Home » Posts tagged 'Plan-Lely'

Tag Archives: Plan-Lely

Categorieën

Archief

Van Zuiderzee tot Flevoland (4): het oordeel der natie

Nadat de Zuiderzeevereeniging had aangetoond dat de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee technisch haalbaar was en een door minister Lely ingestelde staatscommissie deze conclusie had bevestigd, leek het moment aangebroken om te beginnen met de uitvoering. Zover kwam het niet. In 1894 bleek de nieuwe minister van Waterstaat Philip van der Sleyden niet overtuigd te zijn van de noodzaak. Eerst moest maar eens worden aangetoond of het landsbelang ermee gediend was. Ook vroeg hij zich af of de Zuiderzeeplannen werden gedragen door het Nederlandse volk. De Zuiderzeevereeniging ging daarop op zoek naar het ‘oordeel der natie’. Bij de propaganda vóór het plan-Lely kreeg de vereniging gezelschap van een concurrent: de Nationale Zuiderzeebond.

Anton Beekman
Anton Beekman

De Zuiderzeevereeniging besefte dat haar taak nog lang niet volbracht was. Volgens Abraham Wertheim, die de in 1893 overleden oprichter Age Buma was opgevolgd als voorzitter, had de vereniging nu een nieuwe taak, namelijk het voeren van propaganda en het bestrijden van de waan dat de vereniging beter kon worden opgeheven. In haar activiteiten kwam de nadruk dan ook meer te liggen bij het beïnvloeden van de publieke opinie. Het dagelijks bestuur besloot sprekers uit te nodigen om in verschillende delen van het land voordrachten te houden, “opdat duistere punten opgehelderd en eventuele bezwaren getoetst en zoo mogelijk wederlegd kunnen worden.” In vier jaar tijd werden door of met medewerking van de Zuiderzeevereeniging 140 voordrachten in 115 gemeenten gehouden. Het merendeel van deze voordrachten werden verzorgd door de geograaf Anton Beekman, het liberale Tweede Kamerlid Harm Smeenge en W.J.G. van der Veur, kapitein der artillerie.

De Nationale Zuiderzeebond
Eind 1894 kwam op initiatief van de aannemer van waterstaatswerken Pieter Adriaan Bos uit Gorinchem een comité tot stand dat ten gunste van het plan-Lely propaganda wilde voeren. Tot de initiatiefnemers behoorden diverse industriëlen die in de uitvoering van het plan een middel zagen om de economie te stimuleren. Op 1 juni 1895 kwam hieruit voort de Vereeniging ter Bevordering van de Volkswelvaart door drooglegging der Zuiderzee, gewoonlijk aangeduid als de Nationale Zuiderzeebond. Het doel van de bond was het bevorderen van de uitvoering van de Zuiderzeeplannen door het houden van besprekingen en het uitgeven van populaire geschriften. Bij de oprichting telde de bond reeds 205 leden, waarvan er 89 afkomstig waren uit de omgeving van Rotterdam. Reeds een maand na de oprichting van de landelijke bond werd op het eiland Wieringen na een lezing van Van der Veur de eerste afdeling opgericht. Later volgden afdelingen in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, maar ook in ver van de Zuiderzee gelegen plaatsen als Nijmegen, Deventer, Groenlo en Vlissingen. Meestal werd een afdeling opgericht na een lezing van propagandisten als Beekman en Van der Veur.

Overveluwsch Weekblad, 11 december 1897
Overveluwsch Weekblad, 11 december 1897

De Nationale Zuiderzeebond publiceerde tussen 1896 en 1898 enkele brochures met pleidooien voor de uitvoering van het plan-Lely. Met de eerste, Een kort woord aan het Nederlandsche volk, trachtte de bond het volk te bewegen tot een publieke demonstratie ten gunste van uitvoering van het plan. Net als de Zuiderzeevereeniging wees de bond op de financiële voordelen die dit voor Nederland zou meebrengen. Volgens de voorzitter van de afdeling Den

Herman Schaepman
Herman Schaepman

Haag, oud-minister Willem Frederik Rochussen ging de uitvoering in het ongunstigste geval 315 miljoen gulden kosten, maar dan nog zou Nederland het nieuwe grondgebied ver onder de werkelijke waarde verkrijgen.

Een groot pleitbezorger voor het plan-Lely was ook de katholieke voorman Herman Schaepman. Op 31 maart 1897 hield hij in Amsterdam voor 800 à 1000 toehoorders een gloedvol betoog. Hij noemde de drooglegging nuttig en noodzakelijk omdat een volk van tijd tot tijd een groot werk ter hand moest nemen, ongeacht de kosten: “Een groote arbeid verheft een volk, geeft het een krachtig bewustzijn, maakt dat het groote vraagstukken op zedelijk gebied zal durven oplossen, zich zal durven bezielen met groote geestdrift voor een nationale zaak.” Het Nederlandse volk, “dat op het water zijn groote admiralen, op het land zijn groote ingenieurs had,” zou nog eens “toonen door groote daden dat het zijn vaderen waard is,” aldus Schaepman.

Nierop
Frederik Salomon van Nierop

Financiële bezwaren
De belangrijkste bezwaren die in de aanloop naar de totstandkoming van de Zuiderzeewet vam 1918 werden aangevoerd waren van financieel-economische aard. De hoge uitvoeringskosten waren voor de bankiers Frederik Salomon van Nierop en Marten Mees de reden om in de staatscommissie van 1892 niet in te stemmen met de conclusies. In De Economist van februari 1897 zette Van Nierop uiteen dat, alhoewel hij de aanwinst van een twaalfde provincie, “die in vruchtbaarheid van den bodem voor geen der oude gewesten zou onderdoen,” in hoge mate aantrekkelijk achtte, bezwaren van financiële aard de realisering in de weg stonden. Het grootste probleem was dat de uitgaven zeker waren, terwijl er over de mogelijke opbrengsten nog niets met stelligheid te zeggen viel. De uitgaven voor de droogmaking zouden onmogelijk uit de gewone middelen kunnen worden gefinancierd. Daarom diende de overheid bij de becijfering van de kosten rekening te houden met rentelasten. Deze lasten zouden de regering en volksvertegenwoordiging “in elk geval lang doen aarzelen de onderneming te aanvaarden,” aldus Van Nierop. Anderhalf jaar later wees ook Mees op de zekere kosten en de onzekere uitgaven. Hoewel hij grote waardering had voor de technische verdiensten van de Zuiderzeeplannen en de ijver waarmee de voorstanders deze plannen propageerden, kon deze propaganda zijn financiële bezwaren niet wegnemen.

De Zuiderzeevereeniging en de Nationale Zuiderzeebond gingen na de publicatie van Van Nierop in de tegenaanval. In september 1897 organiseerde de Zuiderzeebond een enquête in de provincies rond de Zuiderzee om na te gaan welke financiële voordelen de afsluiting van de Zuiderzee zou opleveren. Aan de hand van de binnengekomen antwoorden berekende de bond dat dit jaarlijks een besparing van ruim één miljoen gulden zou opleveren. Bij een rente van vier procent per jaar zouden de aanlegkosten van de afsluitdijk uiteindelijk 25 miljoen gulden lager uit kunnen komen. Deze besparingen zouden het resultaat zijn van een vermindering van de onderhoudskosten aan de havens en zeeweringen, meer veiligheid door het niet meer voorkomen van stormvloeden, verbeterde uitwatering en het genot van een zoetwaterboezem met mogelijkheid voor waterverversing ten behoeve van landbouw en veeteelt.

Herman Christiaan van Houven van Oordt
Herman Christiaan van Houven van Oordt

Al vanaf 1894 was de Zuiderzeevereeniging bezig met de voorbereiding van een “eenvoudig en bevattelijk geschrift” waarin het plan-Lely van financieel-economische zijde zou worden belicht. De voorbereiding van deze publicatie lag in handen van secretaris Hendrik Christiaan van Houven van Oordt en Gerard Vissering, net als Van Nierop werkzaam als directeur van de Amsterdamsche Bank. Samen publiceerden zij in maart 1898 De economische beteekenis van de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat vooral bedoeld was om de tegenstanders uit de financiële wereld van repliek te dienen. Het boek werd ruim verspreid onder gemeentebesturen, krantenredacties en leden van de Staten-Generaal en de Raad van State. Was de Zuiderzeevereeniging doorgaans gewend kritiek van tegenstanders te negeren of met geringschatting te bejegenen, in De economische beteekenis werd Van Nierop gekwalificeerd als de enige die de Zuiderzeeplannen aan een grondige beoordeling had onderworpen. Impliciet gaf de Zuiderzeevereeniging daarmee toe dat Van Nierops denkbeelden een belangrijke rol zouden spelen bij de besluitvorming over het plan-Lely en dat het financiële bezwaar de belangrijkste hindernis was die de uitvoering in de weg stond.

Het eerste wetsontwerp
In augustus 1897 trad het kabinet-Pierson aan. In dit kabinet, dat de geschiedenis zou ingaan als initiator van wetgeving op het gebied van volkshuisvesting en sociale zorg, werd Lely opnieuw minister van Waterstaat. De voorstanders van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee hoopten dat hij er nu in zou slagen zijn plan vast te leggen in wetgeving. Een jaar na zijn aantreden legde hij een eerste ontwerp voor aan zijn collega-ministers. Een bespreking in de ministerraad bleef echter uit. Minister van Financiën Nicolaas Pierson had problemen met de financiering. Hij achtte een project dat 190 miljoen gulden zou kosten een te grote schok voor de Nederlandse natie. Minder problemen had hij met een project van bescheidener omvang, zoals de bouw van enkel de afsluitdijk, zo stelde hij tegenover een delegatie van de Zuiderzeevereeniging.

Het wetsontwerp van 1901
Het wetsontwerp van 1901

Lely kreeg daarop de opdracht een plan van een bescheidener omvang in overweging te nemen. Hij besloot zich daarop te richten op het maximaal haalbare. Uiteindelijk wist hij Pierson mee te krijgen voor een wetsontwerp dat de aanleg van een afsluitdijk en de twee kleinste polders, te weten de Wieringermeer en een zuidwestelijke polder. Het wetsontwerp werd ingediend op 7 mei 1901, kort voor de Tweede Kamerverkiezingen van juni 1901. Na de liberale verkiezingsnederlaag trad enkele maanden later een confessioneel kabinet aan onder leiding van Abrham Kuyper. Zijn minister van Waterstaat, Johannes Christiaan de Marez Oyens was niet overtuigd van de technische uitvoerbaarheid van het plan-Lely. Hij trok het wetsontwerp in en legde het plan voor advies voor aan twee kritische waterstaatsinspecteurs. Tijdens een onderhoud dat het bestuur van de Zuiderzeevereeniging in februari 1902 met hem had, stelde De Marez Oyens dat hij het plan-Lely weliswaar aantrekkelijk vond, maar dat de eventueel aan de Zuiderzeevissers uit te keren schadeloosstelling nog onvoldoende was onderzocht. De voormannen van de Zuiderzeevereeniging trokken hieruit de conclusie dat er van deze minister niets te verwachten viel. Tijdens een debat in de Eerste Kamer liet De Marez Oyens zich bovendien geringschattend uit over de voorstanders. Volgens hem slaagden zij er niet in om nieuwe aanhangers voor zich te winnen.

Uit het contact met De Marez Oyens werd duidelijk dat voor het realiseren van het plan-Lely er ook rekening moest worden gehouden met de positie van de vissers, die voor hun broodwinning afhankelijk waren van de Zuiderzee. Hierover meer in de volgende aflevering.

Gepubliceerd op 29 januari 2016 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (3): het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging

Op 4 januari 1886 werd in Amsterdam de Zuiderzeevereeniging opgericht met als doel de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee te onderzoeken. Om de scepsis rond het vraagstuk weg te nemen was de nieuwe vereniging er alles aan gelegen om zo snel mogelijk te beginnen met het technisch onderzoek. Op voorstel van voorzitter Age Buma werd Jacob van der Toorn, een vooraanstaand waterstaatsingenieur die te boek stond als kenner van de grote rivieren, aangezocht om de leiding van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging op zich te nemen. Van der Toorn’s financiële eisen – een jaarsalaris van 7000 gulden – vormden geen bezwaar. Op voorspraak van Van der Toorn werd Cornelis Lely aangesteld als diens assistent. Op 1 november 1886 ging het onderzoek officieel van start.

Jacob van der Toorn
Jacob van der Toorn

Pogingen van de Zuiderzeevereeniging om het onderzoek, waarvoor Van der Toorn in totaal ruim 100.000 gulden nodig achtte, gefinancierd te krijgen, verliepen moeizaam. Op een waarborgfonds van 30.000 gulden werd slechts voor 13.850 gulden ingetekend. Subsidieverzoeken bij gemeenten en provincies leverden onvoldoende op. Slechts dankzij een geldlening van 30.000 gulden, voorschotten uit een tweede waarborgfonds en de lagere kosten kon het onderzoek van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging in 1891 worden voltooid. Een van de financiële meevallers was het vroegtijdig vertrek van Van der Toorn per 1 november 1887. Lely nam daarop de leiding van het technisch onderzoek op zich.

Het plan-Lely
Van der Toorn en Lely gingen er aanvankelijk van uit dat een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzeekust beschermd diende te worden tegen overstromingen en dat zoveel mogelijk vruchtbare gronden binnen de afsluiting dienden te vallen. In hun eerste nota van februari 1887 namen zij het plan-Van Diggelen als uitgangspunt. Net als Benjamin van Diggelen zagen zij op voorhand af van de afdamming van het Marsdiep tussen Den Helder en Texel en de Vliestroom tussen Vlieland en Terschelling. Het afdammen van deze diepe zeegaten was volgens beiden vrijwel onmogelijk. Wilde men desondanks vasthouden aan een ontwerp van een zo groot mogelijke omvang, dan diende er een dijk te worden aangelegd van Noord-Holland via Wieringen naar Terschelling en via Ameland, Schiermonnikoog en Rottum naar de Groningse kust. Achter Texel en Vlieland was een kleine inpoldering mogelijk. Van der Toorn en Lely stelden bovendien voor om een afsluitdijk aan te leggen tussen Wieringen en de Friese kust. Hierdoor zou het mogelijk zijn om de inpolderingen ten zuiden van die dijk onafhankelijk van de landaanwinning op de Wadden uit te voeren. De IJssel zou uitwateren op een groot binnenmeer. Via sluizen in de afsluitdijk kon overtollig water worden afgevoerd. Op basis van bodemonderzoek kwam Lely uiteindelijk tot de slotsom dat de Wadden voor het grootste deel uit zand bestond. In zijn zesde nota uit februari 1891 hield hij nog de mogelijkheid open dat de vruchtbare delen, gelegen langs de Friese kust en in de Lauwerszee, konden worden ingedijkt. Later in dat jaar wees hij ook deze optie van de hand.

De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden
De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden

Uitgangspunt van het definitieve plan-Lely was dat binnen de afsluitdijk tussen Noord-Holland, Wieringen en Friesland zo min mogelijk zand zou worden ingepolderd. Welke treurige resultaten de indijking van een zandpolder opleverde, kon men volgens Lely aanschouwen in de in 1875 drooggelegde polder Het Noorden op Texel. Na vijftien jaar waren de meeste woningen nog onbewoond en een groot gedeelte van het land ongebruikt. ‘Naar mijne meening kan er dan ook geen sprake zijn van indijking van die gedeelten der Zuiderzee, die alleen uit zand bestaan.’ De contouren van het plan-Lely kwamen voor het eerst voor in de derde nota uit 1888. Op basis van reeds door voorgangers gedane grondboringen in het zuidelijk deel van de Zuiderzee en in het Wieringermeer, alsmede op basis van de resultaten van een in 1887 ondernomen verkenningstocht ten noordoosten van Urk, stelde hij voor achtereenvolgens droog te leggen: 1. het zuidoostelijk deel (nu Oostelijk en Zuidelijk Flevoland), 2. het zuidwestelijk deel (de niet gealiseerde Markerwaard), 3. het Wieringermeer, en 4. de hoek tussen Lemmer, Urk en de Overijsselse kust (nu de Noordoostpolder). Tezamen zouden deze droogmakerijen maximaal 240.000 hectares land opleveren.

Het plan-Lely
Het plan-Lely

In zijn laatste nota, die in maart 1892 in druk verscheen, presenteerde Lely drie mogelijkheden voor de afsluiting en droogmaking: twee zonder een afsluitdijk tussen Wieringen en Friesland en één met. De eerste oplossing zonder afsluitdijk combineerde oudere ontwerpen, te weten het plan-Leemans uit 1877 en het ontwerp-Wieringermeer met een eigen plan voor een noordoostelijke polder. De droogmakerijen zouden worden omringd door zware zeedijken. Deze oplossing had als voordeel dat ineens een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzee kon worden drooggelegd. Het grote nadeel was echter dat de aanleg vele jaren zou duren, wat de scheepvaart langdurig zou belemmeren. Bovendien had de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen (KNAW) reeds in 1877 gerapporteerd dat een onvoltooide polder het gevaar van een malaria-epidemie met zich meebracht. Dit gevaar kon worden verkleind door de aanleg van kleinere polders die sneller in cultuur konden worden gebracht. De tweede oplossing behelsde de aanleg van vier polders zonder afsluitdijk. Het eigenlijke plan-Lely, de derde oplossing, had ten opzichte de eerste schets uit 1888 een kleine wijziging ondergaan. De twee zuidelijke polders werden nu ten behoeve van de landsverdediging gescheiden door een breed kanaal.

Met de publicatie van de acht technische nota’s was het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging naar de uitvoerbaarheid van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee voltooid. Waar het nu op aankwam was om aan te tonen dat de uitvoering van het plan-Lely ook wenselijk en haalbaar was. Reeds in 1890 onderkende het bestuur van de vereniging dat voor het dichterbij brengen van de uitvoering het nodig was om zich ook uit te spreken over de financiële haalbaarheid en de economische gevolgen. Op 17 oktober van dat jaar riep het bestuur daartoe een economische commissie in het leven. Deze commissie, waarvan de secretaris Hendrik Christiaan van der Houven van Oordt de drijvende kracht was, publiceerde in 1892 haar rapport.

Lely wordt minister

Cornelis Lely
Cornelis Lely

Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging was zeer verrast toen zij op 19 augustus 1891 een ontslagbrief van Lely ontving vanwege zijn benoeming tot minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Gezien de samenstelling van het nieuwe kabinet-Van Tienhoven, waarvan vijf van de acht leden lid waren van de vereniging, had het bestuur dan ook goede hoop dat dit kabinet de realisering van de Zuiderzeeplannen dichterbij zou brengen. Die verwachting werd inderdaad ingelost. Op 8 september 1892 riep Lely een staatscommissie in het leven met als opdracht te onderzoeken of een afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals door de Zuiderzeevereeniging was voorgesteld, in ’s lands belang diende te worden ondernomen en zo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moest worden gebracht. Met dit besluit werd de fase van plannenmakerij definitief afgesloten. Nu werd één plan, namelijk dat van Lely, onderwerp van een politiek debat.

De staatscommissie vertegenwoordigde de uiteenlopende belangen die bij een eventuele uitvoering van het plan-Lely in het geding waren. Naast deskundigen uit agrarische en militaire kringen, maakten experts op het gebied van handel, zeevisserij en scheepvaart deel uit van de commissie. Ook ingenieurs van Rijkswaterstaat, statenleden uit verschillende provincies en leden van de Eerste en Tweede Kamer hadden hierin zitting. Lely kreeg in de Tweede Kamer voor de voeten geworpen dat de meeste leden zich reeds vooraf gunstig hadden uitgelaten over het plan van de Zuiderzeevereeniging. Hij ontkende dit door erop te wijzen dat dit slechts voor enkele leden het geval was, terwijl anderen zich eerder in tegengestelde zin hadden uitgelaten. Toch zat er in de kritiek een kern van waarheid. Zes van de 28 commissieleden waren lid van de Zuiderzeevereeniging, terwijl enkele anderen zich anderszins voor de vereniging verdienstelijk hadden gemaakt. Na het verschijnen van het rapport in 1894 werden nog eens acht leden van de staatscommissie lid van de Zuiderzeevereeniging.

De commissie deed aanbevelingen ten aanzien van de locatie van de afsluitdijk, de uitwateringssluizen en de situering van de aan te leggen polders, de gevolgen voor Zuiderzeevisserij en de vraag of de uitvoering moest worden opgedragen aan een particuliere onderneming of dat de Staat de uitvoering zelf ter hand moest nemen. Geconcludeerd werd dat de aanleg van een afsluitdijk een dermate grote verantwoordelijkheid met zich meebracht, dat deze niet door een particuliere onderneming kon worden gedragen. Ook bij de droogmaking en exploitatie van de Zuiderzeegronden was te zeer een staatsbelang in het geding om het aan een concessionaris over te kunnen laten. De Staat moest niet opdraaien voor de verliezen, terwijl een particulier de winsten opstreek. Aan het einde van haar rapport benadrukte de staatscommissie dat bij de beantwoording van de vraag of men een groot werk wilde ondernemen tot nog toe alleen het algemeen belang en nooit het commercieel voordeel de doorslag had gegeven. ‘Steeds zijn het de indirecte voordeelen geweest, die de Staat bij de onderneming van het werk op den voorgrond heeft gesteld.’

Kaart Staatscommissie
De aangepaste versie van het plan-Lely, zoals gepubliceerd in het rapport van de Staatscommissie

De totale afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee zou volgens de Staatscommissie in totaal 315 miljoen gulden gaan kosten. Per hectare gewonnen grond zou dit neerkomen op 1620 gulden. De commissie, die op 14 april 1894 verslag uitbracht, was verdeeld over de financiële aspecten. Zes leden beantwoordden de vraag of de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee volgens het ontwerp van de Zuiderzeevereeniging in ’s lands belang behoorde te worden ondernomen in ontkennende zin. Zij wezen op de grote financiële verplichtingen die uitvoering van de hele onderneming met zich mee zou brengen en op de onzekerheid ten aanzien van de economische uitkomsten.

Het oordeel der natie
Hoewel alle leden van de staatscommissie overtuigd waren van de technische uitvoerbaarheid van de Zuiderzeeplannen, was het allerminst zeker of daadwerkelijk tot uitvoering zou worden overgegaan. Daarvoor was een regering nodig die de aanbevelingen van de commissie vertaalde in een wetsvoorstel en dit voorstel met succes zou verdedigen in de Tweede Kamer. Aan deze voorwaarde werd in 1894 niet voldaan. Kort na de publicatie van het rapport viel het liberale kabinet-Van Tienhoven over de uitbreiding van het kiesrecht. Voor Lely’s opvolger als minister van Waterstaat, Philip van der Sleyden, hadden de Zuiderzeeplannen geen prioriteit. Tegenover het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging stelde Van der Sleyden dat voordat met de uitvoering kon worden begonnen de vraag moest worden beantwoord of het landsbelang wel gediend was met het ter beschikking komen van grote hoeveelheden grond en of de schatkist het wel toeliet aan een werk te beginnen, dat tientallen jaren op de Rijksbegroting zou drukken. Voorts was de nieuwe minister er niet van overtuigd dat de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee werkelijk door het Nederlandse volk werd verlangd. De natie diende zich naar zijn mening eerst nog duidelijk hierover uit te spreken.

Voor de Zuiderzeevereeniging was duidelijk dat nu het technische onderzoek voltooid was het er nu om ging de politiek te overtuigen van de noodzaak om de afsluiting en drooglegging ter hand te nemen. Daartoe aangespoord door de nieuwe minister van Waterstaat ging de vereniging op zoek naar het “oordeel der natie”. Met propaganda, lezingen en publicaties over de economische voordelen probeerde de vereniging in de jaren na 1894 dit oordeel in positieve zin te beïnvloeden. In de volgende bijdrage staan we stil bij de propaganda ten faveure van de uitvoerig van het plan-Lely.

Gepubliceerd op 17 december 2015 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (1): Van hersenschim tot serieus plan

In 2018 is het honderd jaar geleden dat de Zuiderzeewet tot stand kwam. Deze wet schiep het kader voor de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de oude Zuiderzee. Waar ooit in het midden van Nederland zout water vloeide en werd gevist op haring en ansjovis, zijn steden verrezen en groeien gewassen op de beste landbouwgrond van Nederland. De reeks ‘Van Zuiderzee tot Flevoland’ blikt terug op minder bekende episoden uit de geschiedenis van de Zuiderzeewerken en daarmee van de jongste provincie van Nederland. In dit eerste deel staan we stil bij de voorstellen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee die werden gepubliceerd voorafgaand aan het plan-Lely van 1891.

De Zuiderzee van Hermanus Koekkoek
De Zuiderzee van Hermanus Koekkoek

Gehele of gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee

‘Drie-en-veertig jaren, van 1848 tot 1891 zijn noodig geweest om bij het algemeen den indruk te vestigen, dat de aanwinning van de Zuiderzee geen hersenschim is maar ernstig onderzoek verdient.’ Zo betitelde Adrien Huët, lereaar aan de Polytechnische School te Delft, in 1894 de tijd die was verstreken tussen de publicatie van het eerste plan tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee tot het moment dat er een op serieus onderzoek gebaseerd plan (het plan-Lely) op tafel lag. Wat Huët niet wist was dat reeds in 1667 het eerste voorstel tot droogmaking was verschenen. In zijn Wisconstich Filosofisch Bedrijf pleitte Hendric Stevin, zoon van de wiskundige Simon Stevin, voor het afsluiten van de Zuiderzee door het aanleggen van dammen met sluizen tussen de Waddeneilanden en van Ameland naar de Friese kust. Door bij eb de sluizen in de zeegaten open te laten zou geleidelijk aan het zoute zeewater vervangen worden door zoet rivierwater en kwam er goede grond voor inpoldering beschikbaar. De ideeën van Stevin waren een logisch vervolg op de dertig jaar eerder voltooide droogmakerijen in Noord-Holland. Ze waren echter met de toenmalige stand van de techniek niet realiseerbaar. Stevins plan verdween in de vergetelheid om daar pas in 1920, dus na de totstandkoming van de Zuiderzeewet, aan te worden ontrukt.

Faddegon 2
Pieter Faddegon

Het duurde bijna twee eeuwen voordat de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee opnieuw in de belangstelling kwam te staan. Ook nu vormden andere droogmakerijen de inspiratiebron. Terwijl in 1848 en 1849 de werkzaamheden ten behoeve van de drooglegging van de Haarlemmermeer in volle gang waren, verschenen kort na elkaar twee droogmakingsplannen. Het doel van beide plannen was het inpolderen van de Zuiderzee, inclusief het deel dat sinds 1932 wordt aangeduid als de Waddenzee. Het eerste voorstel uit 1848 was geschreven door twee particulieren: de zeepfabrikant Jakob Kloppenburg en de werktuigkundige Pieter Faddegon. Hun plan behelsde het droogleggen van de Zuiderzee ten zuiden van de lijn Enkhuizen-Stavoren en het aanleggen van dijken tussen de Waddeneilanden. De drooglegging van het noordelijk deel van de Zuiderzee zou pas aan de orde komen zodra er voldoende ervaring was opgedaan met de inpoldering van het zuidelijk deel. Kloppenburg en Faddegon wezen vooral op de economische voordelen van droogmaking. Technische en waterstaatkundige aspecten kwamen in hun publicatie nauwelijks aan bod.

BPG van Diggelen 2
Benjamin van Diggelen

De vraag hoe de afsluiting en droogmaking in technische zin moest worden gerealiseerd, werd daarentegen wel uitvoerig behandeld in het in 1849 door Benjamin van Diggelen gepubliceerde werk De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droogmaking. Deze ingenieur van Rijkswaterstaat presenteerde een totaalplan dat voorzag in de aanleg van een afsluitdijk van Den Helder naar Terschelling, de afdamming van het zeegat tussen Terschelling en Ameland en tussen Ameland en de Friese kust. Daarnaast wilde hij ook Texel en Vlieland met elkaar verbinden, zodat ook de achter deze eilanden gelegen Waardgronden konden worden drooggelegd. Van Diggelen gaf er blijk van serieus te hebben nagedacht over de technische uitvoering van zijn plan. Voor verschillende knelpunten, waarvan de afvoer van het water uit de IJssel één van de belangrijkste was, droeg hij concrete oplossingen aan. Door vooral in te gaan op de techniek nam Van Diggelen afstand van tijdgenoten die in de voorgaande jaren de wenselijkheid van drooglegging van de Zuiderzee hadden bepleit, maar zich niet om de uitvoering hadden bekommerd. De regering liet zich door de inspecteurs van Waterstaat Jean Henri Ferrand en Leopold van der Kun nader adviseren over het plan-Van Diggelen, maar gaf er geen vervolg aan.

Het zou weer vijftien jaar duren voordat de afsluiting en droogmaking van de gehele Zuiderzee opnieuw geagendeerd werd. Nu waren het waterschapsbesturen uit Overijssel, Friesland en Noord-Holland die het voortouw namen en bij de regering een verzoek tot drooglegging indienden. Zij wilden daarmee een aanzienlijke besparing van de dijklasten realiseren. Zij vroegen de minister Johan Rudolph Torbecke hoe het gesteld was met het onderzoek naar het plan-Van Diggelen. Deze moest in de Eerste Kamer bekennen dat hij sterk twijfelde aan de uitvoerbaarheid van het plan. Ook deelde hij mee dat het plan weinig bijval had ondervonden binnen Rijkswaterstaat. Wel gaf hij te kennen dat landaanwinning het beste door de overheid kon worden uitgevoerd.

Particuliere initiatieven

Terwijl waterschappen uit de omliggende provincies bij de regering aandrongen op drooglegging van de gehele Zuiderzee, ondernamen particulieren pogingen om concessies voor de inpoldering van delen te verwerven. Nog in 1864 dienden de notarissen Gerrit Schimmel en Christiaan Diemont bij de regering een aanvraag in tot indijking van het Hoornse Hop. Deze aanvraag was gebaseerd op een uit 1846 daterend plan van Cornelis Kater, aannemer en landmeter te Monnickendam. Kater wilde een zeedijk aanleggen van het ten oosten van Hoorn gelegen De Nek naar Edam. Deze drooglegging zou ongeveer 8.500 hectares grond opleveren. Kort na de indiening van de concessie-aanvraag bood ingenieur Hendrik Linse zich aan. Op verzoek van de concessie-aanvragers maakte Linse een ontwerp dat ook de Gouwzee omvatte, waardoor de in te dijken oppervlakte zou uitkomen op 12.500 hectares.

Beijerinck
Jan Anne Beijerinck

Een jaar later nam echter een andere groep particulieren het voortouw voor de drooglegging van een veel groter deel van de Zuiderzee. Deze groep had zich op initiatief van oud-minister van Koloniën Jan Jacob Rochussen verenigd in de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. Deze maatschappij, waarvan zijn zoon Hendrik Rochussen één van de directeuren was, legde aan de waterstaatsingenieurs Jan Anne Beijerinck en Thomas Johannes Stieltjes de vraag voor wat hun oordeel was over de drooglegging van de Zuiderzee. Beiden rapporteerden dat indijking van de gehele Zuiderzee, zoals voorgesteld door Van Diggelen, technisch en financieel onuitvoerbaar zou zijn. Alleen indijking van het zuidelijk deel van de Zuiderzee, zodat de vrije uitloop van de IJssel behouden zou blijven, leverde volgens hen geen onoverkomelijke bezwaren op en zou zelfs financieel gunstig zijn.
Daarop gaf de maatschappij aan Beijerinck opdracht een ontwerp te maken voor de drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee. Het plan-Beijerinck uit 1866 voorzag in de aanleg van een 40 kilometer lange afsluitdijk van Enkhuizen via Urk naar Kampen. Ten zuiden van die dijk zou een droogmakerij van circa 195.000 hectares kunnen worden gerealiseerd. Daarop liet de maatschappij bodemkundig onderzoek verrichten. Vervolgens vroeg ze bij de regering een concessie aan voor uitvoering van het plan. De regering nam de zaak in overweging en legde het plan voor aan de Raad van de Waterstaat. Hoewel deze raad financiële bezwaren opperde, was daarmee het concessieverzoek nog niet van tafel. In 1870 stelde minister van Binnenlandse Zaken Cornelis Fock een staatscommissie in die zich moest buigen over een door Stieltjes aangepaste versie van het plan-Beijerinck. Hoewel een meerderheid van de commissie in 1873 positief oordeelde over het verlenen van een concessie, sloot de liberale minister Johan Herman Geertsema zich aan bij de minderheid, die oordeelde dat mocht de drooglegging noodzakelijk zijn, alleen het Rijk bevoegd was om die uit te voeren.

Het plan-Leemans, de basis voor het wetsvoorstel van 1877
Het plan-Leemans, de basis voor het wetsvoorstel van 1877

Geertsema’s opvolger, de conservatief Jan Heemskerk, wilde daadwerkelijk tot uitvoering van de plannen overgaan. In de troonrede van 21 september 1874 deelde koning Willem III mee, dat het hem persoonlijk zou verheugen ‘indien voor het einde dezer zitting beslissende stappen gedaan zouden zijn tot de aanwinst van grondgebied ten koste van een deel der Zuiderze.’. Alvorens een wetsontwerp in te dienen gaf Heemskerk aan Wilhelmus Leemans, ingenieur van Rijkswaterstaat te Kampen en eerder secretaris van de Staatscommissie van 1870, opdracht een nieuw onderzoek in te stellen. Op grond van zijn bevindingen, waarbij ook de in 1866 en 1875 verrichtte grondboringen werden betrokken, maakte Leemans een nieuw ontwerp. Binnen de afsluitdijk, die een veel zuidelijker tracé volgde, zouden polders worden aangelegd die tezamen 137.000 hectare grond zouden opleveren. Dit plan-Leemans vormde de basis voor het wetsontwerp dat Heemskerk in april 1877 naar de Tweede Kamer stuurde. Dit voorzag in een uitvoering door de Staat en niet in het verlenen van een concessie aan particulieren. De Maatschap tot Droogmaking van het Zuidelijk Gedeelte der Zuiderzee, die in 1870 de concessieaanvraag had overgenomen van de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet, werd hiermee buitenspel gezet. Tot uitvoering kwam het niet. Heemskerks opvolger, de liberaal Johannes Tak van Poortvliet trok direct na zijn aantreden in november 1877 het wetsontwerp in. De drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee was hiermee van de baan.

Los van de concessie-aanvraag voor de drooglegging van het zuidelijk deel, ijverde nog een groep particulieren voor de drooglegging van een deel van de Zuiderzee. In 1869 riepen enkele Noordhollandse waterschappen een commissie in het leven, met de bedoeling een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden tot indijking van het Wieringermeer. De Wieringermeercommissie stelde allereerst een onderzoek in naar de kwaliteit van de droog te leggen gronden. Nadat vaststond dat die kwaliteit uitstekend was, werkte de commissie verder aan een inpolderingsplan. Op basis van dit plan diende de commissie in 1877 bij de regering een concessieaanvraag in. Een nog op te richten maatschappij zou met steun van de provinciale en landelijke overheid de uitvoering van de inpoldering ter hand nemen. Terwijl de provincie Noord-Holland reeds in 1875 een subsidie van  750.000 in het vooruitzicht stelde, bleef de regering in gebreke. In 1885 werd de Wieringermeercommissie ontbonden.

Bouwstenen voor het plan-Lely

Hoewel de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee met het intrekken van het wetsontwerp-Heemskerk van de politieke agenda was afgevoerd, was al het werk dat de plannenmakers tot 1877 hadden verricht niet voor niets geweest. Verschillende onderdelen van hun ontwerpen heeft Cornelis Lely in 1891 verwerkt in zijn plan. Zo heeft het plan-Leemans in zekere zin model gestaan voor de door hem geprojecteerde zuidoostelijke en zuidwestelijke polder. Daarbij baseerde hij zich op het reeds in 1866 en 1875 verrichtte bodemonderzoek. Ook voor de Wieringermeer, waar in 1880 de Leidse chemicus Jacob van Bemmelen nog in opdracht van de Wieringermeercommissie bodemonderzoek had verricht, baseerde Lely zich op een bestaand inpolderingsplan.

Ook de andere onderdelen van het plan-Lely waren niet nieuw. Het denkbeeld om Noord-Holland en Friesland door middel van een afsluitdijk met elkaar te verbinden, ten einde daarmee de zuidelijke Zuiderzeekusten te kunnen beschermen tegen stormvloeden, dateerde van vóór 1849. Volgens Benjamin van Diggelen werd daarbij in de regel gedacht aan een dam tussen Enkhuizen of Medemblik en Stavoren. Zelf vond hij een verbinding tussen Wieringen en Stavoren meer op zijn plaats. Uitgebreid ging hij in op de gevolgen van zo’n dam voor de veiligheid, de afwatering en de scheepvaart. Daarbij waarschuwde hij reeds voor de hogere vloedgolven in het noordelijk deel van de Zuiderzee. Mocht ooit tot de aanleg van een afsluitdijk besloten worden, dan diende volgens Van Diggelen tevens zorg te worden gedragen voor de versterking van de zeeweringen ten noorden van die dijk.

De aanleg van een afsluitdijk van Noord-Holland naar Friesland ten einde een binnenmeer te scheppen, was vooral populair bij polderbesturen en dijkbeheerders in de provincies rond de Zuiderzee. De aanleg van zo’n dam zou een besparing opleveren op het onderhoud van de dijken, terwijl het bovendien zou leiden tot een betere afwatering en inlaat van zoet water. Ook de veiligheid zou aanmerkelijk toenemen. In 1864, het jaar waarin een stormvloed schade aanrichtte aan de dijken, wezen twee dijkbesturen uit Overijssel de minister van Binnenlandse Zaken op een plan van de Hasseltse notaris Gerrit Freislich tot aanleg van een dam met schutsluis. Freislich had daarbij geen specifiek tracé op het oog. Ten zuiden van die dijk zouden particulieren vervolgens inpolderingen kunnen realiseren. Op initiatief van Johan Carel de Leeuw, dijkgraaf van de Anna Paulownapolder, werd een commissie gevormd voor het uitwerken van dit plan. Dit initiatief verdween naar de achtergrond na de publicatie van het plan-Beijerinck en de concessie-aanvraag van de Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet.

Pieter Opperdoes Alewijn
Pieter Opperdoes Alewijn

Daarmee was het plan voor een afsluitdijk nog niet de wereld uit. Nog in 1866 schreef IJ. van der Meulen, vice-president van de Kamer van Koophandel te Leeuwarden in de Provinciale Friesche Courant ingezonden stukken waarin hij voorstelde een dijk te leggen tussen Wieringen en Makkum en ten zuiden van deze dijk zoveel mogelijk land in te polderen. In hetzelfde jaar mengde Pieter Opperdoes Alewijn, bestuurder van verschillende waterschappen in Noord-Holland, zich in de discussie. In een open brief aan Thomas Stieltjes vroeg hij zich af of het niet veel beter was, om in plaats van de door Beijerinck ontworpen dijk Enkhuizen-Urk-Kampen een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Hindeloopen. Dit voorstel vormde de basis van een ontwerp dat hij in 1873 publiceerde. In 1870 publiceerde de Friese landmeter en waterschapsbestuurder Klaas Kornelis Kooy een eigen variant. Hij stelde voor om een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Zurich met uitwateringssluizen nabij de Friese kust. Met die afsluiting wilde hij op de eerste plaats de veiligheid van de omliggende provincies verbeteren. Uitvoering van het plan-Beijerinck zou volgens hem leiden tot hogere stormvloeden langs de Zuiderzeekusten van de noordelijke provincies. Daarop waren de dijken niet berekend. De ontwerpen van Kooy en Opperdoes Alewijn werden in het wetsontwerp van 1877 volledig genegeerd. Opmerkelijk is wel dat de Afsluitdijk die in de jaren 1927-1932 werd aangelegd het reeds door Kooy voorgestelde tracé volgt. Ook de locatie van het noordelijke sluizencomplex bij Kornwerderzand kwam al voor in het voorstel van Kooy.

Een plan tot indijking van het gebied waar nu de Noordoostpolder ligt, is vóór Lely door niemand op schrift gesteld. Wel maakte P. de Waal, voormalig opzichter van Rijkswaterstaat in het noordoostelijk deel van de Zuiderzee, in 1888 melding van het feit dat Beijerinck en Stieltjes in 1865 hadden overwogen hiervoor een ontwerp te maken. Aan dit voornemen, dat een polder van circa 40.000 hectare goede kleigrond had kunnen opleveren, hadden zij echter geen gevolg gegeven.

Besluit

In navolging van de drooglegging van de Haarlemmermeer werden vanaf 1848 verschillende plannen gepubliceerd die afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee beoogden. Plannen die de nadruk legden op drooglegging concentreerden zich vooral op het zuidelijk deel van de Zuiderzee, terwijl waterschapsbestuurders op de eerste plaats pleitten voor de realisering van een afsluitdijk. Een aantal plannen, maar ook het bodemonderzoek dat werd verricht in verschillende delen van de Zuiderzee, vormden later bouwstenen voor het plan-Lely dat in 1891 verscheen.

Bronnen
G.L. Cleintuar, Wisselend getij. Geschiedenis van de Zuiderzeevereeniging 1886-1949. Zutphen: De Walburg Pers, 1982.
W.H.J. van der Most, ‘De Nederlandsche Maatschappij voor Grond-Krediet. Met vlijt en ondernemingsgeest op weg naar de twaalfde provincie?’, in: Schokland Revisited. Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland [2], 1992, pp. 67-81.
D.J. Wolffram, 70 jaar ingenieurskunst. Dienst der Zuiderzeewerken. Lelystad: De Twaalfde Provincie, 1997.

Website: Aan de wieg van Flevoland

Gepubliceerd op 13 november op Historiek.