamer. De Kamerbehandeling liep voor de vissers uit op een teleurstelling. De wet werd met een ruime meerderheid aangenomen. De Zuiderzeesteunwet maakte een einde aan de onverschilligheid van de vissers ten opzichte van de Zuiderzeewerken. Na 1925 vertaalde de onvrede zich in toenemende mate in verzet. Eén van de woordvoerders van dit verzet werd de Harderwijker Eibert den Herder.

Een ramp voor Nederland

Eibert den Herder
Eibert den Herder

Eibert den Herder was in 1876 in Harderwijk geboren als zoon van een “negotieschipper”. Na tot zijn dertigste met zijn vader op de Zuiderzee te hebben gevaren, ging hij in 1906 aan wal. Samen met zijn broer Beert zette hij een vishandel, een garnalenpellerij en een vismeelfabriek op. Omdat zij zich door de naderende afsluiting van de Zuiderzee in hun bestaan bedreigd voelden, begonnen de gebroeders Den Herder in 1921 een kalkzandsteenfabriek. De nieuwe fabriek werd geen succes. De vismeelfabriek, die wel goed draaide, was vanwege de naderende afsluiting van de Zuiderzee op termijn ten dode opgeschreven. In Harderwijk speelde Eibert  een grote rol in het openbare leven. Als oprichter en bestuurslid van de visserijvereniging “Onze Toekomst” had hij grote invloed op de ontwikkeling van de visserij. Hij had zich ingezet voor de vestiging van een visafslag, die in 1913 van start ging. Ook had hij zich jarenlang ingezet voor de realisering van een vaargeul naar de haven van Harderwijk, een geul die uiteindelijk in 1925 werd gerealiseerd. Behalve voor de ontwikkeling van de visserij heeft Den Herder zich jarenlang sterk gemaakt voor de bevordering van het toerisme. De afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee stond in zijn ogen haaks op de door hem gewenste ontwikkeling van Harderwijk.

In zijn strijd tegen de Zuiderzeewerken publiceerde Den Herder brochures, schreef hij brieven aan ministers, Kamerleden en vooraanstaande personen, stuurde hij ingezonden brieven naar de pers en hield hij voordrachten. In zijn eerste brochure De drooglegging der Zuiderzee, een ramp voor Nederland uit 1925 wilde Den Herder aantonen welke economische waarde de visserij vertegenwoordigde in verhouding tot de opbrengst van de landbouwgronden in de toekomstige IJsselmeerpolders. Daarbij roerde hij enkele technische en economische bezwaren aan. Hij betwijfelde of de Afsluitdijk sterk en hoog genoeg kon worden gemaakt, zodat zij in staat zou zijn om de zwaarste stormvloeden te weerstaan. Dat de ingenieurs geen absoluut vertrouwen stelden in de Afsluitdijk, werd volgens Den Herder duidelijk uit de mededeling van de minister van Waterstaat dat de meerdijken zouden worden verhoogd tot +2,50 m NAP. Volgens Den Herder zouden de dijken ook dan niet in staat zijn om stormvloeden te weerstaan: ‘Ingeval de afsluitdijk doorbreekt, worden alle polders in één zee herschapen. Geen huis, dat boven die watermassa uitsteekt. Geen levende ziel komt uit die polders. In niet één polder in ons heele land is het wonen zoo gevaarlijk.’

Domme golvenEibert den Herder plaatste ook kanttekeningen bij de rentabiliteit van het Zuiderzeeproject. Hij rekende voor dat een hectare Zuiderzeegrond drieduizend gulden zou gaan kosten. Welke boer zou zo’n bedrag willen betalen, als hij voor hetzelfde geld gelijkwaardige grond in veiliger streken kon krijgen? Zijn bezwaren kwamen aan de orde tijdens een voordracht die hij verzorgde op 6 augustus 1925 in Harderwijk. Hij slaagde er niet in om het publiek op zijn hand te krijgen. Volgens één van de aanwezigen zou Harderwijk zich belachelijk maken als het met Den Herder zou meegaan. Ondanks deze kritiek ging hij onverdroten voort met het waarschuwen van politici voor het naderende onheil. In zijn brochure Domme golven, ingenieurskunst en keileem uit 1929 zette hij zijn bezwaren tegen de Zuiderzeewerken nog eens uiteen. Hij betoogde dat het tijdens de storm van november 1928 maar weinig had gescheeld of er was van de in aanleg zijnde werken geen spaan heel gebleven. Ook deze brochure trok weinig aandacht.

Zuiderzeefilm
Meer aandacht kreeg Eibert den Herder een jaar later toen hij een actie begon tegen de Zuiderzeefilm van de folklorist Dirk-Jan van der Ven. In deze film uit 1929 legde Van der Ven de met de ondergang bedreigde volkscultuur in de Zuiderzeevissersplaatsen vast. Door zijn folkloristische invalshoek, waarbij hij vooral aandacht had voor traditionele werkmethoden, haalde Van der Ven zich de woede van de vissers op de hals. Zij waren vooral kwaad omdat ze in de film werden afgeschilderd als armoedzaaiers.

Dirk-Jan van der Ven
Dirk-Jan van der Ven

Eibert den Herder kwam direct in het verweer tegen deze – in zijn ogen misleidende – voorstelling van de Zuiderzeevisserij. Tijdens een druk bezochte vergadering op 22 januari 1930 in Harderwijk ontvouwde hij het plan om door het maken van een nieuwe film het Nederlandse volk wel een juiste kijk te geven op de Zuiderzeevisserij en de aanverwante bedrijfstakken. Het doel was om aan te tonen welk een belangrijk bedrijf er verloren zou gaan. Den Herder slaagde er in korte tijd in om voldoende geld bijeen te zamelen voor zijn filmplannen.

De film ging op 24 juni 1930 in Harderwijk in première. Visser Willem Foppen verklaarde vooraf dat de film was bedoeld als een poging om de Zuiderzee voor de visserij te behouden. Het werd de vissers steeds duidelijker dat zij door de drooglegging gedupeerd werden. De film moest duidelijk maken dat er een belangrijke bron van volksvoedsel dreigde verloren te gaan. Volgens Foppen was het “een bovenmenschelijk wonder” dat, nu men met de drooglegging was begonnen, de zee zo rijk was aan vis. In het licht van deze rijkdom waren de vissers vastbesloten om bij de regering aan te dringen op het stopzetten van de drooglegging. Het was nog niet te laat.

“Onwaarheden en fantastische voorstellingen”
De film leverde Den Herder veel goodwill op. In toenemende mate werden zijn brochures met instemming in de pers besproken. Door deze aandacht konden de voorstanders van de Zuiderzeewerken hem niet langer negeren. De eerste die reageerde was de propagandist van de Zuiderzeewerken Anton Beekman. In Het Vaderland van 29 maart 1930 schreef hij: ‘Hoe kan men iemand gaan weerleggen, die het a. b. c. niet kent van de zaak, waarover hij durft meespreken? Waarlijk, onze ingenieurs hebben wel wat anders te doen dan tegen zulk geschrijf op te komen. En ook ik durf mijn tijd beter te kunnen gebruiken.’ Het Vaderland nam met dit neerbuigende commentaar geen genoegen. Volgens de krant was het de “leek” Den Herder die ‘toch maar van den aanvang af den vinger heeft gelegd’ op onvoorziene omstandigheden. Daartoe aangespoord ging Beekman in Het Vaderland van 16 april 1930 dieper op de zaak in. Hij bleef echter bij zijn stelling dat Eibert den Herder niets anders deed dan het volk op te zetten ‘tegen het groote en grootsche werk met onwaarheden en fantastische voorstellingen.’

Ook de Zuiderzeevereeniging zag zich genoodzaakt om in het verweer te komen. De vereniging deed daarvoor een beroep op de secretaris van de Zuiderzeeraad, Kornelis Jansma en de ingenieur van de Zuiderzeewerken Jo Thijsse. In hun Weerlegging van bezwaren van den heer E. den Herder, industrieel te Harderwijk uit 1930 kwamen beiden tot de slotsom dat de beweringen van Den Herder ‘de toets van rustige en ernstige kritiek’ niet konden weerstaan.

De Afsluitdijk open houden
Ondanks deze kritiek ging Den Herder onverdroten verder met het bekritiseren van de Zuiderzeewerken. In De steenen spreken wees hij op enkele oude gedenkstenen in de stadsmuur van Harderwijk, om zijn theorieën over de stormvloeden te onderbouwen. Eind 1930 publiceerde hij in enkele kranten een artikel waarin hij het instorten van een dijk op Texel tijdens de storm van 23 november 1930 toeschreef aan de bouw van de Afsluitdijk. Hij zag hierin de bevestiging van zijn vrees dat door de bouw van de Afsluitdijk het water enorm zou opstropen. Na voltooiing van de dijk zou dit alleen maar erger worden, zo voorspelde hij.

Brak WaterDoor zijn actie voor een nieuwe Zuiderzeefilm slaagde Den Herder erin om medestanders om zich heen te verzamelen. Het Plaatselijk Comité tot Behoud van de Zuiderzee, dat hij in 1930 in het leven had geroepen om de film te realiseren werd een Landelijk Comité, waarin hij samenwerkte met de journalist Fred Thomas en de aannemer Salomon ten Bokkel Huinink. Tijdens een druk bezochte eerste bijeenkomst van het Comité op 5 februari 1931 in Amsterdam verklaarde voorzitter F.W. Drijver jr. dat het doel was te voorkomen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten. Deze bijeenkomst was de eerste in een reeks van druk bezochte vergaderingen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Steevast werden deze avonden afgesloten met het sturen van een telegram naar de minister van Waterstaat met daarin het verzoek de Afsluitdijk niet te voltooien of het instellen van een onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee. De avonden werden afgesloten met de vertoning van de Zuiderzeefilm van Eibert den Herder.

Naarmate de voltooiing van de Afsluitdijk naderde werd het echter steeds moeilijker om de vissers de mobiliseren. Bovendien slaagde het Landelijk Comité er slechts in beperkte mate in weerklank te vinden bij Haagse politici. De sluiting van de Afsluitdijk op 28 mei 1932 markeerde ook het einde van de acties voor het behoud van de Zuiderzee. De meeste tegenstanders hielden het voor gezien. Alleen Eibert den Herder weigerde te capituleren. Kort voor de afsluiting van het laatste sluitgat gaf hij de vissers het advies om hun netten niet te laten verrotten: ‘Wie weet, hoe spoedig ge ze weer noodig zult hebben.’ Overtuigd als hij was dat de Afsluitdijk bij de eerste de beste storm zou bezwijken, bleef hij zich verzetten tegen de Zuiderzeewerken. In 1933 deed hij met de Zuiderzeepartij mee met de Tweede Kamerverkiezingen. De partij behaalde slechts 338 stemmen in de twee kieskringen waarin een kieslijst was ingediend. In Harderwijk hadden zijn “partijgenoten” verzuimd op tijd de kandidatenlijst in te leveren. Tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Harderwijk verklaarde Den Herder dat de oprichting van de partij een wanhoopsdaad was. De ARP en de CHU, partijen waarvoor hij jarenlang in de Harderwijkse gemeenteraad had gezeten, hadden zich in zijn ogen niets aangetrokken van de Zuiderzee ellende.

Achterhoedegevecht

De schilder Eibert den Herder
De schilder Eibert den Herder

Ook na dit verkiezingsdebacle bleef Eibert den Herder doorgaan met zijn strijd tegen de uitvoering van de Zuiderzeewerken. Hij publiceerde nog enkele brochures waarin hij waarschuwde voor de gevaren, die Nederland zouden bedreigen als de droogleggingsplannen zouden worden doorgezet. Alleen door het afsluiten van alle zeegaten door hoge duinen zou het land gevrijwaard blijven van een nationale ramp, zo schreef hij in 1941 in zijn achtste brochure De Zuiderzee. Toen in 1950 de directeur van Zuiderzeewerken Marten Klasema naar Harderwijk kwam om het verzet tegen de aanleg van Oostelijk Flevoland de wind uit de zeilen te nemen, nam Eibert den Herder ongevraagd het woord om zijn afschuw tegen de inpolderingsplannen uit te spreken. Kort daarna publiceerde hij zijn laatste brochure Waar gaat gij heen? Het nawoord van dit geschrift laat zich lezen als de profetie van een man die op jet punt stond de strijd op te geven. Als in een visioen zag hij de Afsluitdijk bezwijken en de zee weer bezit nemen van het land, en daarbij aan toevoegend: ‘En als de bladen dan met vette letters melden dat zoveel duizend mensen verdronken zijn, zal een enkele zich misschien herinneren de man uit Harderwijk, die dat alles heeft voorzien en er dertig jaar lang voor gewaarschuwd heeft.’ Kort na het verschijnen van de brochure, op 3 september 1950 overleed Eibert den Herder.

De betekenis van Eibert den Herder
Eibert den Herder heeft meer gedaan dan een verbeten strijd te voeren tegen de Zuiderzeewerken. Hij nam talloze initiatieven om Harderwijk toeristisch op de kaart te zetten. Zo begon hij in 1925 met de Holland-Veluwelijn, een bootverbinding met Amsterdam en wist hij te bereiken dat er een vaargeul kwam door de voor Harderwijk gelegen zandbank Het Harde. Ook heeft hij zich (vergeefs) ingezet om het Zuiderzeemuseum naar Harderwijk te halen en maakte hij in 1944 een reeks schilderijen van vissersboten. Zijn inspanningen om het toerisme in zijn stad te bevorderen werd na de oorlog overgenomen door zijn zoons Frits en Coen. De verzameling zeezoogdieren van zoon Frits werd de basis van het Dolfinarium, dat in 1965 zijn deuren opende. In 2005 werd voor het stadhuis van Harderwijk een monument onthuld ter ere van deze markante stadgenoot.

Van Zuiderzee tot Flevoland (5): de Zuiderzeevissers

Op vrijdag 3 augustus 1900 vond nabij Pampus een bijzonder schouwspel plaats. Op initiatief van de burgemeesters van Edam en Wieringen, Hendrik Jan Calkoen en Louis Charles Kolff vond daar onder aanwezigheid van de jonge koningin Wilhelmina en koningin-moeder Emma een vlootrevue van vissersschepen plaats. Van heinde en verre waren mensen toegestroomd om het schouwspel van ruim 1600 botters te aanschouwen, die in de vorm van een grote rechthoek op het Muiderzand voor anker lagen. Alle schepen waren versierd en hadden de vlag in top. Beide vorstinnen voeren met de oorlogsbodem ‘Buyskes’ langzaam om de vissersvloot heen en bezochten enkele botters. Het doel van de manifestatie was om een voorstelling te geven van de omvang van het vissersbedrijf langs de kusten van de Zuiderzee. Het was geen demonstratie tegen de voorgenomen drooglegging van de Zuiderzee, zoals sommige tegenstanders beweerden, maar een poging om te verhinderen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten zonder dat rekening zou worden gehouden met de belangen van de Zuiderzeevissers.

Vloorschouw 1900

Weinig zorgen
In de vorige bijdrage van de artikelenreeks zagen we al dat de plannen tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee ook op steun kon rekenen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. De vissers hielden zich stil om twee redenen. Op de eerste plaats waren de Zuiderzeeplannen lange tijd nog te weinig concreet om zich zorgen te maken over het dreigend verlies om van de eigen broodwinning. Enkel de Volendammers kwamen in 1874 in actie, nadat een jaar eerder een staatscommissie zich uitsprak ten gunste van de drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee. Ruim 300 vissers verzochten koning Willem III om vooral niet toe te staan dat de Zuiderzee zou worden drooggelegd. Hoeveel visserszonen zouden er niet brodeloos worden als het in hun ogen onverantwoordelijke plan tot droogmaking zou worden uitgevoerd, zo stelden zij.

Koningin Wilhelmina stapt aan boord van een botter tijdens de vlootschouw van 3 augustus 1900
Koningin Wilhelmina stapt aan boord van een botter tijdens de vlootschouw van 3 augustus 1900

De plannenmakers van vóór 1886 hadden in de regel weinig oog voor de economische waarde van de Zuiderzeevisserij. Jakob Kloppenburg en Pieter Faddegon wezen in 1848 op de weinig benijdenswaardige positie waarin de bedrijfstak verkeerde. “Hoe dikwijls werd niet de liefdadigheid voor de bewoners van Schokland en Urk ingeroepen.” Volgens hen zou het grootste deel van de eilandbewoners zich gelukkig wanen als ze hun vistuig voor een spade zouden kunnen inwisselen, “waarmede de visscher voor zijn huisgezin, onder minder afwisseling van voor- en tegenspoed, een aanzienlijker stuk brood zal kunnen verdienen.” Voorstander Hendrik Linse onderkende wel dat de drooglegging het einde van het visserijbedrijf zou inluiden. Hij meende daarom dat er voldoende overgangstijd moest zijn. Terwijl de ouderen nog hun brood in de visserij konden blijven verdienen, zouden de jongeren reeds kunnen uitkijken naar een ander beroep.

Schadeloosstelling of protest
Een tweede reden waarom er in de visserijwereld pas zo laat aandacht kwam voor de plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, moet wellicht worden gezocht in de wisselende economische resultaten in de Zuiderzeevisserij. In het laatste decennium van de negentiende eeuw waren er goede jaren geweest met bijzonder rijke ansjovisvangsten. Mede als reactie op de malaise in andere bedrijfstakken, zoals de landbouw, probeerden gelegenheidsvissers daarvan een graantje mee te pikken. Daarnaast trokken vissers uit Volendam, Huizen en Enkhuizen zich als gevolg van toenemende concurrentie van de trawlervisserij en afgeschrikt door enkele rampen zich terug uit de Noordzeevisserij. Door de toenemende concurrentie en het teruglopen van de visvangst trad na 1902 een periode van langdurige malaise in, waarin veel vissersgezinnen in de winter moesten leven van de bedeling. Onder deze omstandigheden was het voor de vissers aantrekkelijker om zich in te spannen voor een royale schadevergoeding dan om te ijveren voor het behoud van de Zuiderzeevisserij.

Detail van het tegeltableau van de vlootschouw
Detail van het tegeltableau van de vlootschouw

De vlootschouw van 1900 maakte duidelijk welk belang er was gelegen in een goede schaderegeling voor de Zuiderzeevissers. Fervente voorstanders van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals Gerard Vissering, noemden de door de Staatscommissie van 1892 voorgestelde regeling royaal. Met deze vergoeding zouden de arme Zuiderzeevissers in het bezit kunnen komen van nieuw materieel waarmee ze zich konden gaan toeleggen op de Noordzeevisserij. Deskundigen op visserijgebied zoals Hendrik Jan Calkoen bestreden deze zienswijze. Volgens Calkoen bood de kustvisserij op de Noordzee onvoldoende bestaansmogelijkheden. In zijn ogen was de Zuiderzeevisserij de kurk waarop de gehele kleine visserij dreef. De vissers geloofden volgens hem dan ook niet in de zegeningen die Vissering hen voorspiegelde.

Hendrik Jan Calkoen
Hendrik Jan Calkoen

Toen eind 1900 de indiening van een wetsontwerp tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee nabij was, spitste de discussie zich in visserskringen toe op de vraag of men moest protesteren tegen dit wetsontwerp of dat men zich moest gaan inzetten voor een ruime schadevergoeding. Deze vraag stond centraal tijdens een op 15 december 1900 te Amsterdam gehouden druk bezochte vergadering van de Vereeniging tot Bevordering van de Nederlandsche Visscherij. De aanwezigen vissers en niet-vissers, voor- én tegenstanders van drooglegging van de Zuiderzee waren in meerderheid van oordeel dat de in het vooruitzicht gestelde schadevergoeding van 4,5 miljoen gulden ontoereikend was. Een echte keuze tussen protest en ijveren voor een schadeloosstelling werd niet gemaakt. Wel werd besloten een fonds te vormen voor het voeren van propaganda tegen het wetsontwerp en ter verkrijging van een hogere schadevergoeding indien het plan tot afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee zou worden gerealiseerd.

Tot actie kwam het pas na de indiening van het wetsontwerp op 7 mei 1901. Op 4 juni vond in Enkhuizen een bijeenkomst plaats met afgevaardigden uit alle Zuiderzeevissersplaatsen, waar de door de regering in het vooruitzicht gestelde schadevergoeding werd besproken. De aanwezigen waren unaniem van oordeel dat deze schaderegeling veruit onvoldoende was en dat de regering moest worden voorgelicht over de gevolgen, die de uitvoering van het wetsontwerp voor de visserij en de aanverwante bedrijven zou hebben. Er werd een Centraal Comité opgericht met als doel leiding te geven aan een door plaatselijke comités te verrichten onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting en drooglegging voor de Zuiderzeevisserij en de nevenbedrijven. Tijdens deze bijeenkomst vroeg J. Zwier Visser, voorman van de Nederlandsche Visscherijvereeniging, zich af waarom men zich niet tegen de drooglegging keerde. De voorzitter van de bijeenkomst, de onderwijzer Berend Demmer uit Volendam, deed een klemmend beroep op de aanwezigen om dit niet te doen. Wilde de vergadering enig resultaat opleveren, dan diende men zich te beperken tot datgene waarover men oordelen kon. Bovendien was in zijn ogen het wijzen op de grote belangen die op het spel stonden en op het onvoldoende zijn van de schaderegeling op zich reeds een protest tegen het wetsontwerp.

Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee publiceerde in de nazomer van 1902 een rapport waarin het op basis van de vastgestelde omvang van de vissersvloot en het aantal beroepsvissers vaststelde dat de regering geen 4,5 maar 9,7 miljoen gulden zou moeten uittrekken als schadeloosstelling. Volgens het Centraal Comité waren de vissers pas zo laat in actie gekomen omdat zij zo met het gevaar vertrouwd waren geraakt, dat zij het als zodanig nauwelijks meer herkenden. Lange tijd had men er op vertrouwd dat financiële bezwaren de uitvoering van droogmakingsplannen zouden verhinderen. Pas toen duidelijk werd dat de ministerraad een wetsvoorstel had goedgekeurd en naar de Raad van State had gezonden, ontstond er onrust in visserskringen.

Nieuw onderzoek
Deze onrust ebde tijdelijk weg toen Cornelis Lely in 1901 na de liberale verkiezingsnederlaag als minister van Waterstaat plaats moest maken voor Johannes Christiaan de Marez Oyens. Deze liet zich in zijn beleid vooral leiden door de twijfels die binnen zijn ministerie leefden. Hij trok Lely’s wetsvoorstel in en vroeg om verschillende nieuwe

Johannes Christiaan de Marez Oyens
Johannes Christiaan de Marez Oyens

adviezen. Aan het College voor de Zeevisscherijen werd een oordeel gevraagd over de gevolgen van afsluiting en gedeeltelijke droogmaking voor de visserij op de Zuiderzee en de eventueel uit te keren schadevergoeding. Het college kwam in 1903 tot de slotsom dat hoewel er geen sprake kon zijn van enig recht op schadevergoeding, het billijk was als duizenden personen die ten gevolge van de aanleg van een werk van algemeen nut hun broodwinning zouden verliezen, een vergoeding zouden ontvangen. Over de vraag wie hiervoor in aanmerking dienden te komen was het college verdeeld. Sommige leden wilden dit beperken tot de vissers, maar een meerderheid van het college wilde ook personen wier bedrijf rechtstreeks van de visserij afhing en wier bestaan met de vernietiging daarvan zou komen te vervallen, in de schaderegeling betrekken. Zolang de regering niet had bepaald wie er in aanmerking konden komen voor een schadevergoeding, kon er van een raming van het benodigde bedrag geen sprake zijn.
De afwachtende houding van De Marez Oyens gaf aan tegenstanders uit visserijkringen de ruimte om hun bezwaren tegen de Zuiderzeeplannen naar voren te brengen. Vanuit die kringen werd de indruk gewekt dat de Zuiderzeevisserij nog steeds een bloeiende bedrijfstak zou zijn. Ook minister De Marez Oyens leek die opvatting te zijn toegedaan, getuige zijn mededeling in de Tweede Kamer dat door de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee tal van vissers hun broodwinning zouden verliezen. Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging, die betwijfelde of de Zuiderzeevisserij wel zo bloeiend was, besloot daarop een eigen onderzoek in te stellen. Een commissie onder leiding van J.F. Neeb, notaris te Harderwijk, stuurde vragenlijsten rond en bezocht de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. De conclusie was dat de Zuiderzeevisserij een ongunstige indruk maakte: “Het doet ons leed te moeten verklaren, dat wij getroffen zijn door den gestadigen achteruitgang van dit zoo nuttig en sympathiek bedrijf.” De vissersbevolking leidde een moeizaam bestaan, welvaart werd nergens aangetroffen en vaartuigen verkeerden in een “verwaarloosden, niet zelden in een deerniswekkenden toestand”, concludeerde de commissie in haar in het najaar van 1905 gepubliceerde rapport.

Toen De Marez Oyens na de verkiezingen van 1905 op zijn beurt het veld moest ruimen, kreeg het plan-Lely een nieuwe kans. De nieuwe minister Jacob Kraus diende in 1907 een nieuw wetsontwerp in en bood daarmee uitzicht op een althans gedeeltelijke realisering van de Zuiderzeeplannen.

Geen tegenwicht
Terwijl de voorstanders met de Zuiderzeevereeniging beschikten over een actieve belangenorganisatie, stonden de tegenstanders met lege handen. Pogingen om hierin verandering te brengen waren vooral afkomstig van de Groningse nettenhandelaar B.J. Gelder. In 1905 nam hij samen met vertegenwoordigers van lokale vissersverenigingen het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging tot Bevordering van de Belangen der Zuiderzee-Visscherij (VBBZ). Tijdens de jaarvergaderingen van deze vereniging werd bij herhaling besloten om zich tegen de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee te verzetten.

VisscherijcourantGelders belangrijkste middel waarmee hij heeft geageerd was De Visscherij-Courant. In het eerste nummer van zijn krant, die op 5 mei 1906 verscheen, verklaarde Gelder de belangen van de vissers te willen verdedigen tegenover hen die ijverden voor drooglegging. Zijn doel was om een organisatie tot stand te brengen die het kon opnemen tegen de Zuiderzeevereeniging. Het initiatief voor deze beweging moest uitgaan van de VBBZ: “De Zuiderzeevereeniging is machtig. Zij heeft geld, en geld regeert de wereld. Laten de visschers dit bedenken als straks het bestuur der Vereeniging tot bevordering van de belangen van de Zuiderzee-visscherij bij hen aanklopt.”
Na zijn vertrek uit het bestuur van de VBBZ in december 1908 heeft Gelder zich vooral ingezet voor het bijeenbrengen van tegenstanders van diverse pluimage. In maart 1909 was hij betrokken bij de oprichting van de Vereeniging tot Onderzoeking van het Zuiderzeevraagstuk. Het doel van deze vereniging, die zowel voor- als tegenstanders van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee wilde organiseren, was te onderzoeken of droogmaking volgens het plan-Lely wenselijk was. Tot de initiatiefnemers behoorden naast Gelder tegenstanders als Derk Roelfs Mansholt – grootvader van de latere landbouwminister en Eurocommissaris Sicco Mansholt en W. van Veen. De nieuwe vereniging organiseerde enkele lezingen waarin Van Veen, chef-ingenieur van de Staatsspoorwegen te Utrecht, benadrukte waarom men geen vertrouwen diende te stellen in het plan-Lely. Hij twijfelde met name aan de betrouwbaarheid van de geprojecteerde dijken. Na enkele lezingen van Gelder en Van Veen werd het stil rond de vereniging. Omdat de meeste tegenstanders de plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee niet serieus namen of er vast van overtuigd waren dat van realisering binnen afzienbare tijd toch niets zou komen, lukte het hen niet om een tegenbeweging van de grond te tillen. “De regeering, zoo dacht men, zal wel zooveel gezond verstand overgehouden hebben om de vurige voorstanders telkens met een kluitje in ’t riet te sturen,” aldus Mansholt. Alleen op momenten dat de realisering van het plan-Lely of onderdelen daarvan dichterbij dreigde te komen, kwamen tegenstanders in actie.

Gepubliceerd op 1 maart 2016 op Historiek.