Home » Blog » Eerste Kamerlid Ad Kaland en zijn verzet tegen een minderheidsenquête

Categorieën

Archief

Eerste Kamerlid Ad Kaland en zijn verzet tegen een minderheidsenquête

Op dinsdag 27 april 1982 begon de Eerste Kamer aan het slothoofdstuk van een proces van grondwetsherziening, dat vijftien jaar eerder door het kabinet-De Jong was begonnen met het instellen van de Staatscommissie van Advies inzake de Grondwet en de Kieswet, beter bekend als de commissie-Cals/Donner. Op de agenda stonden 34 wetsvoorstellen die tezamen de bouwstenen vormden voor een nieuwe grondwet. Om het zo ver te laten komen, diende tijdens deze tweede lezing twee derde van de leden van de Eerste Kamer deze voorstellen goed te keuren. Vijf maanden eerder, op 12 november 1981, waren zij probleemloos de Tweede Kamer gepasseerd. In de Eerste Kamer werden de wetsontwerpen nog eens nauwkeurig tegen het licht gehouden. Niet alle leden konden op voorhand met alle voorstellen instemmen en brachten hun bezwaren naar voren tijdens de debatten. Voor 33 wetsontwerpen was de weerstand niet groot genoeg om de aanneming in gevaar te brengen. Voor het voorstel dat het enquêterecht moest regelen lag dat echter anders. Bij dat verzet speelde de woordvoerder – en latere fractievoorzitter – van het CDA in de Eerste Kamer Ad Kaland een hoofdrol.

Tijdens de grondwetsdebatten twee jaar eerder was uitvoerig gesproken over de controle van het regeringsbeleid. In de ogen van CDA-Tweede Kamerlid Sytze Faber speelden minderheden in het parlement hierbij een belangrijke rol. ‘Het kan vaak het zout in de pap zijn.’ Hij verwachtte weinig van een oproep tot mentaliteitsverandering. ‘Ik geloof, dat het veel beter is om structuren zó te richten, dat wij komen waar wij willen komen: minderheden in deze Kamer dienen beter tot hun recht te komen als het gaat om het recht van enquête.’ Faber diende een amendement in om het enquêterecht toe te kennen aan een minderheid van een vijfde van de Kamerleden. In zijn toelichting verwees Faber naar artikel 44 van de Duitse Grondwet, waarbij een minderheid de Kamer tot het houden van een enquête kon verplichten.[1] Het amendement werd aangenomen met een ruime meerderheid, met alleen de VVD, SGP, GPV en vier CDA-Tweede Kamerleden tegen. Op 16 december 1980 ging de Eerste Kamer akkoord met het wetsvoorstel inzake het enquêterecht. Alleen de VVD en Kamervoorzitter Theo Thurlings (CDA) stemden tegen.

Al snel kreeg de CDA-Senaatsfractie spijt van dit voorstemmen. De aanleiding hiervoor was de onwil of het onvermogen van het kabinet-Van Agt I om informatie over kernenergiecontracten met de Kamer te delen. . In 1978 had de Nederlandse regering verdragen gesloten met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk over het terugnemen van radioactief restafval, dat overbleef nadat de splijtstaven van de kerncentrales in Borssele en Dodewaard waren verwerkt in de opwerkingsfabrieken in die landen. Tijdens de behandeling van het wetsontwerp tot goedkeuring van de verdragen probeerde de Tweede Kamer inzage te verwerven in de contracten die door de Nederlandse energiebedrijven waren gesloten met de Franse en Engelse opwerkingsfabrieken.[2] De regering slaagde er echter niet in de gewenste openbaarmaking te realiseren en wist slechts door een tekstwijziging het wetsvoorstel door de Tweede Kamer te krijgen.[3]

A.J. Kaland (Nationaal Archief, Rob Bogaerts / Anefo)

In de Eerste Kamer namen de PvdA, PPR en D’66 geen genoegen met het zwijgen van de regering. Op 18 mei 1981 lanceerden Jan Mol (PvdA), Boy Trip (PPR) en Jan Vis (D’66) het voorstel tot het houden van een korte parlementaire enquête. De bedoeling was dat de enquêtecommissie de opwerkingscontracten zou gaan bestuderen en hierover aan de Eerste Kamer zou rapporteren. Bij goedkeuring van het voorstel zouden Mol c.s. geschiedenis schrijven: het zou de eerste enquête worden die de Eerste Kamer zou organiseren. Tijdens het debat op 2 juni 1981 trof Mol, in het dagelijks leven werkzaam was bij de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij – één van de contractpartijen – CDA-woordvoerder Ad Kaland tegenover zich. Deze Zeeuwse politicus had eerder als gedeputeerde meegewerkt aan totstandkoming van de kerncentrale in Borssele. Kaland wees erop dat de politieke controle op de Nederlandse energiebedrijven in handen lag van de lagere overheden die er (mede-)eigenaar van waren. Bovendien had de regering reeds meermalen gesteld dat alle voor een goede parlementaire beoordeling relevante informatie was verstrekt. De CDA-fractie had daarom geen behoefte aan een parlementaire enquête. Bovendien verwachtte Kaland niet dat het onderzoek zou leiden tot een andere standpuntbepaling en vond dat de initiatiefnemers er alleen maar op uit waren om de discussie over kernenergie te heropenen. Volgens hem was deze kwestie in de Tweede Kamer al op een indringende wijze onderzocht en behandeld. Ook de VVD-fractie zag bij monde van Guus Zoutendijk geen meerwaarde in een parlementaire enquête.

Kaland ging echter in zijn argumentatie verder. Hij legde een verband met het grondwetsvoorstel om in de toekomst het enquêterecht toe te kennen aan een minderheid. Omdat het enquêterecht hier als politiek strijdmiddel werd gebruikt, sloot hij niet uit dat zijn fractie in tweede lezing de beoogde grondwetswijziging zou afwijzen.[4]

Het debat over de tweede lezing van de grondwetsherziening begon op 27 april 1982 met het betoog van PvdA-fractievoorzitter Anne Vermeer, die stelde dat – ‘alleen al wegens de tijd en de inspanning die het houden van een enquête vraagt’ ‑ van het enquêterecht geen lichtvaardig gebruik zou worden gemaakt. Hij hoopte dan ook van harte dat de bezwaren niet zo zwaar zouden wegen dat tot tegenstemmen zou leiden. Dit was ijdele hoop. VVD-woordvoerder Jan Kees Wiebenga liet direct blijken dat de bezwaren die zijn fractie tijdens de eerste lezing naar voren had gebracht nog overeind stonden. Zijn grootste bezwaar was dat een Kamerminderheid burgers kon dwingen mee te werken aan een enquête.[5]

Kaland ging een stap verder. In zijn ogen was het een goede zaak als een minderheid een meerderheid kon overreden tot het instellen van een enquête, ook al had die meerderheid er zelf geen behoefte aan. ‘Dit kan binnen het bestaande grondwettelijk systeem.’ Maar hier werd in zijn ogen nieuw recht geïntroduceerd.  ‘Dit is een zodanig recht dat het die meerderheid verplicht (…) het voorstel van de minderheid te accepteren. (…) Vijftien leden hier dienen het voorstel in. Zijn wij verplicht vóór te stemmen of mogen wij ook tegen stemmen?’ Bovendien vreesde hij dat de parlementaire enquête – zoals gezegd – zou worden ingezet als politiek strijdmiddel. Dit zou ongewenst zijn. ‘Het houden van een parlementaire enquête kan gewenst zijn, indien hiertoe gerede aanleiding bestaat, maar ik versta er niet onder, dat het om een partijpolitieke strijd mag gaan. Ik versta er niet onder een actie ‘beschadiging lijsttrekkers’ van welke aard dan ook. Ik versta er ook niet onder ‑ dit is het zwaarste argument ‑ grondwettelijk vormgeven aan georganiseerd wantrouwen. Zowel het een als het ander lijkt mij met het minderheidsenquêterecht mogelijk. Dat de tegenstellingen in ons politieke bestel nog wel eens zouden kunnen toenemen, is niet ondenkbaar. In die situatie kan een hantering van het recht van de kleine minderheid meer schaden dan goed doen. Politieke verkettering en zand in de politieke machine kan het gevolg zijn.’[6]

In zijn antwoord wees minister Ed van Thijn (PvdA) voor de rol van de oppositie in het parlementaire stelsel. Hij bestreed het argument dat de parlementaire enquête zou worden gebruikt als politiek strijdmiddel. Hij wees juist op het feit dat het middel praktisch nooit werd gehanteerd. ‘De ervaringen wijzen uit, dat elk voorstel van een minderheid om ooit tot een parlementaire enquête te komen in zeer gewichtige zaken en zeker niet uitsluitend in incidentalistische zaken, tot nu toe nimmer werd gehonoreerd.’ Volgens Van Thijn was het niet zo kenmerkend voor een parlementaire democratie dat de meerderheid beslist. Even kenmerkend was volgens hem ‘de vraag welk respect meerderheden in dit land, als zij volksvertegenwoordigers zijn, opbrengen voor minderheden.’[7] Van Thijn sloot zijn eerste termijn af met een citaat van oud-minister van Justitie Carel Polak (VVD): ‘democratie is geen systeem van bange mensen’, waaraan hij zelf aan toevoegde: ‘en zeker niet voor bange parlementariërs’. Van Thijn vervolgde: ‘De angst voor onnodige polarisatie heeft niets te maken met de toekenning van het recht; de angst voor polarisatie heeft te maken met de angst dat anderen misbruik maken van dat recht. Dat is met recht een vorm van polarisatie.’

In het debat in tweede termijn op 4 mei 1982 verweet Joke van der Meer (PvdA) Kaland koudwatervrees. Volgens haar waren er nog altijd 30 Kamerleden nodig voor het vragen van een enquête. ‘Wat ons bij het parlementair enquêterecht voor ogen staat, is in hoge mate de bescherming van de publieke moraal. (…) Juist vanuit die optiek (…) mag een meerderheid niet verhinderen dat een minderheid poogt, de waarheid te achterhalen.’ Bas de Gaay Fortman (PPR) deed een beroep op de CDA-fractie om dezelfde tolerantie te tonen tegenover minderheden, welke de CDA-fractie in de Tweede Kamer toonde, toen zij zelf met het initiatief nam voor een minderheidsenquête.[8]

In zijn tweede termijn verwees Kaland naar het verworpen enquêtevoorstel van Mol, Trip en Vis. ‘Eigenlijk greep men toen al vooruit op dat minderheidsrecht’. Vervolgens ging hij in op de draai van 180 graden die zijn fractie had gemaakt, die veel aandacht had gekregen in de pers. Als men dat deed met redelijke argumenten, dan was dat volgens hem op zich geen schande. Daarbij wees hij erop dat het negatieve advies van de Raad van State had geleid tot een diepe en uitvoerige bezinning. ‘Alles overwegende, hebben wij gekozen ons achter dat advies van de Raad van State te stellen.[9]

Minister Van Thijn benadrukte in zijn tweede termijn dat niet alleen een minderheid het recht van enquête kon hanteren als politiek wapen, maar ook een politieke meerderheid door het onmogelijk te maken het recht te hanteren. ‘Dit laatste is een groter gevaar dan het eerste’. Volgens Van Thijn had Kaland er terecht op gewezen dat de christen-democratie in de loop der decennia een belangrijke bijdrage had geleverd ‘aan de uitgroei en de vervolmaking van onze parlementaire democratie. Tot een van die bijdragen reken ik ook het amendement-Faber, dat aan de overzijde is aanvaard met overgrote meerderheid.’[10]

Van Thijn, de woordvoerders van de progressieve partijen, maar ook de CDA-Tweede Kamerfractie[11] konden de CDA-Senaatsfractie er niet toe bewegen om ook nu het wetsvoorstel te steunen. Met 36 tegen 35 stemmen werd het voorstel om ook aan een minderheid het enquêterecht toe te kennen verworpen. Slechts twee CDA-ers (Berthe Groensmit-van der Kallen en Henk Vrouwenvelder) en één VVD-er (Frans Feij) stemden met de linkse senatoren mee.[12]

Gepubliceerd op de website van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis onder Memorabele debatten uit de jaren ’70.

[1] Handelingen II, 1979/80, 5 februari 1980, p. 2744 en 2747; Kamerstukken II, 1979/80, 14225, nr. 16.

[2] Kamerstukken II, 1980/81, 16468, nr. 2, Handelingen II, 1980/81, 6 november 1980, p. 1044.

[3] Handelingen II, 1980/81, 2 december 1980, p. 1797-1803; Handelingen II, 1980/81, 9 april 1981, p. 4685.

[4] Handelingen I, 1980/81, 2 juni 1981, p. 1091

[5] Handelingen I, 1981/82, 27 april 1982, p. 351, en 355-357.

[6] Ibidem, p. 362 en 364.

[7] Ibidem, p. 389 en 390.

[8] Ibidem, p. 411 en 417.

[9] Ibidem, p. 419

[10] Ibidem, p. 430 en 431.

[11] De Volkskrant, 12 mei 1982.

[12] Handelingen I, 1981/82, 11 mei 1982, p. 443-444.


Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.