Home » Articles posted by mari smits

Author Archives: mari smits

Categorieën

Archief

Meer dan boer alleen

Bisschop, Chantal, Meer dan boer alleen. Een geschiedenis van de landelijke gilden, 1950-1990 (Dissertatie KU Leuven 2012; Leuven: Leuven University Press, 2015, 401 blz., ISBN 978 94 6270 026 0).

In 1990 verscheen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Belgische Boerenbond van de hand van Leen van Molle het boek Ieder voor allen. Hierin beschreef Van Molle uitvoerig het de ontwikkelingen binnen de bond tot na de deconfiture van de Middenkredietkas in 1934. De naoorlogse geschiedenis van de Boerenbond kwam er bekaaid vanaf. Als aanvulling hierop verscheen in 2015 in druk het proefschrift van Chantal Bisschop over de Landelijke Gilden. De focus hierin ligt niet zozeer op de Belgische Boerenbond als agrarische belangenbehartiger, maar op de culturele functie van de bond en het ontstaan en de ontwikkeling van een parallelle organisatie, namelijk de Landelijke Beweging en de Landelijke Gilden.

Terwijl landbouworganisaties in andere Europese landen – zoals in Nederland – zich na 1945 in toenemende mate hebben toegelegd op de behartiging van de economische en landbouwtechnische belangen van de boeren, heeft de Belgische Boerenbond gekozen voor een verbreding van zijn achterban door de niet-agrarische plattelandsbevolking organisatorisch aan zich te binden. Bisschop richt daarbij haar aandacht vooral op de invloed van leden, bestuurs- en personeelsleden op deze organisatorische ontwikkelingen en de betekenis die deze personen hieraan gaven.

Voor Bisschop zijn de organisatiestructuren slechts een deel van het verhaal. Haar gaat het om de mensen die hierin functioneerden. Om dit menselijke verhaal naar voren te brengen heeft ze veel interviews gehouden, die zij gelijkstelt aan de door haar gebruikte schriftelijke bronnen. Overal in het boek zijn fragmenten uit deze gesprekken te vinden. Bij het uitwerken gebruikte Bisschop een poëtische transcriptiemethode waardoor de interviewteksten meer lijken op versregels dan op afgeronde zinnen. Ze lijken daarmee meer op spreektaal en maken het daarmee voor een buitenstaander toch lastiger om de boodschap van haar respondenten te onderkennen.

Een andere invalshoek die Bisschop kiest is die van de sociale bewegingen. Daarbij plaatst zij de door de Belgische Boerenbond in 1971 geïnitieerde Landelijke Beweging te midden van de nieuwe rurale bewegingen. Deze keuze is enigszins discutabel omdat deze beweging in zijn oorsprong geen beweging van onderop was, maar van bovenaf werd geïnitieerd. Toch meende zij dat de Boerenbond, als deel van de oude agrarische beweging zich met de Landelijke Beweging deel ging uitmaken van de nieuwere rurale beweging van het laatste kwart van de twintigste eeuw.

Na een korte schets van de geschiedenis van 100 jaar Boerenbond richt Bisschop zich allereerst op de opkomst van de culturele werking binnen de organisatie in de jaren vijftig en zestig. Hoewel de Kultuurdienst van Hein Nackaerts de boeren probeerde te enthousiasmeren voor sociale en culturele thema’s bleef het culturele werk binnen de Boerenbondsgelederen een randverschijnsel.

In het derde deel, getiteld “Meer dan allen maar boeren” staat de herstructurering van de Boerenbond centraal. Deze aanpassing was het antwoord op drie uitdagingen waar de bond zich gesteld zag: de schaalvergroting in de landbouw die leidde tot een daling van het aantal boeren, de specialisatie binnen land- en tuinbouwbedrijven waardoor de eenheid in de agrarische belangenbehartiging onder druk kwam te staan en de sluimerende onvrede onder de Vlaamse boeren, die leidde tot de opkomst van een concurrerende boerenbeweging. Binnen de Boerenbond bestond de vrees dat dit deze ontwikkelingen zouden leiden tot verlies van macht en (politieke) invloed. Anders dan de Nederlandse landbouworganisaties besloot de Belgische Boerenbond niet enkel aan te koersen op verdere professionalisering van de agrarische belangenbehartiging, maar de deuren open te voor niet-agrarische leden door middel van een parallelle organisatiestructuur: de Landelijke Gilden. Deze gilden waren de voortzetting van de lokale afdelingen, de Boerengilden, maar moesten zich gaan toeleggen op niet-agrarische aangelegenheden.

In de twee laatste delen van het boek staat de ontwikkeling van de Landelijke Gilden en de Landelijke Beweging centraal. Na de vaststelling van de Grondkeure van 1971 was het voor de betrokkenen volstrekt niet duidelijk hoe men inhoud moest geven aan de nieuwe structuren. Op lokaal niveau gingen veel Boerengilden nog jaren op de oude voet voort. Wat de werving van nieuwe leden betreft was men kieskeurig. Er werd vooral gezocht niet-agrarische familieleden en dorpsbewoners die zich nauw met de landbouw verbonden voelden. Men wilde voorkomen dat stedelingen die zich vestigden op het platteland het roer over zouden nemen en de ontwikkeling van de landbouw zouden belemmeren. Rijkssubsidieregelingen, zoals voor het Nederlandstalig sociaal-cultureel vormingswerk en acties voor het behoud van de dorpsschool en het door de Boerenbond geïnitieerde Jaar van het Dorp 1978 gaven uiteindelijk inhoud aan het werk van de Landelijke Gilden. In de jaren tachtig evolueerden de gilden tot een ‘milieubewuste’ plattelandsbeweging die zich met het toe-eigenen van de terminologie van de milieubeweging inzette voor het behoud van het platteland waarin de land- en tuinbouw een onmisbare rol bleef spelen. Hoewel de Landelijke Gilden een product waren van het aanpassingsvermogen van een oude agrarische beweging werden zij uiteindelijk een nieuwe rurale beweging. Of zoals Bisschop haar boek afsluit: ‘de Boerenbond slaagde erin zich als deel van de oude agrarische beweging opnieuw uit te vinden en aspecten van een opkomende nieuwe en voor hem potentieel bedreigende beweging’ – gedoeld wordt op nieuwe sociale bewegingen zoals de milieubeweging – ‘te incorporeren en naar zijn hand te zetten.’

Het boek heeft meerdere verhaallijnen. Naast het historische betoog over het ontstaan en de ontwikkeling van de Landelijke Gilden volgt Bisschop de ontwikkelingen op een lokaal niveau. Zij zoomt in op het Boerengilde van Vivenkapelle, een klein dorp ten noordoosten van Brugge. Rond 1970 was deze afdeling van de Boerenbond op sterven na dood, maar deze maakte door de inbreng van niet-agrarische leden als Landelijk Gilde een metamorfose door. Van 39 leden in 1980 groeide het gilde in de daaropvolgende 25 jaar uit tot een levende vereniging met 123 leden. Hieronder bevonden zich slechts 8 actieve en 11 gepensioneerde boeren. Desondanks bleef het gilde nauw verbonden met de landbouw, want aldus een landbouwer in ruste, het ‘blijven echte boeren van thuis uit.’ De landelijke gilden spraken vooral mensen aan die zich verbonden voelden met de landbouw. ‘Een gemeenschappelijke basis’, aldus Bisschop, is een noodzakelijke voorwaarde voor een ‘sterke en goed draaiende community.’

Met Meer dan boer alleen heeft Bisschop een boek geschreven waarin zij laat zien dat organisaties niet noodzakelijkerwijs ten prooi hoeven te vallen aan marginalisering als de natuurlijke achterban krimpt. In Vlaanderen is de Boerenbond er met de vorming van de landelijke gilden in geslaagd een hoofdrol te blijven spelen op het platteland.

Bewaren

Tradução Português do livro sobre a história de Holambra

Aeroporto de Schiphol, quarta-feira, 13 de fevereiro de 1988. Depois de mais de meio ano de preparação, eu estava prestes a embarcar na primeira grande viagem de avião da minha vida. Já estava acostumado a viajar, mas, ao chegar no aeroporto naquela fatídica quarta-feira, algo muito diferente me esperava. O voo me levaria para o Brasil, onde eu ficaria por ano. Como historiador interessado na emigração holandesa, estava prestes a tornar-me eu mesmo um emigrante. A preparação tinha o caráter de uma emigração. Minha ida ao Brasil foi preparada pelas antigas organizações de emigração holandesas. Isso significava, entre outras coisas, que precisei pedir um visto temporário de emigração, fazer um exame médico e assinar um contrato de trabalho.

coverholambraportuguessm
Baixe a edição Português do livro de Mari Smits sobre a história de Holambra

Depois de um voo com escala em Marrocos, cheguei na sexta-feira 15 de abril, de manhã cedo, no novo aeroporto de Guarulhos, perto de São Paulo. Após recolher minha bagagem, fui à procura de alguém que me levaria para Holambra. Não foi difícil identificar Henk Klein Gunnewiek entre as pessoas que estavam aguardando. Eu o reconheci da sua publicação mimeografada intitulada “Memórias de um emigrante”. Henk guiou-me através de São Paulo e Campinas até o meu destino final: Holambra. Embora o centro desta vila de emigrantes ainda não tivesse sido enfeitado com vários elementos do estilo holandês, o vilarejo respirava claramente um ambiente holandês. Durante o ano em que vivi entre os emigrantes holandeses – ou melhor, imigrantes – acabei perguntando-me várias vezes se um novo futuro no Brasil seria algo interessante para mim. A resposta foi não; eu não me via como um imigrante e, portanto, preferi construir o meu futuro na Holanda. Apesar de viver um ano no meio de emigrantes, acabei sendo apenas um transeunte. (meer…)

De Tsjechische “Lawrence of Arabia”

Alois Musil (1868-1944)

Wie aan arabisten denkt uit het begin van de Twintigste Eeuw krijgt op de eerste plaats de Britse archeoloog, militair en diplomaat Thomas Edward Lawrence in het vizier, die zijn wereldwijde bekendheid vooral te danken heeft aan de epische film “Lawrence of Arabia” uit 1964. Terwijl Lawrence tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol speelde bij het aanwakkeren van het Arabische verzet tegen het Ottomaanse Rijk was de Tsjechische arabist Alois Musil in opdracht van keizer Franz Joseph van Oostenrijk-Hongarije juist bezig dit te voorkomen. Voor Musil  vormde deze diplomatieke missie de laatste van zijn vele reizen door het Arabische schiereiland die leidde tot een enorme hoeveelheid publicaties, waarmee hij een grote bijdrage leverde aan de westerse kennis van de islam en de Arabische wereld.

Priester
Alois Musil werd in 1868 geboren in het dorp Rychtářov, ca. 45 kilometer ten noordoosten van Brno. Als oudste zoon uit een boerenfamilie ging hij theologie studeren aan de universiteit van Olomouc en werd in 1891 tot priester gewijd. Hij leerde diverse moderne en oude talen, waaronder ook Hebreeuws en Arabisch en ontsteeg daarmee ruimschoots het niveau van de gemiddelde katholieke theoloog. Na zijn doctoraat in 1895 vervolgde hij zijn studies aan de École Biblique et Archéologique Française te Jerusalem. Gedurende zijn verblijf in en rond deze Bijbelse stad realiseerde hij zich dat zijn studie van de archeologie, geologie en de oorsprong van de monotheïstische godsdiensten niet kon worden volbracht zonder meer kennis te verwerven van de omliggende regio’s en de volkeren die daar leefden. In 1897 vervolgde hij daarom zijn studies aan de Universiteit van St. Joseph in Beiroet. Ondertussen was Musil reeds begonnen met veldstudies in onder meer de Sinaïwoestijn.

Quseir Amra, foto van Alois Musil
Quseir Amra, foto van Alois Musil

Ontdekker van Quseir Amra
Musils trektochten door de woestijn waren niet naar de zin van de katholieke autoriteiten. In plaats van terug te keren naar zijn thuisland, de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, besloot hij te blijven en wist hij financiële steun te verwerven van de Weense Kaiserliche Akademie der Wissenschaften. In 1898 begon Alois Musil aan zijn eerste lange reis. Hij verkende de oostkust van de Dode Zee. Hij bezocht onder meer Petra en Palmyra. In Madaba, bekend om zijn beroemde zesde-eeuwse vloermozaïeken, vernam hij dat verder naar het oosten zich een bouwwerk bevond met prachtige vroeg-islamitische fresco’s. De Bani Sahkr-stam bood aan om hem daarnaartoe te brengen. Deze reis werd de (her)ontdekking van de Umayyad herberg Quseir Amra. Musil: ‘Ik trad binnen en zag overal de restanten van muurschilderingen. Ik rende van kamer naar kamer; allemaal waren ze beschilderd. Ik begreep direct het belang van mijn ontdekking en dankte God.’ Hij trachtte foto’s te maken maar zijn reisgezel waarschuwde hem om dit niet te doen. “Musa”, zoals hij werd genoemd, slaagde er nog wel in enkele foto’s te maken, maar de glasplaten gingen verloren tijdens de vlucht.

Alois Musil in 1901
Alois Musil in 1901

Terug in Wenen deed hij desondanks verslag van zijn ontdekkingen. Niemand geloofde hem. ‘Noch mijn priesterschap of mijn academische graad kon me vrijwaren van beschuldigingen dat ik een leugenaar was’. Na twee nieuwe bezoeken aan Quseir Amra, in 1900 en 1901, raakte het thuisfront wel overtuigd van het belang van zijn ontdekkingen. Van deze reizen bracht hij meer dan 100 foto’s mee terug en enkele fragmenten die nu te zien zijn in het Pergamom Museum in Berlijn. Tijdens zijn laatste reis nam hij de Oostenrijkse kunstenaar Leopold Alphons Mielich mee voor het vervaardigen van kopieën van de fresco’s.

Na terugkeer in Wenen begon Musil met het opschrijven en publiceren van zijn reisverhalen. Dit resulteerde in twee monumentale Duitstalige publicaties: Kuseyr Amra (1907, 2 delen) en Arabia Petraea (1908; 4 delen). Beide publicaties werden geïllustreerd met foto’s en reproducties van Mielich. Deze omvangrijke boekwerken vestigden Musils reputatie als ontdekker, geograaf, etnograaf en cartograaf. Deze erkenning maakte stelde hem in staat opnieuw te vertrekken naar het Midden-Oosten.

mielich-caravan
Leopold Alphons Mielich, De karavaan

Onder bedoeïenen
In 1908 begon Alois Musil aan de volgende fase van zijn ontdekkingstochten. Deze reizen brachten hem tot aan de Tigris in het huidige Syrië tot in de noordelijke delen van Najd en Hijaz, gebieden die nu deel uitmaken van Saoedi-Arabië. Veel van deze gebieden waren nog nooit eerder bezocht door westerse ontdekkingsreizigers. Samen met zijn assistent Rudolf Thomasberger van het Militair-Geografisch Instituut te Wenen reisde hij mee met de Ruwala-stam en wist hij het vertrouwen en vriendschap te winnen van zijn leider prins Nuri ibn Hazza ibn Sha’lan. De prins stelde hem in staat foto’s, stafkaarten en aantekeningen te maken, ook al liep de trek van de stam door de woestijn daardoor vertraging op. Na terugkeer in Europa werd Musil hoogleraar aan de universiteit van Wenen. Maar dit verblijf in Wenen duurde niet lang; in 1910 vertrok hij naar het Ottomaanse Rijk om ten oosten van de Jordaan geologisch en hydrologisch onderzoek te verrichten. En in 1912 bezocht hij Mesopotamië tezamen met prins Sixtus de Bourbon Parma, de broer van Zita, die in 1916 keizerin werd als echtgenote van de laatste Habsburgse keizer Karl I.

De Ruwala Beoeïnen met in het midden prins Nuri ibn Hazza ibn Sha'lan
De Ruwala bedoeïenen met in het midden prins Nuri ibn Hazza ibn Sha’lan

Diplomatieke missie
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vertrok hij op verzoek van zijn belangrijkste sponsor, de Oostenrijkse keizer Franz Joseph, opnieuw naar het Arabische schiereiland. Doel van zijn reis was te voorkomen dat de onderling rivaliserende Arabische stammen in opstand zouden komen tegen het Ottomaanse Rijk, een belangrijke bondgenoot van Duitsland en de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Hij bezocht onder meer Hail, een stad in het noorden van het huidige Saoedi-Arabië. Behalve met de onderlinge stammenstrijd werd Musil geconfronteerd met de inspanningen van de Engelsen (waaronder Lawrence) om de Arabieren juist op te zetten tegen de Turken. Desondanks wist hij enkele stammen tot onderlinge vrede te bewegen, hoewel ook hij besefte dat de waarde van deze vredesakkoorden maar beperkt was.

In 1917 bezocht Musil het Ottomaanse Rijk voor het laatst. Hij begeleidde keizer Karel en keizerin Zita tijdens hun bezoek aan Constantinopel en bezocht met aartshertog Hubert Salvator van Oostenrijk, arts en cavaleriegeneraal in het keizerlijke leger, ook Klein-Azië, Syrië en Palestina. Het officiële doel van deze laatste reis was het onderzoeken van de veiligheid van Oostenrijks-Hongaarse burgers in de Ottomaanse gebieden en medisch veldonderzoek. Terug in Wenen had Musil ambitieuze plannen voor universitaire samenwerking tussen het Turkse Rijk en Oostenrijk-Hongarije, ten einde Turkse studenten te laten studeren in Oostenrijk. Door het uiteenvallen van beide multi-etnische staten eind 1918, direct na het einde van de Eerste Wereldoorlog, kwam het daar niet van.

Vila Musa in Rychtářov
Vila Musa in Rychtářov

Tsjechisch wetenschapper
Met het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk betekende ook het einde van zijn verbintenis met de Oostenrijkse Academie van Wetenschappen en de Weense Universiteit. Musil werd niet meer beschouwd als Oostenrijker en had geen andere keus dan terug te keren naar zijn geboortegrond, dat nu deel uitmaakte van de nieuwe republiek Tsjechoslowakije. Musil ging wonen in zijn geboortedorp Rychtářov, waar hij zijn “Vila Musa” liet bouwen. In 1920 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Karelsuniversiteit in Praag en twee jaar later nam hij in Praag het initiatief voor de oprichting van een instituut voor Oosterse studies.

Tijdens zijn verblijf in Rychtářov en Praag legde Musil zich toe op het publiceren van zijn reisverhalen in het Tsjechisch. Musil was goed bevriend met Tomas Masaryk, die hij reeds kende uit zijn Weense tijd. Masaryk introduceerde Musil via zijn Amerikaanse echtgenote bij de Amerikaanse filantroop Charles Crane, die net als Musil veel had gereisd. Op uitnodiging van Crane verbleef Musil tussen 1923 en 1929 meermalen in de Verenigde Staten om te werken aan het zesdelige werk Oriental Explorations and Studies, dat tussen 1926 en 1928 werd uitgegeven door de American Geographical Society. In 1930 verscheen in New York een populaire samenvatting van twee van deze zes delen onder de titel In the Arabian desert. Naast zijn wetenschappelijk werk publiceerde Musil regelmatig over actuele ontwikkelingen in het Midden-Oosten, in Tsjechische bladen, maar ook in juli 1928 in het bekende Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs. Zijn observaties in zijn artikel “Religion and Politics in Arabia” zijn nog verrassend actueel:

‘In the history of Arabia many “empires” have been brought together by religious leaders, but not one of these “empires” has survived the religious movement that gave it birth. In every case a religious struggle has been essential to preserve any measure of unity in a state made up of so many heterogeneous elements. The coming of peace and quiet has always marked the beginning of dissolution.’

In 1938 werd de omgeving van Musils huis in Rychtářov bezet door Duitse troepen en werd het deel van het door nazi-Duitsland geannexeerde Duitstalige Sudetenland. Musil verliet zijn geboortegrond en vestigde zich in Otryby, een dorp ten oosten van Praag. Hij nam ook afscheid van de Praagse universiteit en wijdde zich aan studie en tuinieren. In 1944 overleed hij daar. In 1968, honderd jaar na zijn geboorte werd hij herbegraven in het familiegraf in Rychtářov, vlakbij zijn voormalige woning “Vila Musa”.

Musil in het museum van Vyškov
Musil in het museum van Vyškov

Besluit
Alois Musil was niet de enige westerling die aan het begin van de twintigste eeuw rondreisde en hierover publiceerde. Van de vroege Arabisten was hij ongetwijfeld de productiefste. Zijn werk bleef lange tijd onbekend omdat een belangrijk deel van zijn werk is gepubliceerd in het Duits en het Tsjechisch en niet in het Engels. Tekenend is ook dat vaak in biografsche schetsen wordt vermeld dat hij een achterneef was van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil (1880-1942), bekend van diens postuum verschenen roman Der Mann ohne Eigenschaften. Wie meer wil weten over Alois Musil moet eens afreizen naar Vyškov, waar in het lokale museum een permanente expositie aan hem is gewijd en zijn nabijgelegen geboortedorp Rychtářov.

Literatuur
Peter Harrigan, ‘From Moravia to Arabia’, in: Aramco World 60(2009), no. 6.
Annika Kropf, ‘Priest, Researcher and Agent: Alois Musil’s Peacebuilding Mission in Arabia (1914/15)’.

De Olympische tour van de Batavia

In het kader van de Olympische Spelen die op het moment worden gehouden in Rio de Janeiro is het populair om in te haken op het gemeenschappelijk verleden van Nederland en Brazilië. Zo schreef de maritiem archeoloog Martijn Manders op de site van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een artikel over de scheepvaart tussen beide landen in de jaren 1630 en 1654. Mijn aandacht werd vooral gewekt door het gebruik van een foto van de replica van het VOC-retourschip de Batavia, dat sinds de tewaterlating in 1995 in Lelystad te bewonderen is. Eén ding moge duidelijk zijn. De originele Batavia, die in 1629 te pletter voer op de westkust van Australië, is nooit in Brazilië geweest, evenmin als de Lelystadse replica. Wel heeft deze replica ooit de Olympische Spelen bezocht, namelijk in 2000 in Sydney.

De droom van Willem Vos
Het plan om de onfortuinlijk vergane Batavia na te bouwen is ontsproten aan het brein van de scheepsbouwer Willem Vos. Deze bouwer van houten binnenschepen speelde al geruime tijd met de gedachte om een replica van een VOC-schip te bouwen. Geïnspireerd door de (nog steeds niet) gerealiseerde filmplannen van Paul Verhoeven over de ondergang van de Batavia besloot Vos te kiezen voor de herbouw van dit schip. Vos klopte bij verschillende gemeenten aan met het verzoek om het plan te omarmen. Uiteindelijk bood Lelystad hem gastvrijheid om zijn plan te realiseren, alhoewel de gemeente geen geld had om het plan ook financieel te ondersteunen. Daarop ging Vos met zijn getrouwen aan de slag en kocht hij in Denemarken enkele boomstammen die hij gebruikte voor de bouw van de kiel van het VOC-retourschip.

Op 4 oktober 1985 werd officieel met de bouw van de Batavia begonnen. Om zijn plannen te realiseren werd de bouw van het schip een scholingsproject waar werkloze jongeren bruikbare ervaring op konden doen voor de arbeidsmarkt. Na een bezoek van prins Claus in 1986 kwamen ook sponsoren over de brug, waaronder Nedlloyd, dat acht miljoen gulden beschikbaar stelde. Door het toestromen van de financiële middelen en de groeiende bezoekersaantallen die ook geld binnenbrachten, slaagde Vos er met zijn team in de Batavia binnen tien jaar te voltooien. Op 7 april 1995 werd de Batavia door koningin Beatrix gedoopt, waarna het schip de trotse trekpleister werd van Sail Amsterdam.

Batavia001
De Batavia aan de kade in Sydney

Naar Sydney
Toen de voltooiing van het schip in zicht kwam werden er op de werf nieuwe plannen gemaakt. Op instigatie van de Lelystadse burgemeester Hans Gruyters besloot het bestuur van de Bataviawerf onder leiding van oud-minister Tjerk Westerterp na de Batavia te beginnen aan een nog groter project: de herbouw van De Zeven Provinciën van Michiel de Ruyter. Ook vatte het bestuur het plan op om de Batavia in 2000 naar Sydney te laten reizen, ter gelegenheid van de Olympische Spelen. De Australisch-Nederlandse Kamer van Koophandel was bereid de reis per dok naar Australië te financieren. In september 1999 begon de Batavia aan zijn Australische reis.

In Lelystad bleef de werf achter met een lege plek aan de kade. Het gevolg was dat de bezoekersaantallen dramatisch terugliepen. Tegelijkertijd wilde het ook niet meer vlotten met de bouw van De Zeven Provinciën. De gemotiveerde jongeren die tien jaar daarvoor met veel enthousiasme aan de Batavia hadden gewerkt, hadden plaatsgemaakt voor onbemiddelbare en ongemotiveerde werklozen. Een aantal leermeesters stapte op. ‘Wij zijn scheepsbouwers, geen sociaal werkers,’ merkten ze op. Ook de subsidies en de sponsorgelden waarop de werf jarenlang een beroep had kunnen doen, droogden op. Alleen dankzij een subsidie van de gemeente Lelystad en de provincie Flevoland werd de werf in leven gehouden. De bouw van de Zeven Provinciën werd stilgelegd en Willem Vos trok zich terug als bouwmeester van de Bataviawerf.

Ondertussen wilde het ook  niet vlotten met de terugkeer van de Batavia. Nadat het schip had gefungeerd als boegbeeld tijdens de Olympische Spelen en had bewezen daadwerkelijk zeewaardig te zijn wilde het niet vlotten met de terugkeer naar Nederland. De Australisch-Nederlandse Kamer van Kamer van Koophandel kon of wilde de kosten hiervoor niet op zich nemen. Omdat het schip een centrale rol speelde in de ontwikkeling van het Lelystadse kustgebied – in 2001 werd begonnen met de bouw van het koopjesdorp Bataviastad – zag het Lelystadse gemeentebestuur zich voor geen andere keus gesteld dan om samen met de provincie Flevoland de kosten voor de terugreis te financieren. ‘We waren bang dat we de Batavia nooit meer terug zouden zien,’ aldus de verantwoordelijke wethouder. In juni 2001 keerde het schip, dat bijna twee jaar eerder onder grote belangstelling was vertrokken naar Australië, met stille trom terug aan de kade van Lelystad.

Nieuwe tegenslagen
Na 2001 verplaatste de publieke belangstelling rond de Lelystadse kust zich naar het nieuwe koopjesdorp Bataviastad. Op de werf werd voortgewerkt aan De Zeven Provinciën, maar met de bouw wilde het niet vlotten. Op 13 oktober 2008 brak er brand uit op de werf, waarbij enkele gebouwen, waaronder de zeilmakerij, verloren gingen. De Batavia en het in aanbouw zijnde schip De Zeven Provinciën bleven gespaard. Wel gingen de zeilen van de Batavia verloren. Door gebrek aan financiën werd in 2014 besloten de bouw van het nieuwe schip definitief te staken en zich te concentreren op het conserveren van de Batavia.

Onder meer door de financiële problemen die begonnen met de reis van de Batavia naar Sydney is het de Bataviawerf niet gelukt om De Zeven Provinciën af te bouwen. Hierdoor is het niet gelukt om een replica van het vlaggenschip van Michiel de Ruyter in 2012 tijdens de Olympische Spelen in Londen de Thames op te laten varen. Toen twee jaar later de bioscoopfilm Michiel de Ruyter werd opgenomen moesten de filmmakers daarom noodgedwongen gebruik maken van de Batavia.

Bronnen:

Joris van Casteren, Bootje bouwen. De ondergang van de Batavia, in: De Groene Amsterdammer, 16 februari 2002.
www.bataviawerf.nl
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bataviawerf

Van Zuiderzee tot Flevoland (slot): Eibert den Herder

De Don Quichot van de Zuiderzeewerken

Ook na de totstandkoming van de Zuiderzeewet in 1918 stonden er weinig echte tegenstanders van de afsluiting en gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee op. De invloedrijkste tegenstanders kwamen ook nu uit de financiële wereld, waaronder Anton van Gijn, die als minister van Financiën in 1916 het wetsontwerp van Lely mede had ondertekend. De natuurlijke tegenstanders, de Zuiderzeevissers, waren vooral geïnteresseerd in het in de wacht slepen van een ruime schadeloosstelling. Pas met het optreden van de Eibert den Herder lieten de vissers hun afwachtende houding varen en ondernamen zij een vergeefse poging om het naderende onheil te keren.

Haven van Harderwijk in 1925
Haven van Harderwijk in 1925

IJveren voor schadevergoeding
In 1919 werd het Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat reeds in 1902 had gerapporteerd over de gewenste hoogte van de schadeloosstelling, opnieuw tot leven gewekt. Tijdens een druk bezochte vergadering in Hotel Spaander in Volendam wees voorzitter Berend Demmer de aanwezigen erop dat nu in het landsbelang was besloten de Zuiderzee af te sluiten, de vissers zich er maar beter bij konden neerleggen. Het Comité besloot opnieuw onderzoek te doen naar de schade die de drooglegging zou toebrengen aan het visserijbedrijf rond de Zuiderzee. Ook nu werd de waarde van de bedrijfstak (visserij én nevenbedrijven) geschat op bijna 10 miljoen gulden. De door de regering in het vooruitzicht gestelde bedrag van 6 miljoen gulden was ontoereikend. Het Comité verwachtte dat er uiteindelijk een ruimere schadevergoeding zou komen.

Door het lange wachten op de indiening van de Zuiderzeesteunwet bij de Tweede Kamer groeide de onrust in de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Er bestond vooral onzekerheid over de toekomst. Het vooruitzicht dat de vissers niet meer in staat zouden zijn hun schulden af te betalen, maakte leveranciers van schepen, netten en zeilen huiverig om nieuwe kredieten te verstrekken. Ook het gerucht dat de Zuiderzeesteunwet maar een karige schadeloosstelling in het vooruitzicht stelde, maakte onrust nog groter. Tijdens een vergadering van het Centraal Comité op 29 december 1923 gaven vissers te kennen dat zij niet zonder protest zouden toelaten dat zij en hun gezinnen de dupe zouden worden van een werk, waarom zij allerminst hadden gevraagd. Toen het wetsvoorstel in januari 1925 bij de Tweede Kamer werd ingediend, leidde dit direct tot protesten. Het belangrijkste grief van de vissers was dat de regering geen enkele schadeloosstelling voor de waardevermindering van schepen en netten in het vooruitzicht stelde, terwijl dit voor veel vissers het enige bezit was dat ze hadden. Zowel de vissersorganisaties als verschillende gemeenten rond de Zuiderzee maakten hun ongenoegen kenbaar bij de Tweede Kamer. De Kamerbehandeling liep voor de vissers uit op een teleurstelling. De wet werd met een ruime meerderheid aangenomen. De Zuiderzeesteunwet maakte een einde aan de onverschilligheid van de vissers ten opzichte van de Zuiderzeewerken. Na 1925 vertaalde de onvrede zich in toenemende mate in verzet. Eén van de woordvoerders van dit verzet werd de Harderwijker Eibert den Herder.

Een ramp voor Nederland

Eibert den Herder
Eibert den Herder

Eibert den Herder was in 1876 in Harderwijk geboren als zoon van een “negotieschipper”. Na tot zijn dertigste met zijn vader op de Zuiderzee te hebben gevaren, ging hij in 1906 aan wal. Samen met zijn broer Beert zette hij een vishandel, een garnalenpellerij en een vismeelfabriek op. Omdat zij zich door de naderende afsluiting van de Zuiderzee in hun bestaan bedreigd voelden, begonnen de gebroeders Den Herder in 1921 een kalkzandsteenfabriek. De nieuwe fabriek werd geen succes. De vismeelfabriek, die wel goed draaide, was vanwege de naderende afsluiting van de Zuiderzee op termijn ten dode opgeschreven. In Harderwijk speelde Eibert  een grote rol in het openbare leven. Als oprichter en bestuurslid van de visserijvereniging “Onze Toekomst” had hij grote invloed op de ontwikkeling van de visserij. Hij had zich ingezet voor de vestiging van een visafslag, die in 1913 van start ging. Ook had hij zich jarenlang ingezet voor de realisering van een vaargeul naar de haven van Harderwijk, een geul die uiteindelijk in 1925 werd gerealiseerd. Behalve voor de ontwikkeling van de visserij heeft Den Herder zich jarenlang sterk gemaakt voor de bevordering van het toerisme. De afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee stond in zijn ogen haaks op de door hem gewenste ontwikkeling van Harderwijk.

In zijn strijd tegen de Zuiderzeewerken publiceerde Den Herder brochures, schreef hij brieven aan ministers, Kamerleden en vooraanstaande personen, stuurde hij ingezonden brieven naar de pers en hield hij voordrachten. In zijn eerste brochure De drooglegging der Zuiderzee, een ramp voor Nederland uit 1925 wilde Den Herder aantonen welke economische waarde de visserij vertegenwoordigde in verhouding tot de opbrengst van de landbouwgronden in de toekomstige IJsselmeerpolders. Daarbij roerde hij enkele technische en economische bezwaren aan. Hij betwijfelde of de Afsluitdijk sterk en hoog genoeg kon worden gemaakt, zodat zij in staat zou zijn om de zwaarste stormvloeden te weerstaan. Dat de ingenieurs geen absoluut vertrouwen stelden in de Afsluitdijk, werd volgens Den Herder duidelijk uit de mededeling van de minister van Waterstaat dat de meerdijken zouden worden verhoogd tot +2,50 m NAP. Volgens Den Herder zouden de dijken ook dan niet in staat zijn om stormvloeden te weerstaan: ‘Ingeval de afsluitdijk doorbreekt, worden alle polders in één zee herschapen. Geen huis, dat boven die watermassa uitsteekt. Geen levende ziel komt uit die polders. In niet één polder in ons heele land is het wonen zoo gevaarlijk.’

Domme golvenEibert den Herder plaatste ook kanttekeningen bij de rentabiliteit van het Zuiderzeeproject. Hij rekende voor dat een hectare Zuiderzeegrond drieduizend gulden zou gaan kosten. Welke boer zou zo’n bedrag willen betalen, als hij voor hetzelfde geld gelijkwaardige grond in veiliger streken kon krijgen? Zijn bezwaren kwamen aan de orde tijdens een voordracht die hij verzorgde op 6 augustus 1925 in Harderwijk. Hij slaagde er niet in om het publiek op zijn hand te krijgen. Volgens één van de aanwezigen zou Harderwijk zich belachelijk maken als het met Den Herder zou meegaan. Ondanks deze kritiek ging hij onverdroten voort met het waarschuwen van politici voor het naderende onheil. In zijn brochure Domme golven, ingenieurskunst en keileem uit 1929 zette hij zijn bezwaren tegen de Zuiderzeewerken nog eens uiteen. Hij betoogde dat het tijdens de storm van november 1928 maar weinig had gescheeld of er was van de in aanleg zijnde werken geen spaan heel gebleven. Ook deze brochure trok weinig aandacht.

Zuiderzeefilm
Meer aandacht kreeg Eibert den Herder een jaar later toen hij een actie begon tegen de Zuiderzeefilm van de folklorist Dirk-Jan van der Ven. In deze film uit 1929 legde Van der Ven de met de ondergang bedreigde volkscultuur in de Zuiderzeevissersplaatsen vast. Door zijn folkloristische invalshoek, waarbij hij vooral aandacht had voor traditionele werkmethoden, haalde Van der Ven zich de woede van de vissers op de hals. Zij waren vooral kwaad omdat ze in de film werden afgeschilderd als armoedzaaiers.

Dirk-Jan van der Ven
Dirk-Jan van der Ven

Eibert den Herder kwam direct in het verweer tegen deze – in zijn ogen misleidende – voorstelling van de Zuiderzeevisserij. Tijdens een druk bezochte vergadering op 22 januari 1930 in Harderwijk ontvouwde hij het plan om door het maken van een nieuwe film het Nederlandse volk wel een juiste kijk te geven op de Zuiderzeevisserij en de aanverwante bedrijfstakken. Het doel was om aan te tonen welk een belangrijk bedrijf er verloren zou gaan. Den Herder slaagde er in korte tijd in om voldoende geld bijeen te zamelen voor zijn filmplannen.

De film ging op 24 juni 1930 in Harderwijk in première. Visser Willem Foppen verklaarde vooraf dat de film was bedoeld als een poging om de Zuiderzee voor de visserij te behouden. Het werd de vissers steeds duidelijker dat zij door de drooglegging gedupeerd werden. De film moest duidelijk maken dat er een belangrijke bron van volksvoedsel dreigde verloren te gaan. Volgens Foppen was het “een bovenmenschelijk wonder” dat, nu men met de drooglegging was begonnen, de zee zo rijk was aan vis. In het licht van deze rijkdom waren de vissers vastbesloten om bij de regering aan te dringen op het stopzetten van de drooglegging. Het was nog niet te laat.

“Onwaarheden en fantastische voorstellingen”
De film leverde Den Herder veel goodwill op. In toenemende mate werden zijn brochures met instemming in de pers besproken. Door deze aandacht konden de voorstanders van de Zuiderzeewerken hem niet langer negeren. De eerste die reageerde was de propagandist van de Zuiderzeewerken Anton Beekman. In Het Vaderland van 29 maart 1930 schreef hij: ‘Hoe kan men iemand gaan weerleggen, die het a. b. c. niet kent van de zaak, waarover hij durft meespreken? Waarlijk, onze ingenieurs hebben wel wat anders te doen dan tegen zulk geschrijf op te komen. En ook ik durf mijn tijd beter te kunnen gebruiken.’ Het Vaderland nam met dit neerbuigende commentaar geen genoegen. Volgens de krant was het de “leek” Den Herder die ‘toch maar van den aanvang af den vinger heeft gelegd’ op onvoorziene omstandigheden. Daartoe aangespoord ging Beekman in Het Vaderland van 16 april 1930 dieper op de zaak in. Hij bleef echter bij zijn stelling dat Eibert den Herder niets anders deed dan het volk op te zetten ‘tegen het groote en grootsche werk met onwaarheden en fantastische voorstellingen.’

Ook de Zuiderzeevereeniging zag zich genoodzaakt om in het verweer te komen. De vereniging deed daarvoor een beroep op de secretaris van de Zuiderzeeraad, Kornelis Jansma en de ingenieur van de Zuiderzeewerken Jo Thijsse. In hun Weerlegging van bezwaren van den heer E. den Herder, industrieel te Harderwijk uit 1930 kwamen beiden tot de slotsom dat de beweringen van Den Herder ‘de toets van rustige en ernstige kritiek’ niet konden weerstaan.

De Afsluitdijk open houden
Ondanks deze kritiek ging Den Herder onverdroten verder met het bekritiseren van de Zuiderzeewerken. In De steenen spreken wees hij op enkele oude gedenkstenen in de stadsmuur van Harderwijk, om zijn theorieën over de stormvloeden te onderbouwen. Eind 1930 publiceerde hij in enkele kranten een artikel waarin hij het instorten van een dijk op Texel tijdens de storm van 23 november 1930 toeschreef aan de bouw van de Afsluitdijk. Hij zag hierin de bevestiging van zijn vrees dat door de bouw van de Afsluitdijk het water enorm zou opstropen. Na voltooiing van de dijk zou dit alleen maar erger worden, zo voorspelde hij.

Brak WaterDoor zijn actie voor een nieuwe Zuiderzeefilm slaagde Den Herder erin om medestanders om zich heen te verzamelen. Het Plaatselijk Comité tot Behoud van de Zuiderzee, dat hij in 1930 in het leven had geroepen om de film te realiseren werd een Landelijk Comité, waarin hij samenwerkte met de journalist Fred Thomas en de aannemer Salomon ten Bokkel Huinink. Tijdens een druk bezochte eerste bijeenkomst van het Comité op 5 februari 1931 in Amsterdam verklaarde voorzitter F.W. Drijver jr. dat het doel was te voorkomen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten. Deze bijeenkomst was de eerste in een reeks van druk bezochte vergaderingen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. Steevast werden deze avonden afgesloten met het sturen van een telegram naar de minister van Waterstaat met daarin het verzoek de Afsluitdijk niet te voltooien of het instellen van een onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee. De avonden werden afgesloten met de vertoning van de Zuiderzeefilm van Eibert den Herder.

Naarmate de voltooiing van de Afsluitdijk naderde werd het echter steeds moeilijker om de vissers de mobiliseren. Bovendien slaagde het Landelijk Comité er slechts in beperkte mate in weerklank te vinden bij Haagse politici. De sluiting van de Afsluitdijk op 28 mei 1932 markeerde ook het einde van de acties voor het behoud van de Zuiderzee. De meeste tegenstanders hielden het voor gezien. Alleen Eibert den Herder weigerde te capituleren. Kort voor de afsluiting van het laatste sluitgat gaf hij de vissers het advies om hun netten niet te laten verrotten: ‘Wie weet, hoe spoedig ge ze weer noodig zult hebben.’ Overtuigd als hij was dat de Afsluitdijk bij de eerste de beste storm zou bezwijken, bleef hij zich verzetten tegen de Zuiderzeewerken. In 1933 deed hij met de Zuiderzeepartij mee met de Tweede Kamerverkiezingen. De partij behaalde slechts 338 stemmen in de twee kieskringen waarin een kieslijst was ingediend. In Harderwijk hadden zijn “partijgenoten” verzuimd op tijd de kandidatenlijst in te leveren. Tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Harderwijk verklaarde Den Herder dat de oprichting van de partij een wanhoopsdaad was. De ARP en de CHU, partijen waarvoor hij jarenlang in de Harderwijkse gemeenteraad had gezeten, hadden zich in zijn ogen niets aangetrokken van de Zuiderzee ellende.

Achterhoedegevecht

De schilder Eibert den Herder
De schilder Eibert den Herder

Ook na dit verkiezingsdebacle bleef Eibert den Herder doorgaan met zijn strijd tegen de uitvoering van de Zuiderzeewerken. Hij publiceerde nog enkele brochures waarin hij waarschuwde voor de gevaren, die Nederland zouden bedreigen als de droogleggingsplannen zouden worden doorgezet. Alleen door het afsluiten van alle zeegaten door hoge duinen zou het land gevrijwaard blijven van een nationale ramp, zo schreef hij in 1941 in zijn achtste brochure De Zuiderzee. Toen in 1950 de directeur van Zuiderzeewerken Marten Klasema naar Harderwijk kwam om het verzet tegen de aanleg van Oostelijk Flevoland de wind uit de zeilen te nemen, nam Eibert den Herder ongevraagd het woord om zijn afschuw tegen de inpolderingsplannen uit te spreken. Kort daarna publiceerde hij zijn laatste brochure Waar gaat gij heen? Het nawoord van dit geschrift laat zich lezen als de profetie van een man die op jet punt stond de strijd op te geven. Als in een visioen zag hij de Afsluitdijk bezwijken en de zee weer bezit nemen van het land, en daarbij aan toevoegend: ‘En als de bladen dan met vette letters melden dat zoveel duizend mensen verdronken zijn, zal een enkele zich misschien herinneren de man uit Harderwijk, die dat alles heeft voorzien en er dertig jaar lang voor gewaarschuwd heeft.’ Kort na het verschijnen van de brochure, op 3 september 1950 overleed Eibert den Herder.

De betekenis van Eibert den Herder
Eibert den Herder heeft meer gedaan dan een verbeten strijd te voeren tegen de Zuiderzeewerken. Hij nam talloze initiatieven om Harderwijk toeristisch op de kaart te zetten. Zo begon hij in 1925 met de Holland-Veluwelijn, een bootverbinding met Amsterdam en wist hij te bereiken dat er een vaargeul kwam door de voor Harderwijk gelegen zandbank Het Harde. Ook heeft hij zich (vergeefs) ingezet om het Zuiderzeemuseum naar Harderwijk te halen en maakte hij in 1944 een reeks schilderijen van vissersboten. Zijn inspanningen om het toerisme in zijn stad te bevorderen werd na de oorlog overgenomen door zijn zoons Frits en Coen. De verzameling zeezoogdieren van zoon Frits werd de basis van het Dolfinarium, dat in 1965 zijn deuren opende. In 2005 werd voor het stadhuis van Harderwijk een monument onthuld ter ere van deze markante stadgenoot.

Van Zuiderzee tot Flevoland (6): de Zuiderzeewet

Op 14 juni 1918, na 70 jaar plannen maken en ijveren voor de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee, was het dan eindelijk zover. De Zuiderzeewet, die de uitvoering van het plan-Lely behelsde, verscheen in het Staatsblad en daarmee kon een begin worden gemaakt met de uitvoering van het grootste waterstaatswerk dat Nederland ooit heeft ondernomen. Voordat het zover was, moest er nog veel worden gedaan om voldoende politiek draagvlak te verwerven voor dit plan.

Het wetsontwerp-Kraus

Jacob Kraus
Jacob Kraus

In een vorige bijdrage zagen we dat in 1901 de nieuwe minister van Waterstaat Johannes Christiaan de Marez Oyens niet overtuigd was van de technische uitvoerbaarheid van het plan-Lely en daarom het eerste wetsontwerp van Lely introk. Toen in 1905 een nieuw liberaal kabinet aantrad, werd Cornelis Lely niet gevraagd om opnieuw minister te worden. De belangrijkste reden was waarschijnlijk dat de nieuwe minister van Financiën (en minister-president) Theodoor de Meester een zuinig financieel beleid wilde voeren en daarvoor Lely met zijn “dure voortvarendheid” niet kon gebruiken. Ook het feit dat één van de tegenstanders uit de Staatscommissie van 1892 – Jacob Dirk Veegens – minister werd, gaf voedsel aan de vrees dat ook het nieuwe kabinet de Zuiderzeezaak geen warm hart toedroeg.
Minister van Waterstaat werd Jacob Kraus, een man met internationale ervaring. Hij had in Chili leiding gegeven aan diverse waterstaatsprojecten en gedoceerd aan de universiteit van Santiago. Hij aanvaardde zijn ministerspost op voorwaarde dat hij nog een afgesproken reis naar Chili kon maken. Wat Kraus met de Zuiderzee voor had, bleef vooralsnog in het ongewisse. Tijdens zijn reis (die duurde van maart tot juli 1906) kwam hij tot de overtuiging dat de droogmaking van de Zuiderzee moest worden aangepakt. Terug in Nederland deelde hij zijn collega-ministers mee dat zijn voorkeur uitging naar het volledige plan in plaats van het beperkte plan dat Lely in 1901 had neergelegd in zijn eerste wetsontwerp.

Kraus kreeg echter het kabinet niet mee. Zijn collega-ministers waren bevreesd dat een dergelijk ontwerp wegens de grote financiële offers die het de schatkist zou vergen, in de volksvertegenwoordiging geen genade zou vinden. Noodgedwongen moest Kraus zich met minder tevreden stellen. In de Troonrede van 15 september 1906 werd daarom slechts gesproken over de aanleg van één polder zonder voorafgaande afsluiting. In de Tweede Kamer benadrukte hij dat het geenszins de bedoeling was om ‘het weldoordachte plan van den ingenieur Lely en van de Zuiderzeevereeniging ter zijde te schuiven.’ Door allereerst een dam tussen Noord-Holland en Wieringen aan te leggen wilde de regering meer inzicht verwerven in de technische en financiële aspecten van de aanleg van een afsluitdijk van Wieringen naar Piaam. Met de aanleg van de Wieringermeer wilde men de economische voordelen en eventuele bezwaren verbonden aan landaanwinning in de praktijk leren kennen. Het wetsontwerp werd – ondanks een negatief advies van de Raad van State – op 4 november 1907 ingediend bij de Tweede Kamer.
Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging was weinig enthousiast over het wetsvoorstel. Het bestuur steunde het plan, maar benadrukte ook dat het bleef streven naar uitvoering van het gehele plan-Lely. Individuele bestuursleden, zoals het liberale Kamerlid Harm Smeenge, vreesden dat hiermee het gehele plan in de waagschaal werd gesteld. Ook de Amsterdamse ingenieur L.A. Sanders gaf uiting aan zijn ergernis over dewankelmoedige houding van de Zuiderzeevereeniging. Eind 1907 publiceerde hij een eigen ontwerp voor de afsluitdijk. Door bij de aanleg gewapend beton toe te passen zou voor de aanleg 15 miljoen gulden kunnen worden bespaard. Door eerst de afsluitdijk aan te leggen zou het bovendien overbodig zijn om de Wieringermeerpolder te voorzien van zware zeedijken. De Staten-Generaal kon het wetsvoorstel daarom maar beter verwerpen. Door het wetsontwerp dreigde het grote werk van Lely van het toneel te verdwijnen. Sanders: ‘Dat de Zuiderzeevereeniging haar standpunt prijs geeft ter wille van het feit, dat het krenterigste voorstel in het dommelende Holland het meest kans van slagen heeft, komt ons onbegrijpelijk voor. Poover figuur!’

Eind 1907 kwam het kabinet-De Meester te val. Het nieuwe confessionele kabinet-Heemskerk handhaafde het wetsontwerp. In de Tweede Kamer werd bij voortduring de vraag gesteld wanneer er een voorstel zou worden gedaan voor de gehele afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee. Tijdens de behandeling van de Rijksbegroting van 1911 stelde de regering dat zo’n voorstel met het oog op de toestand van de overheidsfinanciën niet in de lijn der verwachting lag en dat daarom het voorstel van Kraus de voorkeur had. Deze opmerking was voor Cornelis Lely aanleiding om zich als Eerste Kamerlid te mengen in de aloude discussie over de kosten en baten van de Zuiderzeeplannen. Hij stelde dat hij geen tegenstander was van droogmaking van de Wieringermeer. Ook kon hij zich voorstellen dat men uit financiële overwegingen vooralsnog afzag van uitvoering van het grote plan, maar hij voegde er wel aan toe dat zijn voorkeur bleef uitgaan naar het aanvatten van de zaak als één groot geheel, te beginnen met de afsluiting. Minister van Waterstaat Louis Regout antwoordde hierop dat voor de indiening van een wetsontwerp dat tot het maken van een volledige afsluiting met vier inpolderingen ontzaglijk veel moed nodig was. Deze moed had hij niet. Vanwege de stand van de overheidsfinanciën gaf de regering er de voorkeur aan om te beginnen met een meer bescheiden plan, zoals de indijking van de Wieringermeer.

Veranderende militaire inzichten

Cornelis Lely
Cornelis Lely

Na de verkiezingen van juni 1913 verloren de confessionelen hun meerderheid in de Tweede Kamer. Er trad nu een liberale regering aan onder leiding van Pieter Cort van der Linden. Cornelis Lely werd nu opnieuw minister. Voor zijn ministerschap stelde hij uitdrukkelijk als voorwaarde dat de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee onderdeel zou zijn van het regeringsprogramma. Eén van Lely’s eerste beleidsdaden was het intrekken van het wetsontwerp-Kraus. Wat hem voor ogen stond, maakte hij duidelijk door op 16 september 1913 de koningin in de Troonrede te laten uitspreken: ‘Ik acht den tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van den waterstaatkundigen toestand der omliggende provinciën, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn.’

Reeds in mei 1914 was het nieuwe wetsontwerp in concept gereed. Lely stelde ook nu voor om alleen te besluiten tot de aanleg van de afsluitdijk en de beide westelijke polders. Gezien de toegenomen vraag naar land verwachtte hij dat direct na de voltooiing van de afsluitdijk met de voorbereiding van de beide oostelijke polders kon worden begonnen. Lely ging er van uit dat het wetsontwerp bij de aanvang van het nieuwe zittingsjaar aan de Tweede Kamer kon worden aangeboden. Deze verwachting werd niet bewaarheid. De belangrijkste hinderpalen lagen dit keer op militair gebied. Minister van Oorlog Nicolaas Bosboom legde het wetsontwerp in juli 1914 voor advies voor aan de Raad van Defensie. Lely maakte zich daar niet ongerust over. Hij ging er van uit dat dit hooguit zou leiden tot een oponthoud van enkele maanden. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Het kabinet-Cort van der Linden kreeg het zo druk met het bewaren van de Nederlandse neutraliteit, het treffen van maatregelen om het economische leven in stand te houden, de bevolking voor honger te behoeden en buitenlandse vluchtelingen op te vangen, dat verschillende beleidsvoornemens tijdelijk minder prioriteit hadden.

Nederland verklaart den oorlog

In november 1914 werd de voorbereiding van het wetsontwerp hervat. In een brief aan Bosboom verklaarde Lely dat – hoewel nog niet kon worden beoordeeld wat de economische gevolgen van de oorlog waren – het niet uitgesloten was dat na afloop van die oorlog het wenselijk zou zijn ‘spoedig de uitvoering ter hand te nemen van openbare werken, die de welvaart des Lands en daarmede de draagkracht der bevolking zullen kunnen bevorderen.’ Eén van die werken die voor lange tijd werkverschaffing zou kunnen opleveren was de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee.

De Eerste Wereldoorlog haalde alle inzichten over oorlogvoering overhoop. Het verloop van de oorlog en de introductie van nieuw oorlogstuig maakte duidelijk dat Amsterdam niet meer op de oude manier verdedigbaar zou zijn. De reikwijdte van het geschut was zo groot geworden dat Amsterdam zelfs niet meer veilig was voor beschietingen van achter de rond de stad gelegen stelling. Dit maakte het voor militairen bezwaarlijk om zich op korte termijn uit te spreken over de noodzakelijk geachte defensiewerken. Om verder uitstel te voorkomen stelde Lely aan Bosboom voor de voorbereiding van het wetsontwerp los te koppelen van een eventuele studie naar de voorziening in de militaire belangen. Het had geen zin om de droogmaking van de Zuiderzee afhankelijk te stellen van een verouderd verdedigingsstelsel. Men kon er beter van uitgaan dat de Zuiderzee werd drooggemaakt en zich vervolgens afvragen hoe Nederland zich dan kon verdedigen. Als oplossing van de militaire kwestie besloot de regering in oktober 1915 om aan de Zuiderzeewet een artikel toe te voegen dat stelde dat pas met de uitvoering van de Zuiderzeewerken zou worden begonnen nadat bij wet was bepaald welke defensiewerken nodig zouden zijn. Lely ging hiermee akkoord.

 

Net als in 1901 en 1907 oordeelde de Raad van State negatief over het wetsvoorstel. De Raad wees nu op de onzekere financieel-economische situatie die het gevolg was van de oorlog. Voor het kabinet-Cort van der Linden vormde de financiële toestand van het land echter geen beletsel. De regering voorzag reeds in 1914 dat er na de oorlog behoefte zou zijn aan openbare werken die de welvaart van het land en de draagkracht van de bevolking zouden kunnen bevorderen. De mogelijkheid om voor lange tijd praktische werkverschaffing te kunnen bieden, woog daarbij zwaarder dan de lasten voor de schatkist. Het advies van de Raad van State werd dan ook terzijde geschoven. Op 9 september 1916 werd het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend.

Geen financieel bezwaar
Naarmate de oorlog langer duurde, legden bezwaren van financieel-economische aard steeds minder gewicht in de schaal. De voedselschaarste maakte duidelijk hoe afhankelijk Nederland was van invoer vanuit het buitenland. Ter bestrijding van die schaarste voerde de regering een beleid gericht op het vergroten van de eigen landbouwproductie. Met groots opgezette campagnes werden boeren opgeroepen om zoveel mogelijk graan aan de overheid te leveren. In deze moeilijke omstandigheden keken velen reikhalzend uit naar een toekomst waarin Nederland minder afhankelijk zou zijn van de invoer van buitenlands graan. In de Eerste Kamer bekende een lid om deze reden van tegenstander voorstander te zijn geworden. Zijn bezwaren van financiële aard moesten het in deze tijdsomstandigheden afleggen tegen de gebleken noodzaak om in de eigen levensbehoeften te kunnen voorzien. Bij de uitgifte van de droog te leggen gronden zou de verplichting kunnen worden opgelegd om tarwe en rogge te verbouwen.

Werkvrouw Lely

Tijdens de parlementaire behandeling van de Zuiderzeewet klonken de stemmen van tegenstanders met financiële bezwaren nog maar zwak. Een meerderheid van de Tweede Kamer vond het vraagstuk van de droogmaking van de Zuiderzee rijp voor een beslissing. Langer uitstellen was doelloos. Slechts enkele leden gaven aan dat zij het wetsontwerp niet konden steunen vanwege de onzekere financiële vooruitzichten. Voorstanders wezen er op dat, hoewel de buitengewone omstandigheden de lasten van de staatshuishouding aanzienlijk hadden verzwaard, die omstandigheden tevens duidelijk hadden gemaakt dat de financiële draagkracht van Nederland veel groter was dan vroeger werd aangenomen. Door de grote oorlogsuitgaven konden de bedragen die met de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee waren gemoeid, niet meer imponeren. Van groter belang was de mate waarin de economische toestand van het land er mee zou zijn gebaat. Daarom hoefde volgens voorstanders ‘aan finantieele bedenkingen niet een beslissende beteekenis te worden toegekend.’

Tijdens het debat in de Tweede Kamer over de Zuiderzeewet op 14 maart 1918 sprak Lely over het miljoenenbegrip waaraan men tijdens de oorlog gewend was geraakt. Voorheen moest hij als minister binnen de regering en met de Kamer een harde strijd leveren voor iedere miljoen gulden die hij voor een groot openbaar werk nodig had. Nu was dat anders. Men keek er niet meer van op of een werk ‘desnoods eenige millioenen meer kost, mits het maar nuttig is en ter bevordering van de welvaart van het land strekt.’ Ook oud-minister en senator Jacob Kraus schaarde zich achter Lely. Refererend aan zijn wetsontwerp verklaarde hij dat hij destijds zich om financiële redenen zich met minder tevreden moest stellen. Nu lag de zaak totaal anders. De oorlog had het grote financiële struikelblok voor velen weggenomen: ‘Als de bijzondere omstandigheden, die voor ons land uit den oorlog geboren zijn, er toe zullen hebben medegewerkt om ons gemakkelijker te doen heenstappen over de financiële bezwaren van het Zuiderzeevraagstuk, dan zal in onze geschiedenis althans ééne lichtzijde van dien gruwel kunnen worden gewezen.’
Bij de parlementaire behandeling van de Zuiderzeewet werd ook gesproken over de bepaling dat niet eerder met de uitvoering kon worden begonnen dan nadat bij wet was vastgelegd welke defensiewerken er nodig zouden zijn. Een meerderheid van de Tweede Kamer gaf te kennen het een slechte zaak te vinden dat deze uitvoering hiervan afhankelijk werd gemaakt. De Kamer dwong minister van Oorlog Bonifacius de Jonge om het militaire voorbehoud te laten vallen.

Een harde les

Gerard Vissering
Gerard Vissering

Naast de Eerste Wereldoorlog heeft ook de stormramp van 13 op 14 januari 1916 een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de Zuiderzeewet. Gerard Vissering, voorzitter van de Zuiderzeevereeniging en inmiddels president van de Nederlandsche Bank, begreep direct de propagandistische waarde hiervan. Onder de titel ‘Een harde les’ publiceerde hij in het Algemeen Handelsblad vier artikelen waarin hij een parallel trok met de droogmaking van de Haarlemmermeer in de 19e eeuw. Er werd reeds twee eeuwen over droogmaking gesproken en men had pas daartoe kunnen besluiten nadat een grote storm schade had aangericht aan steden en dorpen en Leiden werd bedreigd. Nu zag men geschiedenis zich herhalen met betrekking tot de Zuiderzee. Het was hoog tijd om voorgoed een einde te maken aan het grote gevaar van een open Zuiderzee!

Stormramp 1916 2

Zou de Zuiderzeewet van Lely in 1918 ook zijn aangenomen als de watersnoodramp van 1916 niet had plaatsgevonden en als er buiten Nederland geen oorlog was uitgebroken? Deze “what-if-vraag” is uiteraard hoogst speculatief en onhistorisch, maar een “nee” was zeker mogelijk, temeer als we in de overwegingen de financiële en economische bezwaren in beschouwing nemen die na 1918 de uitvoering van de Zuiderzeewet hebben vertraagd en uiteindelijk ertoe hebben geleid dat de uitvoering van het plan-Lely onvoltooid is gebleven.

Van Zuiderzee tot Flevoland (5): de Zuiderzeevissers

Op vrijdag 3 augustus 1900 vond nabij Pampus een bijzonder schouwspel plaats. Op initiatief van de burgemeesters van Edam en Wieringen, Hendrik Jan Calkoen en Louis Charles Kolff vond daar onder aanwezigheid van de jonge koningin Wilhelmina en koningin-moeder Emma een vlootrevue van vissersschepen plaats. Van heinde en verre waren mensen toegestroomd om het schouwspel van ruim 1600 botters te aanschouwen, die in de vorm van een grote rechthoek op het Muiderzand voor anker lagen. Alle schepen waren versierd en hadden de vlag in top. Beide vorstinnen voeren met de oorlogsbodem ‘Buyskes’ langzaam om de vissersvloot heen en bezochten enkele botters. Het doel van de manifestatie was om een voorstelling te geven van de omvang van het vissersbedrijf langs de kusten van de Zuiderzee. Het was geen demonstratie tegen de voorgenomen drooglegging van de Zuiderzee, zoals sommige tegenstanders beweerden, maar een poging om te verhinderen dat de Zuiderzee zou worden afgesloten zonder dat rekening zou worden gehouden met de belangen van de Zuiderzeevissers.

Vloorschouw 1900

Weinig zorgen
In de vorige bijdrage van de artikelenreeks zagen we al dat de plannen tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee ook op steun kon rekenen in vissersplaatsen rond de Zuiderzee. De vissers hielden zich stil om twee redenen. Op de eerste plaats waren de Zuiderzeeplannen lange tijd nog te weinig concreet om zich zorgen te maken over het dreigend verlies om van de eigen broodwinning. Enkel de Volendammers kwamen in 1874 in actie, nadat een jaar eerder een staatscommissie zich uitsprak ten gunste van de drooglegging van het zuidelijk deel van de Zuiderzee. Ruim 300 vissers verzochten koning Willem III om vooral niet toe te staan dat de Zuiderzee zou worden drooggelegd. Hoeveel visserszonen zouden er niet brodeloos worden als het in hun ogen onverantwoordelijke plan tot droogmaking zou worden uitgevoerd, zo stelden zij.

Koningin Wilhelmina stapt aan boord van een botter tijdens de vlootschouw van 3 augustus 1900
Koningin Wilhelmina stapt aan boord van een botter tijdens de vlootschouw van 3 augustus 1900

De plannenmakers van vóór 1886 hadden in de regel weinig oog voor de economische waarde van de Zuiderzeevisserij. Jakob Kloppenburg en Pieter Faddegon wezen in 1848 op de weinig benijdenswaardige positie waarin de bedrijfstak verkeerde. “Hoe dikwijls werd niet de liefdadigheid voor de bewoners van Schokland en Urk ingeroepen.” Volgens hen zou het grootste deel van de eilandbewoners zich gelukkig wanen als ze hun vistuig voor een spade zouden kunnen inwisselen, “waarmede de visscher voor zijn huisgezin, onder minder afwisseling van voor- en tegenspoed, een aanzienlijker stuk brood zal kunnen verdienen.” Voorstander Hendrik Linse onderkende wel dat de drooglegging het einde van het visserijbedrijf zou inluiden. Hij meende daarom dat er voldoende overgangstijd moest zijn. Terwijl de ouderen nog hun brood in de visserij konden blijven verdienen, zouden de jongeren reeds kunnen uitkijken naar een ander beroep.

Schadeloosstelling of protest
Een tweede reden waarom er in de visserijwereld pas zo laat aandacht kwam voor de plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, moet wellicht worden gezocht in de wisselende economische resultaten in de Zuiderzeevisserij. In het laatste decennium van de negentiende eeuw waren er goede jaren geweest met bijzonder rijke ansjovisvangsten. Mede als reactie op de malaise in andere bedrijfstakken, zoals de landbouw, probeerden gelegenheidsvissers daarvan een graantje mee te pikken. Daarnaast trokken vissers uit Volendam, Huizen en Enkhuizen zich als gevolg van toenemende concurrentie van de trawlervisserij en afgeschrikt door enkele rampen zich terug uit de Noordzeevisserij. Door de toenemende concurrentie en het teruglopen van de visvangst trad na 1902 een periode van langdurige malaise in, waarin veel vissersgezinnen in de winter moesten leven van de bedeling. Onder deze omstandigheden was het voor de vissers aantrekkelijker om zich in te spannen voor een royale schadevergoeding dan om te ijveren voor het behoud van de Zuiderzeevisserij.

Detail van het tegeltableau van de vlootschouw
Detail van het tegeltableau van de vlootschouw

De vlootschouw van 1900 maakte duidelijk welk belang er was gelegen in een goede schaderegeling voor de Zuiderzeevissers. Fervente voorstanders van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals Gerard Vissering, noemden de door de Staatscommissie van 1892 voorgestelde regeling royaal. Met deze vergoeding zouden de arme Zuiderzeevissers in het bezit kunnen komen van nieuw materieel waarmee ze zich konden gaan toeleggen op de Noordzeevisserij. Deskundigen op visserijgebied zoals Hendrik Jan Calkoen bestreden deze zienswijze. Volgens Calkoen bood de kustvisserij op de Noordzee onvoldoende bestaansmogelijkheden. In zijn ogen was de Zuiderzeevisserij de kurk waarop de gehele kleine visserij dreef. De vissers geloofden volgens hem dan ook niet in de zegeningen die Vissering hen voorspiegelde.

Hendrik Jan Calkoen
Hendrik Jan Calkoen

Toen eind 1900 de indiening van een wetsontwerp tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee nabij was, spitste de discussie zich in visserskringen toe op de vraag of men moest protesteren tegen dit wetsontwerp of dat men zich moest gaan inzetten voor een ruime schadevergoeding. Deze vraag stond centraal tijdens een op 15 december 1900 te Amsterdam gehouden druk bezochte vergadering van de Vereeniging tot Bevordering van de Nederlandsche Visscherij. De aanwezigen vissers en niet-vissers, voor- én tegenstanders van drooglegging van de Zuiderzee waren in meerderheid van oordeel dat de in het vooruitzicht gestelde schadevergoeding van 4,5 miljoen gulden ontoereikend was. Een echte keuze tussen protest en ijveren voor een schadeloosstelling werd niet gemaakt. Wel werd besloten een fonds te vormen voor het voeren van propaganda tegen het wetsontwerp en ter verkrijging van een hogere schadevergoeding indien het plan tot afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee zou worden gerealiseerd.

Tot actie kwam het pas na de indiening van het wetsontwerp op 7 mei 1901. Op 4 juni vond in Enkhuizen een bijeenkomst plaats met afgevaardigden uit alle Zuiderzeevissersplaatsen, waar de door de regering in het vooruitzicht gestelde schadevergoeding werd besproken. De aanwezigen waren unaniem van oordeel dat deze schaderegeling veruit onvoldoende was en dat de regering moest worden voorgelicht over de gevolgen, die de uitvoering van het wetsontwerp voor de visserij en de aanverwante bedrijven zou hebben. Er werd een Centraal Comité opgericht met als doel leiding te geven aan een door plaatselijke comités te verrichten onderzoek naar de gevolgen van de afsluiting en drooglegging voor de Zuiderzeevisserij en de nevenbedrijven. Tijdens deze bijeenkomst vroeg J. Zwier Visser, voorman van de Nederlandsche Visscherijvereeniging, zich af waarom men zich niet tegen de drooglegging keerde. De voorzitter van de bijeenkomst, de onderwijzer Berend Demmer uit Volendam, deed een klemmend beroep op de aanwezigen om dit niet te doen. Wilde de vergadering enig resultaat opleveren, dan diende men zich te beperken tot datgene waarover men oordelen kon. Bovendien was in zijn ogen het wijzen op de grote belangen die op het spel stonden en op het onvoldoende zijn van de schaderegeling op zich reeds een protest tegen het wetsontwerp.

Centraal Comité inzake afsluiting en drooglegging der Zuiderzee publiceerde in de nazomer van 1902 een rapport waarin het op basis van de vastgestelde omvang van de vissersvloot en het aantal beroepsvissers vaststelde dat de regering geen 4,5 maar 9,7 miljoen gulden zou moeten uittrekken als schadeloosstelling. Volgens het Centraal Comité waren de vissers pas zo laat in actie gekomen omdat zij zo met het gevaar vertrouwd waren geraakt, dat zij het als zodanig nauwelijks meer herkenden. Lange tijd had men er op vertrouwd dat financiële bezwaren de uitvoering van droogmakingsplannen zouden verhinderen. Pas toen duidelijk werd dat de ministerraad een wetsvoorstel had goedgekeurd en naar de Raad van State had gezonden, ontstond er onrust in visserskringen.

Nieuw onderzoek
Deze onrust ebde tijdelijk weg toen Cornelis Lely in 1901 na de liberale verkiezingsnederlaag als minister van Waterstaat plaats moest maken voor Johannes Christiaan de Marez Oyens. Deze liet zich in zijn beleid vooral leiden door de twijfels die binnen zijn ministerie leefden. Hij trok Lely’s wetsvoorstel in en vroeg om verschillende nieuwe

Johannes Christiaan de Marez Oyens
Johannes Christiaan de Marez Oyens

adviezen. Aan het College voor de Zeevisscherijen werd een oordeel gevraagd over de gevolgen van afsluiting en gedeeltelijke droogmaking voor de visserij op de Zuiderzee en de eventueel uit te keren schadevergoeding. Het college kwam in 1903 tot de slotsom dat hoewel er geen sprake kon zijn van enig recht op schadevergoeding, het billijk was als duizenden personen die ten gevolge van de aanleg van een werk van algemeen nut hun broodwinning zouden verliezen, een vergoeding zouden ontvangen. Over de vraag wie hiervoor in aanmerking dienden te komen was het college verdeeld. Sommige leden wilden dit beperken tot de vissers, maar een meerderheid van het college wilde ook personen wier bedrijf rechtstreeks van de visserij afhing en wier bestaan met de vernietiging daarvan zou komen te vervallen, in de schaderegeling betrekken. Zolang de regering niet had bepaald wie er in aanmerking konden komen voor een schadevergoeding, kon er van een raming van het benodigde bedrag geen sprake zijn.
De afwachtende houding van De Marez Oyens gaf aan tegenstanders uit visserijkringen de ruimte om hun bezwaren tegen de Zuiderzeeplannen naar voren te brengen. Vanuit die kringen werd de indruk gewekt dat de Zuiderzeevisserij nog steeds een bloeiende bedrijfstak zou zijn. Ook minister De Marez Oyens leek die opvatting te zijn toegedaan, getuige zijn mededeling in de Tweede Kamer dat door de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee tal van vissers hun broodwinning zouden verliezen. Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging, die betwijfelde of de Zuiderzeevisserij wel zo bloeiend was, besloot daarop een eigen onderzoek in te stellen. Een commissie onder leiding van J.F. Neeb, notaris te Harderwijk, stuurde vragenlijsten rond en bezocht de vissersplaatsen rond de Zuiderzee. De conclusie was dat de Zuiderzeevisserij een ongunstige indruk maakte: “Het doet ons leed te moeten verklaren, dat wij getroffen zijn door den gestadigen achteruitgang van dit zoo nuttig en sympathiek bedrijf.” De vissersbevolking leidde een moeizaam bestaan, welvaart werd nergens aangetroffen en vaartuigen verkeerden in een “verwaarloosden, niet zelden in een deerniswekkenden toestand”, concludeerde de commissie in haar in het najaar van 1905 gepubliceerde rapport.

Toen De Marez Oyens na de verkiezingen van 1905 op zijn beurt het veld moest ruimen, kreeg het plan-Lely een nieuwe kans. De nieuwe minister Jacob Kraus diende in 1907 een nieuw wetsontwerp in en bood daarmee uitzicht op een althans gedeeltelijke realisering van de Zuiderzeeplannen.

Geen tegenwicht
Terwijl de voorstanders met de Zuiderzeevereeniging beschikten over een actieve belangenorganisatie, stonden de tegenstanders met lege handen. Pogingen om hierin verandering te brengen waren vooral afkomstig van de Groningse nettenhandelaar B.J. Gelder. In 1905 nam hij samen met vertegenwoordigers van lokale vissersverenigingen het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging tot Bevordering van de Belangen der Zuiderzee-Visscherij (VBBZ). Tijdens de jaarvergaderingen van deze vereniging werd bij herhaling besloten om zich tegen de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee te verzetten.

VisscherijcourantGelders belangrijkste middel waarmee hij heeft geageerd was De Visscherij-Courant. In het eerste nummer van zijn krant, die op 5 mei 1906 verscheen, verklaarde Gelder de belangen van de vissers te willen verdedigen tegenover hen die ijverden voor drooglegging. Zijn doel was om een organisatie tot stand te brengen die het kon opnemen tegen de Zuiderzeevereeniging. Het initiatief voor deze beweging moest uitgaan van de VBBZ: “De Zuiderzeevereeniging is machtig. Zij heeft geld, en geld regeert de wereld. Laten de visschers dit bedenken als straks het bestuur der Vereeniging tot bevordering van de belangen van de Zuiderzee-visscherij bij hen aanklopt.”
Na zijn vertrek uit het bestuur van de VBBZ in december 1908 heeft Gelder zich vooral ingezet voor het bijeenbrengen van tegenstanders van diverse pluimage. In maart 1909 was hij betrokken bij de oprichting van de Vereeniging tot Onderzoeking van het Zuiderzeevraagstuk. Het doel van deze vereniging, die zowel voor- als tegenstanders van afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee wilde organiseren, was te onderzoeken of droogmaking volgens het plan-Lely wenselijk was. Tot de initiatiefnemers behoorden naast Gelder tegenstanders als Derk Roelfs Mansholt – grootvader van de latere landbouwminister en Eurocommissaris Sicco Mansholt en W. van Veen. De nieuwe vereniging organiseerde enkele lezingen waarin Van Veen, chef-ingenieur van de Staatsspoorwegen te Utrecht, benadrukte waarom men geen vertrouwen diende te stellen in het plan-Lely. Hij twijfelde met name aan de betrouwbaarheid van de geprojecteerde dijken. Na enkele lezingen van Gelder en Van Veen werd het stil rond de vereniging. Omdat de meeste tegenstanders de plannen tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee niet serieus namen of er vast van overtuigd waren dat van realisering binnen afzienbare tijd toch niets zou komen, lukte het hen niet om een tegenbeweging van de grond te tillen. “De regeering, zoo dacht men, zal wel zooveel gezond verstand overgehouden hebben om de vurige voorstanders telkens met een kluitje in ’t riet te sturen,” aldus Mansholt. Alleen op momenten dat de realisering van het plan-Lely of onderdelen daarvan dichterbij dreigde te komen, kwamen tegenstanders in actie.

Gepubliceerd op 1 maart 2016 op Historiek.

God, huisgezin en eigendom. De beginjaren van de Nederlandsche boerenbond

Op 31 januari 2016 was het 120 jaar geleden dat de Nederlandsche Boerenbond werd opgericht. Deze bond was een van de grondleggers van het lange tijd almachtige groene front en stond aan de wieg van grote financiële instellingen als de Rabobank en de verzekeraar Interpolis. In deze bijdrage staan we stil bij de vraag waarom deze bond is opgericht en de ontwikkeling tot de grootste landbouworganisatie van Nederland: de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond. In 1995 fuseerden de verzuilde landbouworganisaties tot Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO).

Boerenleven Achterhoek

De geduldige landman
Vóór 1896 kende Nederland alleen provinciale maatschappijen van landbouw, die zich in 1884 hadden verenigd in Het Nederlandsch Landbouw-Comité. Dit comité, dat door de regering werd beschouwd als officiële landbouwvertegenwoordiging, was amper representatief voor de boerenbevolking. Critici stelden dat de landbouwmaatschappijen te weinig boeren organiseerden. Ook werd deze liberaal georiënteerde organisaties verweten dat zij te weinig aandacht hadden voor de sociale belangen van de boeren. Verschillende publicisten in met name katholieke kranten drongen daarom vanaf 1892 aan op organisatie van de boerenstand. Een van hen was de Sittardse onderwijzer J. Claessen, die in 1893 schreef dat de oplossing van de noden van de kleine boeren niet te verwachten viel van de bestaande organisaties. ‘Wij zijn ingedommeld; reeds te lang hebben wij geslapen. Het is meer dan tijd, dat wij ontwaken, als één man opstaan en de handen aan het werk slaan. (…) De belangen van den stand moeten de belangen van ieder in het bijzonder zijn; de belangen der kleinen en zwakken moeten de belangen der grooten en sterken worden; één voor allen en allen voor één. Met deze leus voor oogen moeten wij het idee van stand weer tot bewustzijn brengen, ons vereenigen, elkander wederkeerig helpen en pal staan voor elkander.’

Pater vd Elsen 2
Gerlacus van den Elsen

Een andere pleitbezorger was de norbertijner pater Gerlacus van den Elsen, die voor zijn werk voor de Brabantse kleine boeren later de bijnaam de “boerenapostel” kreeg toebedeeld. Een jaar vóór Claessen vroeg hij in het Noordbrabantsch Dagblad in een artikel, getiteld “De geduldige landman” om aandacht voor de boeren, wier geluid bij de regering en volksvertegenwoordiging volledig werd overstemd door industriëlen en handelaren enerzijds en de arbeiders anderzijds. De landman moest voor de lasten opdraaien: ‘Hij is geduldig, hij zwijgt, hij laat zich scheren en villen als het stomme schaap, terwijl die andere moord en brand schreeuwen ( … ). Is er niemand die hulp en redding bieden kan?’ Organisatie in de geest van de Pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891) was volgens Van den Elsen het geëigende middel om de boerenstand uit zijn benarde positie te verlossen. Daarbij konden de boeren rekenen op actieve steun van de katholieke geestelijkheid: ‘Zoodra op ieder dorp zulke vereenigingen bestaan, bestuurd door echt katholieke, goed ontwikkelde mannen, die met de hoofden van andere vereenigingen voortdurend in betrekking staan, dan zal ook de geduldige landman eene verbazende kracht kunnen ontwikkelen.’

schuerenHoewel met name vanuit Noord-Brabant en Limburg werd aangedrongen op organisatie, kwam het initiatief uit Gelderland. In december doorbrak Ludovicus Ridder de van der Schueren uit Zevenaar de impasse door in kranten een oproep te plaatsen voor de oprichting van een “landbouwers-vereeniging”. Deze organisatie zou tot doel hebben ‘het solidariteitsgevoel bij de landbouwers op te wekken, de maatschappelijke belangen harer leden te bevorderen, de bijzondere belangen der landbouwers-grondbezitters in het vereenigingsgebied te beschermen en mee te werken tot het weer in ’t leven roepen van een krachtigen landbouwersstand.’ De oproep ondervond veel bijval. Anderhalve maand later, op 31 januari 1896 kwamen in Musis Sacrum in Arnhem veertig sympathisanten bijeen voor de eerste bijeenkomst van de Nederlandsche Boerenbond (NBB). De van der Schueren deelde mee op basis van de adhesiebetuigingen reeds te kunnen rekenen op een duizendtal leden.

Tijdens de volgende vergadering op 4 juli 1896 in Utrecht werden de statuten vastgesteld. De vergadering werd bijgewoond door 250 personen, waaronder de katholieke voorman Herman Schaepman. Op zijn voorstel werd de christelijke grondslag van de bond als volgt geformuleerd: ‘De Nederlandsche Boerenhond, het Christendom ais grondslag der Maatschappij erkennend en huldigend, heeft ten doel de belangen van den boerenstand te behartigen en de uitbreiding der staatsbemoeiing op oeconomisch gebied ook dien stand te doen toekomen.’ Om lid te kunnen worden werd de erkenning van “God, huisgezin en eigendom” als grondslagen der maatschappij vereist. Voorstellen om ook zij die louter belangstelling hadden voor de landbouw, de zogenoemde “landbouwliefhebbers” toe te laten als lid, werden op aandringen van Schaepman resoluut van de hand gewezen. “De boerenbond moet op de eerste, tweede en derde plaats bestaan uit boeren. De kracht van den boerenbond moet voortkomen uit de organisatie van de boerenstand,” aIdus Schaepman.

Provinciale boerenbonden
Bij de oprichting vormde de regionale onderbouw van de bond nog geen punt van discussie. Dit werd anders toen kort daarna provinciale boerenbonden werden opgericht die de eigen organisatie op de voorgrond plaatsten. Toch lag de kiem voor het conflict tussen de NBB en deze regionale bonden reeds bij de vaststelling van de landelijke statuten. Volgens deze statuten waren individuele leden van de afdelingen ook individueel lid van de NBB. Zij waren gerechtigd algemene vergaderingen bij te wonen en ook stemgerechtigd indien zij daartoe waren aangewezen door hun afdeling. Onduidelijk was welke rol de provinciale bonden vervulden binnen de organisatie. Tijdens de tweede algemene vergadering van 20 mei 1897 maakte voorzitter Ridder de van der Schueren bekend dat er inmiddels provinciale boerenbonden waren opgericht in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. De bond had inmiddels 254 lokale afdelingen met in totaal ruim 19.000 leden.

Ook werd een nieuw bestuur gekozen. Vooral de verkiezing van Alphons van Rijckevorsel wekte beroering. Eerder was deze “Bossche heer” er niet in geslaagd een prominente plek te verwerven binnen de op 17 augustus 1896 opgerichte Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (NCB). Samen met zijn bestuur Louis van Rijckevorsel, die werd benoemd tot inspecteur van de op te richten boerenleenbanken, probeerde hij aan de provinciale bonden richtlijnen op te leggen voor de oprichting van deze banken. Hieruit kwam een conflict voort dat leidde tot de oprichten van twee soorten boerenleenbanken (volgens de Wet op de coöperatieve verenigingen uit 1876 en de verenigingswet van 1855) en twee landelijke koepels (de Centrale Raiffeisenbank en de Centrale Boerenleenbank). Pas met de fusie van deze banken tot de Rabobank in 1973 zou dit conflict tot het verleden behoren. Het conflict spitste zich vooral toe tussen de NBB enerzijds die oprichting van banken volgens de wet van 1876 prefereerde en de zich snel ontplooiende NCB, die – onder bezielende leiding van Van den Elsen – stelde dat kon worden volstaan met oprichting volgens de wet van 1855.

In 1899 kwamen de bondsbestuurders tot de slotsom dat een reorganisatie noodzakelijk was om het conflict, dat zich in wezen toespitste rond personen die niet samen door één deur konden, te beslechten. Besloten werd de Nederlandsche Boerenbond om te vormen tot een federatie van zelfstandige boerenbonden. De macht lag voortaan bij de provinciale boerenbonden die elk twee personen afvaardigden naar het landelijk bestuur. Na deze reorganisatie duurde het enkele jaren voordat de provinciale bonden beseften dat zij elkaar nodig hadden om bij de landelijke politiek hun gemeenschappelijke belangen te behartigen. Dit leidde tot de organisatie van drie landelijke congressen in 1904, 1907 en 1911, waarop landelijke politieke thema’s werden besproken. Een heet hangijzer was de vertegenwoordiging bij regering. Voor dat doel hadden de provinciale bonden zich na 1899 aangesloten bij het Nederlandsch Landbouw-Comité. Pogingen om de NBB zelfstandig deze rol te laten vervullen, werden wel besproken maar leidden niet tot organisatorische veranderingen. Pas tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 groeide het besef dat voor een effectieve belangenbehartiging in Den Haag een gezamenlijk kantoor nodig was. Pas met de benoeming in 1918 van Laurentius Nicolaas Deckers tot bezoldigd algemeen secretaris kreeg de NBB een eigen gezicht in Den Haag. Kort daarop besloten de regionale bonden hun lidmaatschap van het Koninklijk Nederlands Landbouw-Comité (KNLC) op te zeggen en de landelijke belangenbehartiging exclusief op te dragen aan de NBB.

boerenleven boekelVan christelijk naar katholiek
Op aanwijzen van Herman Schaepman had de Nederlandsche Boerenbond een algemeen-christelijk karakter gekregen. In Noord-Brabant en Limburg speelde vooral de katholieke geestelijkheid een belangrijke rol bij de oprichting van lokale afdelingen. Boven de grote rivieren waren het vooral plaatselijke notabelen die het initiatief namen. Ondanks de inspanningen van De van der Schueren c.s. lukte amper om ook protestantse leden aan te trekken. Slechts 10 tot maximaal 15% van de leden in het noorden was protestant. De noordelijke provinciale boerenbonden kwamen – mede door het ontberen van steun van de katholieke geestelijkheid – slechts moeizaam tot ontwikkeling. De afdelingen bevonden zich vooral in gemeenten waar katholieken in de meerderheid waren. Hoewel het merendeel van de achterban van de NBB katholiek was, hield De van der Schueren vooralsnog vast aan het algemeen-christelijk karakter: ‘De Nederlandsche Boerenbond is christelijk. Van alle boerenvereenigingen, welke zich bij hem wenschen aan te sluiten, eischt hij dat zij steunen op het christelijk beginsel, overtuigd als hij is, dat alleen dat beginsel krachtig bestand is tegen de stroomingen, welke de Maatschappij trachten te ondermijnen. (…) Christelijk is de Nederlandsche Boerenbond, omdat hij aan het egoïsme, de zelfvoldoening, de eigen ikheid, die alle deelen der Maatschappij uit elkander rukt, tegenover stelt de christelijke naastenliefde, de christelijke rechtvaardigheid met hare opvoedende, opbeurende, versterkende, bezielende en levenwekkende kracht.’

Ondanks deze pogingen om protestanten voor zich te winnen, ontwikkelde de NBB in katholieke richting, daartoe aangezet door de Nederlandse bisschoppen. Na 1900 hanteerden zij als stelregel dat waar de vorming van katholieke organisaties mogelijk was, dit de voorkeur had boven christelijke. De ontwikkeling naar zuiver katholieke boerenbonden werd ingezet na het op 7 juli 1906 door de bisschoppen gepubliceerde communiqué ‘dat het hun ernstig en uitdrukkelijk verlangen is, de hun onderhoorige katholieken te vereenigen en vereenigd te houden in katholieke organisatiën.’ Hoewel deze verklaring een algemene strekking had en betrekking had op alle maatschappelijke standen, werd aan de interconfessionele boerenbonden vooralsnog een uitzondering toegestaan.
Dit was anders bij de vakbeweging. Vanaf 1906 maakte het episcopaat het de katholieke textielarbeiders in Twente moeilijker om lid te blijven van de interconfessionele vakbond Unitas. In 1912 werd dit lidmaatschap verboden. Voorstanders van het interconfessionalisme binnen de vakbeweging verweten de kerkelijke autoriteiten te meten met twee maten. ‘Waarom worden altijd de textielarbeiders aangepakt? Waarom nu niet de Christelijke Boerenbond? Of hebben de boeren andere rechten en vrijheden dan wij textielarbeiders?’

Toen in 1912 bekend werd dat protestanten bezig waren om een eigen boerenbond op te richten – dit leidde uiteindelijk in 1918 tot de oprichting van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) – werd binnen de Nederlandsche Boerenbond en zijn regionale bonden de transformatie tot zuiver katholieke organisaties ingezet. In 1914 werd de Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (NCB) – hoewel de naam ongewijzigd bleef – een katholieke bond. Voortaan werd van alle afdelingen geëist dat zij op katholieke grondslag waren gevestigd en dat deze afdelingen alleen katholieken als leden zouden accepteren. Ook werd de NCB interdiocesaan, hetgeen betekende dat het werkgebied werd uitgebreid met Zeeuws-Vlaanderen en (na 1920) met het Rijk van Nijmegen. In hetzelfde jaar gaf de Haarlemse bisschop Augustinus Callier aan de uit Twente afkomstige vakbondsman Arnold Engels de opdracht om in zijn bisdom een katholieke boerenbond op te richten. In 1915 werd de bestaande Noordhollandsche boerenbond vervangen door de R.K. Diocesane Land- en Tuinbouwbond (LTB), die werkzaam was in Noord- én Zuid-Holland. In 1917 fuseerden de Overijsselsche Boerenbond en de Geldersche Boerenbond tot de Aartsdiocesane R.K. Boeren- en Tuindersbond (ABTB). Niet alle regionale bonden en afdelingen weigerden gehoor te geven aan de “uitdrukkelijke wens” van de bisschoppen. Her en der gingen afdelingen door als zelfstandige aan- en verkoopverenigingen en ook de Stichtsche Boerenbond weigerde te fuseren. In 1923 verkoos deze bond liquidatie boven opgaan in de ABTB.

KNBTB

Als sluitstuk voor dit katholiseringsproces werd de Nederlandsche Boerenbond in 1920 een katholieke organisatie, die later door het leven zou gaan als Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond (KNBTB). De bond was met ruim 70.000 aangesloten leden de grootste landbouworganisatie van Nederland. Samen met de protestantse CBTB en het algemene KNLC werd de KNBTB onderdeel van het roemruchte “groene front”.

Literatuur: Mari Smits, Boeren met beleid. Honderd jaar Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, 1896-1996 (Nijmegen 1996).

Gepubliceerd op 31 januari 2016 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (4): het oordeel der natie

Nadat de Zuiderzeevereeniging had aangetoond dat de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee technisch haalbaar was en een door minister Lely ingestelde staatscommissie deze conclusie had bevestigd, leek het moment aangebroken om te beginnen met de uitvoering. Zover kwam het niet. In 1894 bleek de nieuwe minister van Waterstaat Philip van der Sleyden niet overtuigd te zijn van de noodzaak. Eerst moest maar eens worden aangetoond of het landsbelang ermee gediend was. Ook vroeg hij zich af of de Zuiderzeeplannen werden gedragen door het Nederlandse volk. De Zuiderzeevereeniging ging daarop op zoek naar het ‘oordeel der natie’. Bij de propaganda vóór het plan-Lely kreeg de vereniging gezelschap van een concurrent: de Nationale Zuiderzeebond.

Anton Beekman
Anton Beekman

De Zuiderzeevereeniging besefte dat haar taak nog lang niet volbracht was. Volgens Abraham Wertheim, die de in 1893 overleden oprichter Age Buma was opgevolgd als voorzitter, had de vereniging nu een nieuwe taak, namelijk het voeren van propaganda en het bestrijden van de waan dat de vereniging beter kon worden opgeheven. In haar activiteiten kwam de nadruk dan ook meer te liggen bij het beïnvloeden van de publieke opinie. Het dagelijks bestuur besloot sprekers uit te nodigen om in verschillende delen van het land voordrachten te houden, “opdat duistere punten opgehelderd en eventuele bezwaren getoetst en zoo mogelijk wederlegd kunnen worden.” In vier jaar tijd werden door of met medewerking van de Zuiderzeevereeniging 140 voordrachten in 115 gemeenten gehouden. Het merendeel van deze voordrachten werden verzorgd door de geograaf Anton Beekman, het liberale Tweede Kamerlid Harm Smeenge en W.J.G. van der Veur, kapitein der artillerie.

De Nationale Zuiderzeebond
Eind 1894 kwam op initiatief van de aannemer van waterstaatswerken Pieter Adriaan Bos uit Gorinchem een comité tot stand dat ten gunste van het plan-Lely propaganda wilde voeren. Tot de initiatiefnemers behoorden diverse industriëlen die in de uitvoering van het plan een middel zagen om de economie te stimuleren. Op 1 juni 1895 kwam hieruit voort de Vereeniging ter Bevordering van de Volkswelvaart door drooglegging der Zuiderzee, gewoonlijk aangeduid als de Nationale Zuiderzeebond. Het doel van de bond was het bevorderen van de uitvoering van de Zuiderzeeplannen door het houden van besprekingen en het uitgeven van populaire geschriften. Bij de oprichting telde de bond reeds 205 leden, waarvan er 89 afkomstig waren uit de omgeving van Rotterdam. Reeds een maand na de oprichting van de landelijke bond werd op het eiland Wieringen na een lezing van Van der Veur de eerste afdeling opgericht. Later volgden afdelingen in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, maar ook in ver van de Zuiderzee gelegen plaatsen als Nijmegen, Deventer, Groenlo en Vlissingen. Meestal werd een afdeling opgericht na een lezing van propagandisten als Beekman en Van der Veur.

Overveluwsch Weekblad, 11 december 1897
Overveluwsch Weekblad, 11 december 1897

De Nationale Zuiderzeebond publiceerde tussen 1896 en 1898 enkele brochures met pleidooien voor de uitvoering van het plan-Lely. Met de eerste, Een kort woord aan het Nederlandsche volk, trachtte de bond het volk te bewegen tot een publieke demonstratie ten gunste van uitvoering van het plan. Net als de Zuiderzeevereeniging wees de bond op de financiële voordelen die dit voor Nederland zou meebrengen. Volgens de voorzitter van de afdeling Den

Herman Schaepman
Herman Schaepman

Haag, oud-minister Willem Frederik Rochussen ging de uitvoering in het ongunstigste geval 315 miljoen gulden kosten, maar dan nog zou Nederland het nieuwe grondgebied ver onder de werkelijke waarde verkrijgen.

Een groot pleitbezorger voor het plan-Lely was ook de katholieke voorman Herman Schaepman. Op 31 maart 1897 hield hij in Amsterdam voor 800 à 1000 toehoorders een gloedvol betoog. Hij noemde de drooglegging nuttig en noodzakelijk omdat een volk van tijd tot tijd een groot werk ter hand moest nemen, ongeacht de kosten: “Een groote arbeid verheft een volk, geeft het een krachtig bewustzijn, maakt dat het groote vraagstukken op zedelijk gebied zal durven oplossen, zich zal durven bezielen met groote geestdrift voor een nationale zaak.” Het Nederlandse volk, “dat op het water zijn groote admiralen, op het land zijn groote ingenieurs had,” zou nog eens “toonen door groote daden dat het zijn vaderen waard is,” aldus Schaepman.

Nierop
Frederik Salomon van Nierop

Financiële bezwaren
De belangrijkste bezwaren die in de aanloop naar de totstandkoming van de Zuiderzeewet vam 1918 werden aangevoerd waren van financieel-economische aard. De hoge uitvoeringskosten waren voor de bankiers Frederik Salomon van Nierop en Marten Mees de reden om in de staatscommissie van 1892 niet in te stemmen met de conclusies. In De Economist van februari 1897 zette Van Nierop uiteen dat, alhoewel hij de aanwinst van een twaalfde provincie, “die in vruchtbaarheid van den bodem voor geen der oude gewesten zou onderdoen,” in hoge mate aantrekkelijk achtte, bezwaren van financiële aard de realisering in de weg stonden. Het grootste probleem was dat de uitgaven zeker waren, terwijl er over de mogelijke opbrengsten nog niets met stelligheid te zeggen viel. De uitgaven voor de droogmaking zouden onmogelijk uit de gewone middelen kunnen worden gefinancierd. Daarom diende de overheid bij de becijfering van de kosten rekening te houden met rentelasten. Deze lasten zouden de regering en volksvertegenwoordiging “in elk geval lang doen aarzelen de onderneming te aanvaarden,” aldus Van Nierop. Anderhalf jaar later wees ook Mees op de zekere kosten en de onzekere uitgaven. Hoewel hij grote waardering had voor de technische verdiensten van de Zuiderzeeplannen en de ijver waarmee de voorstanders deze plannen propageerden, kon deze propaganda zijn financiële bezwaren niet wegnemen.

De Zuiderzeevereeniging en de Nationale Zuiderzeebond gingen na de publicatie van Van Nierop in de tegenaanval. In september 1897 organiseerde de Zuiderzeebond een enquête in de provincies rond de Zuiderzee om na te gaan welke financiële voordelen de afsluiting van de Zuiderzee zou opleveren. Aan de hand van de binnengekomen antwoorden berekende de bond dat dit jaarlijks een besparing van ruim één miljoen gulden zou opleveren. Bij een rente van vier procent per jaar zouden de aanlegkosten van de afsluitdijk uiteindelijk 25 miljoen gulden lager uit kunnen komen. Deze besparingen zouden het resultaat zijn van een vermindering van de onderhoudskosten aan de havens en zeeweringen, meer veiligheid door het niet meer voorkomen van stormvloeden, verbeterde uitwatering en het genot van een zoetwaterboezem met mogelijkheid voor waterverversing ten behoeve van landbouw en veeteelt.

Herman Christiaan van Houven van Oordt
Herman Christiaan van Houven van Oordt

Al vanaf 1894 was de Zuiderzeevereeniging bezig met de voorbereiding van een “eenvoudig en bevattelijk geschrift” waarin het plan-Lely van financieel-economische zijde zou worden belicht. De voorbereiding van deze publicatie lag in handen van secretaris Hendrik Christiaan van Houven van Oordt en Gerard Vissering, net als Van Nierop werkzaam als directeur van de Amsterdamsche Bank. Samen publiceerden zij in maart 1898 De economische beteekenis van de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee, dat vooral bedoeld was om de tegenstanders uit de financiële wereld van repliek te dienen. Het boek werd ruim verspreid onder gemeentebesturen, krantenredacties en leden van de Staten-Generaal en de Raad van State. Was de Zuiderzeevereeniging doorgaans gewend kritiek van tegenstanders te negeren of met geringschatting te bejegenen, in De economische beteekenis werd Van Nierop gekwalificeerd als de enige die de Zuiderzeeplannen aan een grondige beoordeling had onderworpen. Impliciet gaf de Zuiderzeevereeniging daarmee toe dat Van Nierops denkbeelden een belangrijke rol zouden spelen bij de besluitvorming over het plan-Lely en dat het financiële bezwaar de belangrijkste hindernis was die de uitvoering in de weg stond.

Het eerste wetsontwerp
In augustus 1897 trad het kabinet-Pierson aan. In dit kabinet, dat de geschiedenis zou ingaan als initiator van wetgeving op het gebied van volkshuisvesting en sociale zorg, werd Lely opnieuw minister van Waterstaat. De voorstanders van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee hoopten dat hij er nu in zou slagen zijn plan vast te leggen in wetgeving. Een jaar na zijn aantreden legde hij een eerste ontwerp voor aan zijn collega-ministers. Een bespreking in de ministerraad bleef echter uit. Minister van Financiën Nicolaas Pierson had problemen met de financiering. Hij achtte een project dat 190 miljoen gulden zou kosten een te grote schok voor de Nederlandse natie. Minder problemen had hij met een project van bescheidener omvang, zoals de bouw van enkel de afsluitdijk, zo stelde hij tegenover een delegatie van de Zuiderzeevereeniging.

Het wetsontwerp van 1901
Het wetsontwerp van 1901

Lely kreeg daarop de opdracht een plan van een bescheidener omvang in overweging te nemen. Hij besloot zich daarop te richten op het maximaal haalbare. Uiteindelijk wist hij Pierson mee te krijgen voor een wetsontwerp dat de aanleg van een afsluitdijk en de twee kleinste polders, te weten de Wieringermeer en een zuidwestelijke polder. Het wetsontwerp werd ingediend op 7 mei 1901, kort voor de Tweede Kamerverkiezingen van juni 1901. Na de liberale verkiezingsnederlaag trad enkele maanden later een confessioneel kabinet aan onder leiding van Abrham Kuyper. Zijn minister van Waterstaat, Johannes Christiaan de Marez Oyens was niet overtuigd van de technische uitvoerbaarheid van het plan-Lely. Hij trok het wetsontwerp in en legde het plan voor advies voor aan twee kritische waterstaatsinspecteurs. Tijdens een onderhoud dat het bestuur van de Zuiderzeevereeniging in februari 1902 met hem had, stelde De Marez Oyens dat hij het plan-Lely weliswaar aantrekkelijk vond, maar dat de eventueel aan de Zuiderzeevissers uit te keren schadeloosstelling nog onvoldoende was onderzocht. De voormannen van de Zuiderzeevereeniging trokken hieruit de conclusie dat er van deze minister niets te verwachten viel. Tijdens een debat in de Eerste Kamer liet De Marez Oyens zich bovendien geringschattend uit over de voorstanders. Volgens hem slaagden zij er niet in om nieuwe aanhangers voor zich te winnen.

Uit het contact met De Marez Oyens werd duidelijk dat voor het realiseren van het plan-Lely er ook rekening moest worden gehouden met de positie van de vissers, die voor hun broodwinning afhankelijk waren van de Zuiderzee. Hierover meer in de volgende aflevering.

Gepubliceerd op 29 januari 2016 op Historiek.

Van Zuiderzee tot Flevoland (3): het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging

Op 4 januari 1886 werd in Amsterdam de Zuiderzeevereeniging opgericht met als doel de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee te onderzoeken. Om de scepsis rond het vraagstuk weg te nemen was de nieuwe vereniging er alles aan gelegen om zo snel mogelijk te beginnen met het technisch onderzoek. Op voorstel van voorzitter Age Buma werd Jacob van der Toorn, een vooraanstaand waterstaatsingenieur die te boek stond als kenner van de grote rivieren, aangezocht om de leiding van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging op zich te nemen. Van der Toorn’s financiële eisen – een jaarsalaris van 7000 gulden – vormden geen bezwaar. Op voorspraak van Van der Toorn werd Cornelis Lely aangesteld als diens assistent. Op 1 november 1886 ging het onderzoek officieel van start.

Jacob van der Toorn
Jacob van der Toorn

Pogingen van de Zuiderzeevereeniging om het onderzoek, waarvoor Van der Toorn in totaal ruim 100.000 gulden nodig achtte, gefinancierd te krijgen, verliepen moeizaam. Op een waarborgfonds van 30.000 gulden werd slechts voor 13.850 gulden ingetekend. Subsidieverzoeken bij gemeenten en provincies leverden onvoldoende op. Slechts dankzij een geldlening van 30.000 gulden, voorschotten uit een tweede waarborgfonds en de lagere kosten kon het onderzoek van het technisch bureau van de Zuiderzeevereeniging in 1891 worden voltooid. Een van de financiële meevallers was het vroegtijdig vertrek van Van der Toorn per 1 november 1887. Lely nam daarop de leiding van het technisch onderzoek op zich.

Het plan-Lely
Van der Toorn en Lely gingen er aanvankelijk van uit dat een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzeekust beschermd diende te worden tegen overstromingen en dat zoveel mogelijk vruchtbare gronden binnen de afsluiting dienden te vallen. In hun eerste nota van februari 1887 namen zij het plan-Van Diggelen als uitgangspunt. Net als Benjamin van Diggelen zagen zij op voorhand af van de afdamming van het Marsdiep tussen Den Helder en Texel en de Vliestroom tussen Vlieland en Terschelling. Het afdammen van deze diepe zeegaten was volgens beiden vrijwel onmogelijk. Wilde men desondanks vasthouden aan een ontwerp van een zo groot mogelijke omvang, dan diende er een dijk te worden aangelegd van Noord-Holland via Wieringen naar Terschelling en via Ameland, Schiermonnikoog en Rottum naar de Groningse kust. Achter Texel en Vlieland was een kleine inpoldering mogelijk. Van der Toorn en Lely stelden bovendien voor om een afsluitdijk aan te leggen tussen Wieringen en de Friese kust. Hierdoor zou het mogelijk zijn om de inpolderingen ten zuiden van die dijk onafhankelijk van de landaanwinning op de Wadden uit te voeren. De IJssel zou uitwateren op een groot binnenmeer. Via sluizen in de afsluitdijk kon overtollig water worden afgevoerd. Op basis van bodemonderzoek kwam Lely uiteindelijk tot de slotsom dat de Wadden voor het grootste deel uit zand bestond. In zijn zesde nota uit februari 1891 hield hij nog de mogelijkheid open dat de vruchtbare delen, gelegen langs de Friese kust en in de Lauwerszee, konden worden ingedijkt. Later in dat jaar wees hij ook deze optie van de hand.

De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden
De door Lely en Van der Toorn verrichte grondboringen werden vooral verricht in het noorden en oosten van de Zuiderzee en op de Wadden

Uitgangspunt van het definitieve plan-Lely was dat binnen de afsluitdijk tussen Noord-Holland, Wieringen en Friesland zo min mogelijk zand zou worden ingepolderd. Welke treurige resultaten de indijking van een zandpolder opleverde, kon men volgens Lely aanschouwen in de in 1875 drooggelegde polder Het Noorden op Texel. Na vijftien jaar waren de meeste woningen nog onbewoond en een groot gedeelte van het land ongebruikt. ‘Naar mijne meening kan er dan ook geen sprake zijn van indijking van die gedeelten der Zuiderzee, die alleen uit zand bestaan.’ De contouren van het plan-Lely kwamen voor het eerst voor in de derde nota uit 1888. Op basis van reeds door voorgangers gedane grondboringen in het zuidelijk deel van de Zuiderzee en in het Wieringermeer, alsmede op basis van de resultaten van een in 1887 ondernomen verkenningstocht ten noordoosten van Urk, stelde hij voor achtereenvolgens droog te leggen: 1. het zuidoostelijk deel (nu Oostelijk en Zuidelijk Flevoland), 2. het zuidwestelijk deel (de niet gealiseerde Markerwaard), 3. het Wieringermeer, en 4. de hoek tussen Lemmer, Urk en de Overijsselse kust (nu de Noordoostpolder). Tezamen zouden deze droogmakerijen maximaal 240.000 hectares land opleveren.

Het plan-Lely
Het plan-Lely

In zijn laatste nota, die in maart 1892 in druk verscheen, presenteerde Lely drie mogelijkheden voor de afsluiting en droogmaking: twee zonder een afsluitdijk tussen Wieringen en Friesland en één met. De eerste oplossing zonder afsluitdijk combineerde oudere ontwerpen, te weten het plan-Leemans uit 1877 en het ontwerp-Wieringermeer met een eigen plan voor een noordoostelijke polder. De droogmakerijen zouden worden omringd door zware zeedijken. Deze oplossing had als voordeel dat ineens een zo groot mogelijk deel van de Zuiderzee kon worden drooggelegd. Het grote nadeel was echter dat de aanleg vele jaren zou duren, wat de scheepvaart langdurig zou belemmeren. Bovendien had de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen (KNAW) reeds in 1877 gerapporteerd dat een onvoltooide polder het gevaar van een malaria-epidemie met zich meebracht. Dit gevaar kon worden verkleind door de aanleg van kleinere polders die sneller in cultuur konden worden gebracht. De tweede oplossing behelsde de aanleg van vier polders zonder afsluitdijk. Het eigenlijke plan-Lely, de derde oplossing, had ten opzichte de eerste schets uit 1888 een kleine wijziging ondergaan. De twee zuidelijke polders werden nu ten behoeve van de landsverdediging gescheiden door een breed kanaal.

Met de publicatie van de acht technische nota’s was het onderzoek van de Zuiderzeevereeniging naar de uitvoerbaarheid van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee voltooid. Waar het nu op aankwam was om aan te tonen dat de uitvoering van het plan-Lely ook wenselijk en haalbaar was. Reeds in 1890 onderkende het bestuur van de vereniging dat voor het dichterbij brengen van de uitvoering het nodig was om zich ook uit te spreken over de financiële haalbaarheid en de economische gevolgen. Op 17 oktober van dat jaar riep het bestuur daartoe een economische commissie in het leven. Deze commissie, waarvan de secretaris Hendrik Christiaan van der Houven van Oordt de drijvende kracht was, publiceerde in 1892 haar rapport.

Lely wordt minister

Cornelis Lely
Cornelis Lely

Het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging was zeer verrast toen zij op 19 augustus 1891 een ontslagbrief van Lely ontving vanwege zijn benoeming tot minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Gezien de samenstelling van het nieuwe kabinet-Van Tienhoven, waarvan vijf van de acht leden lid waren van de vereniging, had het bestuur dan ook goede hoop dat dit kabinet de realisering van de Zuiderzeeplannen dichterbij zou brengen. Die verwachting werd inderdaad ingelost. Op 8 september 1892 riep Lely een staatscommissie in het leven met als opdracht te onderzoeken of een afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, zoals door de Zuiderzeevereeniging was voorgesteld, in ’s lands belang diende te worden ondernomen en zo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moest worden gebracht. Met dit besluit werd de fase van plannenmakerij definitief afgesloten. Nu werd één plan, namelijk dat van Lely, onderwerp van een politiek debat.

De staatscommissie vertegenwoordigde de uiteenlopende belangen die bij een eventuele uitvoering van het plan-Lely in het geding waren. Naast deskundigen uit agrarische en militaire kringen, maakten experts op het gebied van handel, zeevisserij en scheepvaart deel uit van de commissie. Ook ingenieurs van Rijkswaterstaat, statenleden uit verschillende provincies en leden van de Eerste en Tweede Kamer hadden hierin zitting. Lely kreeg in de Tweede Kamer voor de voeten geworpen dat de meeste leden zich reeds vooraf gunstig hadden uitgelaten over het plan van de Zuiderzeevereeniging. Hij ontkende dit door erop te wijzen dat dit slechts voor enkele leden het geval was, terwijl anderen zich eerder in tegengestelde zin hadden uitgelaten. Toch zat er in de kritiek een kern van waarheid. Zes van de 28 commissieleden waren lid van de Zuiderzeevereeniging, terwijl enkele anderen zich anderszins voor de vereniging verdienstelijk hadden gemaakt. Na het verschijnen van het rapport in 1894 werden nog eens acht leden van de staatscommissie lid van de Zuiderzeevereeniging.

De commissie deed aanbevelingen ten aanzien van de locatie van de afsluitdijk, de uitwateringssluizen en de situering van de aan te leggen polders, de gevolgen voor Zuiderzeevisserij en de vraag of de uitvoering moest worden opgedragen aan een particuliere onderneming of dat de Staat de uitvoering zelf ter hand moest nemen. Geconcludeerd werd dat de aanleg van een afsluitdijk een dermate grote verantwoordelijkheid met zich meebracht, dat deze niet door een particuliere onderneming kon worden gedragen. Ook bij de droogmaking en exploitatie van de Zuiderzeegronden was te zeer een staatsbelang in het geding om het aan een concessionaris over te kunnen laten. De Staat moest niet opdraaien voor de verliezen, terwijl een particulier de winsten opstreek. Aan het einde van haar rapport benadrukte de staatscommissie dat bij de beantwoording van de vraag of men een groot werk wilde ondernemen tot nog toe alleen het algemeen belang en nooit het commercieel voordeel de doorslag had gegeven. ‘Steeds zijn het de indirecte voordeelen geweest, die de Staat bij de onderneming van het werk op den voorgrond heeft gesteld.’

Kaart Staatscommissie
De aangepaste versie van het plan-Lely, zoals gepubliceerd in het rapport van de Staatscommissie

De totale afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee zou volgens de Staatscommissie in totaal 315 miljoen gulden gaan kosten. Per hectare gewonnen grond zou dit neerkomen op 1620 gulden. De commissie, die op 14 april 1894 verslag uitbracht, was verdeeld over de financiële aspecten. Zes leden beantwoordden de vraag of de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee volgens het ontwerp van de Zuiderzeevereeniging in ’s lands belang behoorde te worden ondernomen in ontkennende zin. Zij wezen op de grote financiële verplichtingen die uitvoering van de hele onderneming met zich mee zou brengen en op de onzekerheid ten aanzien van de economische uitkomsten.

Het oordeel der natie
Hoewel alle leden van de staatscommissie overtuigd waren van de technische uitvoerbaarheid van de Zuiderzeeplannen, was het allerminst zeker of daadwerkelijk tot uitvoering zou worden overgegaan. Daarvoor was een regering nodig die de aanbevelingen van de commissie vertaalde in een wetsvoorstel en dit voorstel met succes zou verdedigen in de Tweede Kamer. Aan deze voorwaarde werd in 1894 niet voldaan. Kort na de publicatie van het rapport viel het liberale kabinet-Van Tienhoven over de uitbreiding van het kiesrecht. Voor Lely’s opvolger als minister van Waterstaat, Philip van der Sleyden, hadden de Zuiderzeeplannen geen prioriteit. Tegenover het dagelijks bestuur van de Zuiderzeevereeniging stelde Van der Sleyden dat voordat met de uitvoering kon worden begonnen de vraag moest worden beantwoord of het landsbelang wel gediend was met het ter beschikking komen van grote hoeveelheden grond en of de schatkist het wel toeliet aan een werk te beginnen, dat tientallen jaren op de Rijksbegroting zou drukken. Voorts was de nieuwe minister er niet van overtuigd dat de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee werkelijk door het Nederlandse volk werd verlangd. De natie diende zich naar zijn mening eerst nog duidelijk hierover uit te spreken.

Voor de Zuiderzeevereeniging was duidelijk dat nu het technische onderzoek voltooid was het er nu om ging de politiek te overtuigen van de noodzaak om de afsluiting en drooglegging ter hand te nemen. Daartoe aangespoord door de nieuwe minister van Waterstaat ging de vereniging op zoek naar het “oordeel der natie”. Met propaganda, lezingen en publicaties over de economische voordelen probeerde de vereniging in de jaren na 1894 dit oordeel in positieve zin te beïnvloeden. In de volgende bijdrage staan we stil bij de propaganda ten faveure van de uitvoerig van het plan-Lely.

Gepubliceerd op 17 december 2015 op Historiek.